ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2055 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 11116a

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2055
Datum uitspraak: 24-05-2012
Datum publicatie: 24-05-2012
Zaaknummer(s): 11116a
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Sociaal psychiatrisch verpleegkundige wordt onder meer verweten dat zij de officieel bij klager geconstateerde PTSS gedurende een jaar stelselmatig heeft ontkend en verschoven, het  behandelplan niet met klager heeft besproken en zijn vragen niet beantwoord heeft. Waarschuwing.

Uitspraak: 24 mei 2012

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 26 juli 2011 binnengekomen klacht van:

A

wonende te B

klager

tegen:

C

sociaal psychiatrisch verpleegkundige

werkzaam te D

wonende te E

verweerster

gemachtigde mw. mr. F.J. van Benthem te Etten Leur

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift en de aanvulling daarop

-         het verweerschrift

-         de repliek

-         de dupliek

-         brief van klager ontvangen op 17 januari 2012

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is ter openbare zitting van 12 april 2012 behandeld. Partijen waren aanwezig: klager bijgestaan door de heer F en de heer G en verweerster bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

In oktober 2009 is klager door zijn huisarts voor traumaverwerking met mogelijk EMDR verwezen naar de GGZ, waar verweerster werkzaam is. Verweerster heeft de intake gedaan en vervolgens in dat kader op 15 maart 2010 een psychiatrische beoordeling laten plaatsvinden. Door de psychiater is als vermoedelijke werkdiagnose autisme vastgesteld. Aan klager is voorgelegd de behandeling van zijn klachten te laten plaatsvinden binnen het fact-team ambulant autisme spectrum stoornissen (ASS). Verwijzing naar dat fact-team bracht mede dat klager op de wachtlijst kwam te staan. Verweerster bleef in die tijd het aanspreekpunt voor klager. In de rapportage van HSK d.d. 14 april 2011 is geconcludeerd dat sprake is van een posttraumatische stress stoornis (PTSS), welke aandoening (as I DSM-IV-TR) chronisch en zeer ernstig is.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Uit de klacht kunnen de navolgende verwijten worden herleid:

1.    verweerster houdt informatie, waar klager recht op heeft, achter en heeft klager gedurende meer dan één jaar laten zitten met vragen en ellende. Verweerster heeft geen antwoord  gegeven op vragen van klager, zoals waarom hij een intelligentietest moet doen, op grond waarvan hij autisme heeft en waarom alleen gekeken wordt naar autistische trekjes c.q. ontwikkelingsproblematiek. Het behandelplan is niet met klager besproken en er staan dingen in die klager niet gezegd heeft. Dat is beledigend.

2.         het officieel geconstateerde PTSS is meer dan een jaar stelselmatig ontkend en verschoven. Verweerster en de psychiater zijn 1,5 jaar lang alleen bezig geweest met het geforceerd bewijzen van het bestaan van autisme, terwijl door de huisarts en later door de HSK de PTSS als primair en zeer ernstig is geconstateerd.

3.    verweerster heeft klager die met een groot trauma kampte gevoelsmatig de grond ingetrapt; zij heeft gelogen en feiten verdraaid. Het enige wat vanaf de eerste intake belangrijk was, was het aantonen van ontwikkelingsproblematiek als gevolg van speciaal onderwijs, waardoor het zelfvertrouwen van klager zeer is beschadigd. In het hele verhaal worden feiten anders uitgelegd en verdraaid.

4.    er is besloten klager aan te melden bij de behandelgroep autisme zonder met hem hierover te overleggen.

