ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2209 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2011/156

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG2209
Datum uitspraak: 03-07-2012
Datum publicatie: 03-07-2012
Zaaknummer(s): 2011/156
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: De klacht betreft de behandeling van klagers echtgenote, verder patiënte te noemen. Klager verwijt de cardioloog dat hij is tekortgeschoten in de zorg die patiënte van hem mocht verwachten door het voeren van een ondeugdelijk behandelbeleid, onder andere door het verrichten van onvoldoende onderzoek. De klacht heeft voorts betrekking op de dossier- en informatieplicht. Patiënte is overleden. Berisping

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE AMSTERDAM

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 17 mei 2011 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a g e r,

gemachtigde mr. Ch.L. van den Puttelaar, advocaat te Rotterdam,

tegen

C,

cardioloog,

wonende te D,

werkzaam te D,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde prof.mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek met de bijlagen;

- de dupliek;

- de correspondentie betreffende het vooronderzoek;

- de brief van verweerder, binnengekomen op 6 maart 2012;

- de brief van de gemachtigde van klager met bijlagen, binnengekomen op 22 maart 2012;

- de brief van verweerder, binnengekomen op 10 april 2012;

- de brief van de gemachtigde van klager met bijlage, binnengekomen op 16 april 2012.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is ter openbare terechtzitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door mr. Van den Puttelaar voornoemd en verweerder door prof. mr. Loonstein voornoemd, die beiden een toelichting hebben gegeven aan de hand van pleitnota’s die aan het college zijn overgelegd.

2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1 Klager is de gewezen echtgenoot van mevrouw E, geboren november 1950, hierna patiënte te noemen. Patiënte heeft zich op 30 oktober 2000 onder behandeling van verweerder gesteld in verband met hypertensie en pijn op de borst. Verweerder heeft daarop een verhoogde bloeddruk gemeten, een ECG gemaakt en bloedonderzoek laten verrichten. Het ECG toonde geen afwijkingen. De behandeling met antihypertensiva werd aangepast.

Patiënte bleef vervolgens voor controle van de tensie bij verweerder onder behandeling. In 2006 werd in verband met pre-cordiale klachten een inspanningstest verricht evenals in 2007 met toen ook een echocardiogram.

2.2 In oktober 2008 bemerkte patiënte geringe klachten van kortademigheid en ontdekte de huisarts bij onderzoek van patiënte een hartgeruis. Onder deze berichtgeving wendde patiënte zich opnieuw tot verweerder. Verweerder heeft vervolgens een echocardiogram gemaakt en de diagnose ‘Hypertrofische Obstructieve Cardiomyopathie’ (HOCM) gesteld. Deze diagnose werd door MRI-onderzoek bevestigd. Verweerder zag geen aanleiding het behandelbeleid te wijzigen. Wel diende patiënte voor controle of bij klachten terug te komen. Controle heeft plaatsgevonden in 2009 en begin 2010.

2.3 Op 8 oktober 2010 vond een volgende controle plaats. Patiënte gaf op dat moment een nieuwe klacht aan: zij had last van een drukgevoel op de borst bij het begin van een inspanning. Verweerder zag hierin aanleiding om verder invasief onderzoek te laten verrichten en besprak dit voorstel met de vakgroep cardiologie van het VU medisch centrum. De vakgroep adviseerde een hartkatheterisatie. Op 12, 15 en 19 oktober 2010 heeft verweerder patiënte gebeld, maar kreeg hij geen gehoor. Op 20 oktober 2010 heeft verweerder opnieuw gebeld en een voice-mail bericht ingesproken inhoudende een verzoek om terug te bellen in verband met het te volgen beleid. Op die dag bleek patiënte echter te zijn overleden.

2.4. Verweerder heeft na een verzoek van de nabestaanden om afgifte van het medisch dossier, het dossier overgeschreven en het origineel weggegooid.

3. De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1. niet adequaat het medisch dossier heeft bijgehouden;

2. patiënte in meerdere opzichten op onzorgvuldige wijze heeft behandeld (diagnosestelling en behandelbeleid);

3. een ongepast verwijt heeft gemaakt aan (de nabestaanden van) patiënte met betrekking tot haar consultatietrouw.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1 Ingevolge artikel 65, eerste lid, sub a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) wordt een tuchtzaak aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van – onder meer – een rechtstreeks belanghebbende. Onder dit begrip valt in ieder geval de patiënt zelf, maar ook een nabestaande van een overleden patiënt. Klager is nabestaande en derhalve rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet BIG. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

5.2 Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen ten aanzien van patiënte is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, zoals klager heeft gesteld. Rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard, volgt het college klager in dit standpunt.

