ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2044 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-070
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2044 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2012 |
| Datum publicatie: | 15-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | 2011-070 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de bedrijfsarts dat deze de werkneemster onprofessioneel heeft begeleid in haar ziekteproces, partijdig is geweest naar de werkgever toe en niet tot slecht heeft gecommuniceerd met behandelaren en behandeladviezen van behandelaren heeft genegeerd. Klager verwijt de arts voorts dat hij spanning en stress heeft opgeroepen bij werkneemster door op kritieke momenten in het ziekteproces te dreigen met loonsancties, waardoor werkneemster niet de noodzakelijke rust heeft gekregen wat heeft geleid tot chronische stress. Klacht ongegrond. |
Datum uitspraak: 15 mei 2012
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C, bedrijfsarts,
wonende te D,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift met bijlagen is ontvangen op 13 april 2011. De arts heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd. Daarna heeft klager bij brief ingekomen op 27 juli 2011 gereageerd op de dupliek.
Tenslotte heeft het College ontvangen op:
- 13 september 2011: de rapportage van het E te F,
- 5 oktober 2011: de medische verklaring van 12 september 2011 van G te H,
- 5 januari 2012: de rapportage van 23 december 2011 van de I te F.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 20 maart 2012. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De arts werd bijgestaan door mr. W.J. Boer, advocaat te Rotterdam, die een pleitnota heeft overgelegd.
2. De feiten
Klagers dochter J, hierna J, heeft zich op 20 oktober 2008 ziek gemeld vanwege uitputtingsverschijnselen, pijn in de spieren, uitvalsverschijnselen, hartkloppingen, duizeligheid en angstklachten. In de periode van 20 oktober 2008 tot 28 januari 2010 was aanvankelijk sprake van een toenemende mate van arbeidsgeschiktheid, doch daarna weer van een afnemende mate van arbeidsgeschiktheid en uiteindelijk is J in januari 2010 volledig arbeidsongeschikt geraakt voor haar werk. De arts is van oktober 2008 tot oktober 2010 de verzuimbegeleider van J geweest. Op verzoek van klager heeft de arts per oktober 2010 de verzuimbegeleiding overgedragen aan een collega.
3. De klacht
Klager verwijt de arts dat hij:
- J onprofessioneel heeft begeleid,
- zich partijdig ten opzichte van de werkgever heeft opgesteld,
- niet tot slecht heeft gecommuniceerd met de behandelaars van J en
behandeladviezen van de behandelaars heeft genegeerd,
- spanning en stress heeft opgeroepen bij J door op kritieke momenten in het
ziekteproces te dreigen met loonsancties,
- J de noodzakelijk rust heeft onthouden, waardoor zij nu last heeft van
chronische stress.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen betwist. Op hetgeen hij als verweer heeft aangevoerd, zal – voor zover voor de beoordeling van belang – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College gaat ervan uit dat klager, die de vader is van de meerderjarige J, met instemming van J de onderhavige klacht heeft ingediend.
Onprofessionele begeleiding
5.2 Het is de taak van de bedrijfsarts zich te richten op het functioneringsherstel van de cliënt. Op grond van de uitvoerig en consequent bijgehouden aantekeningen in de zogeheten Medische kaart van J, die de arts bij het verweerschrift heeft overgelegd, concludeert het College dat de arts consequent heeft toegewerkt naar arbeidsopbouw met voldoende mogelijkheden voor herstel. Daarnaast heeft de arts ook een tijdgerichte aanpak gehanteerd door passende werkzaamheden in F te adviseren in plaats van toe te werken naar werkhervatting in K (vestigingsplaats werkgever). Naar het oordeel van het College heeft de arts, bij het zoeken naar de optimale werksituatie voor J, voldoende oog gehad voor haar situatie en haar vermoeidheidsklachten. Voor het verwijt dat de arts J onprofessioneel heeft begeleid, bestaat dan ook geen grond, waarmee dit klachtonderdeel dient te worden afgewezen.
Partijdig ten opzichte van de werkgever
5.3 Als klager met dit verwijt bedoelt dat de arts “op arbeid gerichte keuzes maakt” (repliek), kan dit verwijt niet worden aanvaard. Het beleid van de bedrijfsarts dient, zoals onder punt 5.2 reeds is gesteld, gericht te zijn op functioneringsherstel.
Uit de aantekeningen op eerdergenoemde Medische kaart blijkt niet van partijdigheid van de zijde van de arts ten opzichte van de werkgever. Tenslotte zijn ook in de uitgebreide, openhartige mail van J aan de arts van 18 februari 2010, geen aanwijzingen te vinden die de verweten partijdigheid aan de zijde van de arts zouden kunnen ondersteunen. De conclusie moet dan ook zijn dat dit verwijt ongegrond is en dient te worden afgewezen.
Slechte communicatie met de behandelaars en behandeladviezen genegeerd
5.4 Vast is komen te staan dat na de ziekmelding op 20 oktober 2008 veel diagnoses bij J de revue zijn gepasseerd, veel verschillende behandelaars zijn geraadpleegd en veel verschillende therapieën zijn gevolgd. Het College kan zich voorstellen dat het voor de arts in die periode ondoenlijk was om in de veelheid van behandelaars en therapieën een aanspreekpunt te vinden om te overleggen over herstel van J op functioneringsniveau en zijn beleid daarop af te stemmen. Het ware beter geweest als de arts de huisarts had benaderd om hem zo mogelijk bereid te vinden de regie over de behandelingen en therapieën van
J op zich te nemen en te bewaken, zodat de arts een aanspreekpunt had gehad om zich regelmatig op de hoogte te laten stellen over de actuele gezondheidssituatie van J. Dat het daarvan niet is gekomen is te betreuren, maar kan de arts - in de gecompliceerde situatie van destijds - niet tuchtrechtelijk worden verweten. De conclusie is dan ook dat dit klachtonderdeel dient te worden afgewezen.
Oproepen van spanning en stress door op kritieke momenten in het ziekteproces te dreigen met loonsancties
5.5 In de brief van 20 december 2010 aan de UWV (bijlage bij de klachtbrief) stelt J dat zij haar werkgever: “meerdere malen heeft gevraagd haar niet te pushen, op te jagen of te bedreigen met loonsancties, …”. Hieruit blijkt dat niet de arts maar de werkgever J heeft gewezen op de mogelijkheid van loonsancties. In de Medische kaart zijn geen aanwijzingen te vinden die erop wijzen dat J door de arts is gewezen op c.q. gedreigd met loonsancties. Andere aanwijzingen die daarop zouden kunnen wijzen heeft het College in de stukken niet aangetroffen, waarmee dit klachtonderdeel dient te worden afgewezen
De noodzakelijk rust onthouden, waardoor J nu last heeft van chronische stress
Op basis van de stukken is duidelijk dat er bij J sprake is van een veelheid aan diagnoses, waarvoor inmiddels veel behandelaars zijn geconsulteerd zonder dat dit tot een structurele verbetering van de gezondheidssituatie van J heeft geleid. Ook nu gaat het niet goed met haar, nu J ook niet in staat was om de zitting in de onderhavige zaak bij te wonen.
Het College is dan ook van oordeel dat de arts niet kan worden verweten dat met name zijn beleid de oorzaak is geweest van de huidige gezondheidstoestand van J, waarmee ook dit laatste klachtonderdeel dient te worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, R.H.P. van Beest, M. Bakker, dr. B van Ek, leden-artsen, bijgestaan door mr. A.F. de Kok, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.