ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2302 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2010/238

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2302
Datum uitspraak: 28-08-2012
Datum publicatie: 28-08-2012
Zaaknummer(s): 2010/238
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de orthopeed dat hij in de periode dat hij patiënt behandelde is tekortgeschoten in de zorg die zij van hem mocht verwachten. Klacht afgewezen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE AMSTERDAM

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 26 augustus 2010 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

tegen

C,

orthopedisch chirurg,

wonende en destijds werkzaam te D,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde mr.drs. F. Beenhakker, advocaat te Groningen.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlage;

-                     het verweerschrift;

-                     de repliek;

-                     de dupliek met de bijlagen;

-                     de correspondentie betreffende het vooronderzoek;

-                     de brief van (de gemachtigde van) klaagster van 22 oktober 2011, binnengekomen op 25 oktober 2011, met bijlagen;

-                     het proces-verbaal van het op 15 november 2011 gehouden terechtzitting ter behandeling van deze klacht;

-                     de beslissing van 30 november 2011 op het ingediende wrakingsverzoek;

-                     het klinisch- en poliklinisch dossier.

De klacht is ter openbare terechtzitting van 3 juli 2012 behandeld, als voortzetting van de terechtzitting van 15 november 2011, waarbij een collegelid in onder meer deze zaak werd gewraakt. De behandeling van deze zaak is toen, in afwachting van de wrakingsprocedure, aangehouden.

Klaagster was afwezig met bericht van verhindering. Verweerder en zijn gemachtigde waren ter zitting aanwezig. Mr. Beenhakker heeft een pleitnota overgelegd.

Op verzoek van verweerder is E, orthopedisch chirurg, als deskundige gehoord.

2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1         Klaagster, geboren 9 oktober 1985, is medio februari 2009 door haar huisarts verwezen naar F van G te D vanwege ernstige rugklachten die haar dagelijks leven ontregelden.

2.2         Verweerder was als orthopedisch chirurg verbonden aan F.

2.3         Op 16 maart 2009 heeft verweerder klaagster op het spreekuur gezien. Besloten is tot het uitvoeren van een nucleoplastiek. Aan klaagster is meegegeven een folder over de operatie en door verweerder is een slagingspercentage van 70% meegedeeld.

2.4         Bij brief van 24 maart 2009 heeft verweerder aan de huisarts van klaagster geschreven, voor zover hier van belang:

Zij heeft al 5 jaar rugklachten met uitstraling links meer dan rechts. (…)

Op de foto zien we een versmalling van de discus L5-S1 en op de MRI is er een

centrale HNP L5-S1 met een black disc en een Modic 1 verandering.

Beleid: Dit zijn altijd moeilijke klachten. Het natuurlijke beloop zou gunstig kunnen zijn, maar het kan ook slechter worden. Ik heb met haar afgesproken dat we in eerste instantie een nucleoplastiek zullen doen met als opties in de toekomst nog een Dynesys dan wel een PLIF.

Ze is nu op de opnamelijst geplaatst voor een nucleoplastiek”

2.5         Op 31 maart 2009 heeft verweerder met de anesthesist/pijnspecialist H als medeoperateur bij klaagster een nucleoplastiek L5-S1 uitgevoerd.

2.6         Op 12 mei 2009 heeft verweerder klaagster op het spreekuur gezien. Klaagster heeft daarbij aangegeven nog veel klachten te ondervinden. Er is vervolgens een MRI gemaakt. Deze MRI is op 2 juni 2009 met klaagster besproken en besloten is tot een volgende ingreep.

2.7         Bij brief van 9 juni 2009 heeft verweerder aan de huisarts van klaagster het volgende geschreven, voor zover hier van belang:

“Op 2 juni 2009 zag ik uw bovengenoemde patiënte nog eens. Na haar nucleoplastiek heeft zij niet minder pijn gekregen.

Op de nieuwe MRI is er nog steeds een puilende discus. Ik heb haar voorgesteld om in eerste instantie toch een transforaminale discectomie L5-S1 aan de linkerzijde uit te voeren.

Zij is hiertoe op de opnamelijst geplaatst. Uiteraard kan het eindstation toch zijn dat ze een intercorporele spondylodese dient te ondergaan.”

2.8         Op 28 juli 2009 heeft verweerder bij klaagster een transforaminale endoscopische HNP resectie L5-S1 links uitgevoerd waarbij het uitpuilende deel van de discus werd verwijderd.

2.9         Bij de nacontrole heeft verweerder klaagster verwezen naar de fysiotherapeut  aangezien er nog klachten waren. Hierna heeft verweerder klaagster niet meer (terug) gezien.

