ECLI:NL:TGZRGRO:2012:YG2181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2011/109

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2012:YG2181
Datum uitspraak: 26-06-2012
Datum publicatie: 27-06-2012
Zaaknummer(s): G2011/109
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bij een huisartsenpost dienstdoende huisarts. Klager verwijt dat, bij het thuisconsult ’s nachts, onvolledige diagnostiek is verricht met mogelijk gemiste behandelopties tot gevolg, niet is verwezen naar een ziekenhuis terwijl daarop is aangedrongen. Klacht ongegrond.

Rep. nr. G2011/109

26 juni 2012

Def. 77

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 11 oktober 2011

binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

advocaat: mr. drs. M.C. Hoogendam,

tegen

C,

wonende te D,

huisarts,

werkzaam in huisartsenpraktijk te E,

verweerder,

BIG reg. nr: -,

advocaat: mr. J.W. Kastelein.
1. Verloop van de procedure

Het College heeft kennisgenomen van het dossier, waarin zich onder meer bevinden:

- het klaagschrift van 7 oktober 2011 met bijlagen, ingekomen op 11 oktober 2011;

- het verweerschrift van 30 december 2011, ingekomen op 30 december 2011;

- de ongedateerde repliek, ingekomen op 15 februari 2012;

- de ongedateerde dupliek, ingekomen op 20 maart 2012.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid in een mondeling vooronderzoek te worden gehoord.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 24 april 2012, waar zijn verschenen:

klager, bijgestaan door mr. drs. Hoogendam, en de huisarts, bijgestaan door mr. Kastelein.

Mr. drs. Hoogendam heeft het standpunt van klager naar voren gebracht aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het Tuchtcollege zijn overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,

die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

2.1.

Verweerder is werkzaam als huisarts en in relatie tot de klacht dienstdoende huisarts van de huisartsenpost.

2.2

Mevrouw A, echtgenote van klager en hierna verder: patiënte, heeft gedurende de avond en nacht voorafgaande aan haar overlijden in het ziekenhuis te D op 17 november 2010 via de huisartsenpost, drie achtereenvolgende huisartsen, onder wie verweerder als laatste, geconsulteerd.

2.3

Verweerder bezoekt patiënte, in de nachtdienst op 17 november 2010, thuis voor een consult wegens gedurende meerdere dagen bestaande koorts zonder bekend focus en veel pijn in met name de gewrichten van de handen.

Voorafgaand hieraan heeft een dienstdoende collega-huisarts, wegens dezelfde klachten, patiënte in de avond van 16 november 2010 om 19:22 uur op de huisartsenpost gezien en onder verdenking van polyneuropathie e.c.i. amitriptyline voorgeschreven. Vervolgens is wegens dezelfde klachten, met toename van de pijn en temperatuur tot 39º C, in de avond van 16 november 2010 een volgende dienstdoende collega-huisarts geconsulteerd. Deze tweede huisarts schrijft telefonisch om 23:04 uur pijnstilling (tramadol) voor.

Verweerder wordt vervolgens als derde dienstdoende huisarts door patiënte geconsulteerd. Na anamnese en lichamelijk onderzoek gedurende het consult thuis op 17 november 2010 van 04:13 uur tot 04:17 uur is een luchtweginfectie gediagnosticeerd (pulmonale crepitaties rechts, temperatuur 38.9º C bij bloeddruk 120/80 mm HG). Omdat patiënte meedeelt antibiotica niet te verdragen wordt de eerder voorgeschreven pijnbestrijding voortgezet en wordt zij voor verder (antibiotica) beleid geadviseerd de eigen huisarts in de ochtend te consulteren. De rapportage van het consult wordt om 05:14 uur via email verzonden naar de eigen huisartspraktijk.

2.4

Daarna heeft patiënte, begeleid door haar echtgenoot, haar eigen huisarts om 07:45 uur in de ochtend van 17 november 2010 bezocht en is door hem verwezen naar het huisartsenlaboratorium voor bloedonderzoek. De eigen huisarts heeft daarop, als om 10:00 uur het bloedonderzoek sterk afwijkend blijkt, patiënte naar het ziekenhuis verwezen. In het ziekenhuis ontstaat kort na binnenkomst een hypotensieve shock (een acute levensbedreigende toestand waarbij de druk in de bloedvaten te laag is om de vitale lichaamsfuncties in stand te houden) die niet behandelbaar is. Patiënte overlijdt kort daarna omstreeks 12:30 uur onder de verdenking van een aortadissectie (een levensbedreigende aandoening waarbij de binnenste laag van de wand van de grote lichaamslagader scheurt). Als een dag na het overlijden van patiënte blijkt dat de bloedkweken, die bij binnenkomst in het ziekenhuis waren afgenomen, Streptokokken groep A (S. Pyogenes) bevatten wordt duidelijk dat het ziektebeeld en het overlijden achteraf waarschijnlijk verklaard kan worden door een fulminante Streptokokken infectie.

3

De klacht

De klacht bestaat uit een drietal samenhangende onderdelen die

-zakelijk weergegeven- betrekking hebben op het onzorgvuldig handelen van verweerder.