5.3 Ten eerste is het college gebleken van een dossiervoering van verweerder betreffende patiënte die (ver) beneden de maat is geweest. Zo is geen enkele keer genoteerd dat lichamelijk onderzoek bij patiënte is verricht (behalve het meten van de bloeddruk), ontbreekt een anamnese in de notities en brieven of is deze slechts summier en onvolledig weergegeven, ontbreekt een verslag en/of registratie van de fietstest van 2006 en is die van 2007 onvolledig, ontbreekt het verslag van een echocardiogram van 2007, en kan in het dossier onvoldoende worden teruggevonden wat het behandel- en controlebeleid is geweest. Het verweer dat bij het overschrijven van het dossier mogelijk enkele details zijn weggelaten volgt het college niet. Niet alleen had verweerder een bewaarplicht van het originele dossier van 15 jaren, maar blijkt ook van afwezigheid van essentiële stukken die met overschrijven niets van doen hebben.

5.4 De afwezigheid van genoemde gegevens leidt ertoe dat een behoorlijk verslag waarop verweerder later zou kunnen terugvallen, evenals eventuele waarnemers of andere betrokken hulpverleners, ontbreekt. Gelet op mogelijk verstrekkende gevolgen voor de gezondheid van patiënte is dit kwalijk te noemen. Voorts maakt de afwezigheid van gegevens dat verweerder zich niet toetsbaar kan opstellen en dat het college niet kan uitgaan van de juistheid van hetgeen verweerder ter zitting over het behandel- en controlebeleid heeft verklaard en de afspraken die daarover met patiënte zouden zijn gemaakt. Evenzeer kan hierdoor worden getwijfeld aan de daadwerkelijke verrichting van bijvoorbeeld lichamelijk onderzoek en het afnemen van een adequate anamnese en familieanamnese. Hierdoor blijft onduidelijk waarom verweerder onderzoeken heeft verricht zoals een fietstest en echocardiogram in 2007, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat de klachten van patiënte tot aan oktober 2008 niet van zodanige aard waren dat een behandeling anders dan het controleren van de tensie noodzakelijk was en hij in zijn verweerschrift aangeeft dat er eerder dan in 2008 geen indicatie was voor uitgebreid echocardiografisch onderzoek. De gevolgen van een en ander dienen voor rekening van verweerder te blijven, waarop wordt teruggekomen in punt 5.7.

5.5 Ten tweede is het college van oordeel dat verweerder onvoldoende beleid op de diagnose HOCM in oktober 2008 heeft gevoerd. Een juist beleid – zoals neergelegd in de richtlijn van de beroepsgroep en welke richtlijn een weergave betreft van de professionele standaard van 2008 – omvat een risicostratificatie waarbij klinische kenmerken van de patiënt worden geverifieerd en/of gecontroleerd. Verweerder heeft deze risicostratificatie niet verricht en evenmin kunnen uitleggen waarom hij is afgeweken van dit geprotocolleerde beleid, hetgeen van hem had mogen worden verlangd. Het niet voeren van het beleid valt verweerder dan ook tuchtrechtelijk te verwijten. Daar doet niet aan af dat patiënte (nog) niet in aanmerking kwam voor een operatie of medicatie.

5.6 Of het behandelbeleid van verweerder in causaal verband staat tot het overlijden van patiënte kan het college niet vaststellen en wordt verder in het midden gelaten.

5.7 Evenmin kan het college vaststellen of verweerder (aan de nabestaanden van) patiënte een verwijt heeft gemaakt met betrekking tot haar consultatietrouw, nu klager en verweerder daarover tegengestelde standpunten hebben ingenomen. Verder feitenonderzoek op dit punt is niet op zijn plaats, mede gelet op de hieronder te vermelden slotsom.

5.8 Al met al is de conclusie van het voorgaande dat de klacht in haar kernonderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens patiënte had behoren te betrachten. Gezien enerzijds de ernst van het verwijt ten aanzien van het behandelbeleid vanaf 2008 en de onmogelijkheid om vast te stellen hoe het beleid is geweest tot aan dat moment, en anderzijds het feit dat verweerder niet eerder een maatregel is opgelegd, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat niet is vast te stellen of het behandelbeleid in causaal verband staat tot het overlijden van patiënte, is oplegging van na te melden maatregel passend.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege berispt verweerder.

Aldus gewezen op 8 mei 2012 door:

mr. E.A. Messer, voorzitter,

dr. mr. P.H.M.T. Olde Kalter, dr. S.A. van den Broek en D.E. de Jong, leden-arts,

mr. R.P. Wijne, lid-jurist,

mr. S.S. van Gijn, als secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 3 juli 2012 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. E.A. Messer, voorzitter

w.g. S.S. van Gijn, secretaris