2.10       In 2010 heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtencommissie van G. Op verzoek van de klachtencommissie heeft een onafhankelijke onderzoekscommissie een medisch inhoudelijk onderzoek verricht, welke bevindingen zijn neergelegd in ongedateerd stuk dat aan klaagster via de klachtencommissie bij brief van 20 mei 2011 is verzonden.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1.                       een verkeerde diagnose heeft gesteld;

2.                       onvoldoende informatie heeft verstrekt over de behandeling, de gevolgen van de behandeling en eventuele alternatieven;

3.                       ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een andere beroepsuitoefenaar.

De reden voor klaagster om de klacht in te dienen is om er achter te komen of er fout is gehandeld bij haar behandeling door verweerder. Klaagster heeft het vermoeden dat mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld omdat de pijn na de operatie is aangehouden, en gelet op de (negatieve) uitleg van de behandelend specialist neurochirurg I over de operaties en het negatief in de media komen van verweerder.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1         Het college overweegt met betrekking tot het klachtonderdeel 1 als volgt.

Op de eerste X-foto van de LWK van 10 februari 2009 is te zien dat er sprake is van een minimale links convexe bocht met een versmalling van de tussenwervelschijfhoogte L5-S1. Op de MRI van 10 maart 2009 is een discopathie L5-S1 zichtbaar. Niet is te zien dat er sprake is van een “echte hernia” maar wel van een “annular tear” een mogelijk voorstadium van een HNP.  Klinisch bestond er in ieder geval geen objectiveerbare neurologische uitval maar wel pseudoradiculaire klachten.

In het algemeen behoeft bij dit beeld niet te worden ingegrepen omdat de vraag is of zo’n operatie de (pijn)problemen wegneemt. Daar staat tegenover dat een nucleoplastiek niet erg invasief is en in die zin kan de ingreep, bij ernstige pijnklachten, geïndiceerd zijn en mogelijk verbetering geven. Voor de tweede ingreep, een transforaminale discectomie, lijkt de indicatie discutabel, nu er enkel sprake was van aanhoudende pijnklachten bij discopathie. Bij MRI onderzoek waren geen essentiële veranderingen in vergelijking met de eerste MRI opgetreden, mogelijk was er alleen sprake van enig puilen van de discus  maar geen sprake van een HNP.  

De diagnose van verweerder is in zoverre niet onjuist geweest, maar het college zet vraagtekens bij de noodzaak van de twee operaties alhoewel deze operaties nationaal en internationaal door meerdere artsen worden verricht en door hen goede resultaten worden geclaimd. Al met al geeft het handelen van verweerder geen aanleiding om dit klachtonderdeel gegrond te achten.

5.2       Met betrekking tot het klachtonderdeel onder 2 overweegt het college dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder onvoldoende informatie heeft verstrekt over de behandeling, de gevolgen van de behandeling en eventuele alternatieven.

Klaagster stelt dat verweerder haar voor de eerste operatie heeft geadviseerd een nucleoplastiek uit te voeren en dat zij een folder over de operatie heeft meegekregen. Er is een slagingspercentage genoemd van 70%. In het poliklinisch dossier staat bij 16 maart 2009 vermeld dat over diverse operatieve behandelingen is gesproken. Dit blijkt eveneens uit de brief van verweerder aan de huisarts van 24 maart 2009 waarin ook het natuurlijke beloop wordt aangegeven. Voor de tweede operatie geeft klaagster aan dat gesproken is over de optie om de hernia te verwijderen via de zijkant van haar rug dan wel de desbetreffende tussenwervelschijf te fixeren door middel van een plaat met schroeven. Er is door verweerder een slagingspercentage van 80% genoemd.

Verder is in het klinisch dossier een ongedateerde door klaagster getekende overeenkomst dat zij terdege is voorgelicht over de operatie/behandeling. Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, faalt dit klachtonderdeel.

5.3       Het klachtonderdeel onder 3 faalt eveneens. Het is het college niet duidelijk geworden waarop klaagster doelt, in het bijzonder op welk moment en naar wie verweerder klaagster had moeten doorverwijzen. Het college heeft in het medisch dossier ook geen aanknopingspunten gevonden voor de mogelijkheid en/of noodzaak tot doorverwijzing.

5.4       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af.

Aldus gewezen op 3 juli 2012 door:

mr. R.A. Dozy, voorzitter,

Prof. dr. R.G. Pöll, J.C. van de Molen en P.A.M. Beker, leden-arts,

mr. Q.R.M. Falger, lid-jurist,

mr. S.S. van Gijn, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 augustus 2012  door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. R.A. Dozy, voorzitter

w.g. S.S. van Gijn, secretaris