3.1

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager dat verweerder onvolledige diagnostiek bij patiënte heeft verricht met mogelijk gemiste behandelopties tot gevolg. De symptomen hadden aanleiding moeten zijn voor nadere analyse. Daarbij heeft verweerder onvoldoende zelfstandig onderzoek verricht en geen differentiaaldiagnose opgesteld.

3.2

In het tweede klachtonderdeel wordt het verwijt gemaakt dat verweerder patiënte niet heeft verwezen naar een ziekenhuis voor verder onderzoek en behandeling. Na de twee consulten door collega-huisartsen, de voorafgaande avond op de huisartsenpost en in de nacht telefonisch, hadden de symptomen van patiënte tijdens het bezoek van verweerder aanleiding moeten zijn voor nadere analyse en moeten leiden tot ziekenhuisopname.

3.3

In het derde klachtonderdeel verwijt klager dat verweerder onvoldoende naar patiënte en klager heeft geluisterd terwijl zij beiden aandrongen op een ziekenhuisopname.

4

Het verweer

Verweerder bestrijdt de klachtonderdelen gemotiveerd en betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld. Voorafgaande aan het consult heeft verweerder kennis genomen van de verslaglegging van zijn collega-huisartsen. De anamnese en het onderzoek waren niet dermate verontrustend dat er aanleiding was voor verwijzing naar een ziekenhuis. Verweerder wilde aanvankelijk antibiotica voorschrijven, maar toen patiënte aangaf allergisch te zijn, terwijl niet bekend was voor welke antibiotica, stemde zij in met verwijzing naar haar eigen huisarts voor verder onderzoek en behandeling, waar zij na enkele uren terecht zou kunnen. Verweerder betreurt de afloop maar deze was zijns inziens helaas niet te voorzien.

5. Beoordeling van de klacht

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het College als volgt. Het College zal de klachtonderdelen achtereenvolgens behandelen. Het eerste en tweede klachtonderdeel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.1

Het College zal aan de hand van de onder 3. genoemde klachtonderdelen beoordelen of de arts terzake van de behandeling van patiënte een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt. Daarbij wordt vooropgesteld dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met wat toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2. Eerste en tweede klachtonderdeel.

Het verwijt dat verweerder onvolledige diagnostiek bij patiënte heeft verricht met mogelijk gemiste behandelopties tot gevolg treft geen doel. Verweerder heeft tijdens zijn consult de voorgeschiedenis in aanmerking genomen, zelfstandig onderzoek verricht, op grond hiervan zelfstandig een diagnose gesteld en een behandelbeleid bepaald. Er zijn geen aanwijzingen dat verweerder het onderzoek bij patiënte niet goed heeft uitgevoerd of dat verweerder verwijtbaar onjuiste conclusies heeft getrokken uit zijn onderzoek. De verwijzing en overdracht van de bevindingen naar de eigen huisarts beoordeelt het College gezien de geuite overgevoeligheid voor antibiotica als begrijpelijk.

Het verwijt dat verweerder patiënte niet heeft verwezen naar een ziekenhuis voor verder onderzoek en behandeling treft hierdoor eveneens geen doel.

5.3

Het voorgaande brengt mee dat het eerste en tweede klachtonderdeel faalt.

5.4

Derde klachtonderdeel.

Het College heeft onvoldoende aanwijzingen gevonden voor het verwijt dat verweerder onvoldoende naar patiënte en verweerder heeft geluisterd tijdens het consult. De tijdsduur van het daadwerkelijke consult is met vier minuten weliswaar kort maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat deze korte duur geleid heeft tot onzorgvuldig handelen. Partijen verschillen van mening over de vraag of klager en zijn echtgenote hebben aangedrongen op een ziekenhuisopname, terwijl verweerder aangeeft dat patiënte instemde met zijn beleid. De verklaringen van partijen op dat punt staan tegenover elkaar. In een dergelijke situatie kan het College, behoudens sterke aanwijzingen voor de juistheid van een van die standpunten (die hier ontbreken), de juistheid van de klacht niet beoordelen en slechts tot een ongegrondverklaring komen.

5.5

Het voorgaande brengt mee dat het derde klachtonderdeel faalt.

5.6

Uitgaande van de overwegingen hiervoor is het College tot de slotsom gekomen, dat de klacht als ongegrond moet worden afgewezen. Hieraan kan niet afdoen dat de door verweerder gemaakte inschatting van de gezondheidstoestand van de patiënte achteraf helaas onjuist is gebleken. Verweerder is gebleven binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening als bedoeld in 5.1.

6. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht ongegrond en wijst deze af.

Aldus gegeven door:

mw. mr. J.G.W. Lootsma-Nijeweme, voorzitter,

mr. drs. W.J. de Boer, lid-jurist,

prof. dr. J.W. Snoek, lid-geneeskundige,

dr. S.A.J. van den Broek, lid-geneeskundige,

drs. R. van der Eijk, lid-geneeskundige,

bijgestaan door mr. H.J. Idzenga, secretaris.

en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris De voorzitter