5.    aan het verzoek van klager om het gehele dossier te vernietigen is geen gehoor gegeven.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster herkent zich niet in de klachtonderdelen als hiervoor sub 1 en 3 weergegeven. Verweerster is juist erg meelevend en validerend en acht het een belangrijk en essentieel onderdeel van haar professioneel handelen om klager volledig te informeren. De aarzeling en het bezwaar van klager te worden blootgesteld aan een intelligentietest is in de intakefase besproken en vervolgens is dat onderwerp geparkeerd. Door de psychiater is de vermoedelijke diagnose autisme vastgesteld en is aan klager voorgelegd de behandeling te laten plaatsvinden binnen het fact-team ASS. Nadat klager hiervoor bedenktijd had gevraagd, is hij op 12 april 2010 in een gesprek met verweerster en de psychiater akkoord gegaan met het voorgestelde beleid. Zowel in het intakegesprek als tijdens de psychiatrische beoordeling is uitgebreid stilgestaan bij het pestverleden van klager. Onderkend is dat hij toentertijd daaronder heeft geleden en geconstateerd is dat dit zijn verdere ontwikkeling heeft beïnvloed. PTSS in engere zin volgens de criteria van DSM IV is toen niet geconstateerd.

Overleg met klager heeft plaatsgevonden en verweerster heeft ook aan klager aangeboden telefonisch contact met haar te hebben in plaats van via de e-mail.

Verweerster heeft klager uitgenodigd voor een gesprek dat op 3 mei 2011 heeft plaatsgevonden. Dit leek naar tevredenheid voor klager te zijn verlopen. 

Het verzoek tot vernietiging van het dossier is naar de juiste instantie, zijnde de directeur, doorgestuurd. Aan het verzoek is nog geen gehoor gegeven vanwege het feit dat klager de onderhavige klacht heeft ingediend.

5. De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat de hulpvraag waarmee klager bij verweerster kwam, door de huisarts duidelijk is aangegeven: PTSS en EMDR.

Verweerster heeft in het kader van de intake een beoordeling door die psychiater gevraagd, die tot de diagnose autisme is gekomen en behandeling door het fact-team ASS heeft voorgesteld. Naar het oordeel van het college is naar klager toe niet dan wel onvoldoende

gecommuniceerd dat het om een werkdiagnose ging en dat die diagnose bijgesteld zou kunnen worden, terwijl tevens naar de PTSS gekeken zou worden. Verweerster stelt wel dat uitgebreid aandacht is besteed aan het pestverleden van klager, maar laat na aan te geven wat daarmee verder is gebeurd. Het enige dat verweerster in dat kader stelt is dat niet kon worden geconstateerd dat er sprake was van PTSS in engere zin.

Aan klager had moeten worden uitgelegd dat het een complex geheel was en dat breed onderzoek nodig was. Duidelijk is dat klager vaak en indringend om uitleg heeft gevraagd, maar dat hij die – ondanks de vele bemoeienissen van verweerster met klager – niet heeft gekregen. Begrijpelijk is dat bij klager het idee is ontstaan dat hij zonder meer het stempel autisme opgedrukt kreeg, hetgeen voor hem extra belastend is geweest.

Het college wil wel aannemen dat de intentie van verweerster goed is geweest, maar wat betreft de uitwerking en het resultaat is verweerster naar het oordeel van het college te kort geschoten in haar professioneel handelen. Reeds op grond van het vorenoverwogene is de klacht dan ook gegrond.

Wat betreft de klacht dat geen gehoor is gegeven aan het verzoek om het gehele dossier te vernietigen, is het college van oordeel dat aan verweerster daarvan tuchtrechtelijk geen verwijt valt te maken nu zij dat verzoek heeft doorgespeeld naar de daarvoor geëigende instantie.

Gelet op alle omstandigheden acht het college de maatregel van waarschuwing passend.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend bepaalt het college dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

Het college vraagt zich overigens af of het - gelet op de aard van de instelling – niet beter zou zijn de psychiater reeds bij het intake-gesprek bij de casus te betrekken.

6. De beslissing

-         legt de maatregel van waarschuwing op.

-         bepaalt dat deze beslissing zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en op de

            voet van artikel 71 Wet BIG zal worden aangeboden aan ‘Tijdschrift voor

            verpleegkundige (TVZ) en Bijzijn’ met het verzoek tot plaatsing.

Aldus beslist door mr. P.G.Th. Lindeman-Verhaar als voorzitter, A. Petiet en M. IJzerman als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2012 in aanwezigheid van de secretaris.