ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2177 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.290

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2177
Datum uitspraak: 26-06-2012
Datum publicatie: 27-06-2012
Zaaknummer(s): c2011.290
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater met betrekking tot een door de psychiater als deskundige in een civiele procedure opgestelde rapportage over klager. Klacht door Regionaal College ongegrond verklaard. Klager komt in hoger beroep en wijst daarbij onder meer op een door hem in het geding gebracht rapport van een psycholoog. Naar het oordeel van de Centraal Tuchtcollege heeft het Regionaal College met juistheid geoordeeld dat het rapport van de psychiater voldoet aan de daaraan volgens vaste jurisprudentie te stellen eisen. Dat de door klager geraadpleegde psycholoog tot andere bevindingen komt dan de psychiater, leidt niet tot een ander oordeel.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2011.290 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. C.A.M. Swagemakers te Tilburg,

tegen

C., psychiater, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna: klager - heeft op 12 augustus 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna: de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 juni 2011, onder nummer 10112 heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft een rapportage van een psychologisch onderzoek uitgevoerd door D., psycholoog, in het geding gebracht. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tucht­college van 15 mei 2012, waar klager is verschenen, alsmede de psychiater, bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Bij tussenvonnis van 16 januari 2008 heeft de Rechtbank E. in een civiele procedure een deskundigenonderzoek gelast, vraagpunten geformuleerd en verweerder als deskundige benoemd. Verweerder heeft klager psychiatrisch onderzocht. Op 23 mei 2008 heeft verweerder zijn concept-rapportage per gewone post aan klager toegestuurd waarbij hij klager heeft gewezen op zijn correctie- en/of blokkeringsrecht. Ondanks een fout in de adressering heeft klager van de inhoud van het rapport kennis genomen. Verweerder heeft klager bij brief van 13 juni 2008 gerappelleerd. Klager heeft van zijn correctie- en/of blokkeringsrecht geen gebruik gemaakt waarna verweerder zijn rapportage aan de rechtbank heeft toegestuurd.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Verweerder is in de wijze van onderzoek en rapporteren jegens klager ernstig tekort geschoten. Door een onjuist en onzorgvuldig onderzoek te verrichten, heeft verweerder zich ondeskundig en onbehoorlijk jegens klager gedragen. Verweerder heeft zonder toestemming van klager informatie bij derden -waaronder een voorheen geraadpleegde psychiater- opgevraagd, heeft klager niet geïnformeerd over de door derden verstrekte gegevens en heeft het verzoek van klager om informatie in te winnen bij een behandelend hypnotherapeut genegeerd. De conclusies van verweerder zijn onjuist. Bovendien had verweerder deze conclusies niet mogen trekken zonder een collega-psychiater erbij te betrekken en zonder literatuur en bevindingen van deskundigen te raadplegen. Verweerder had klager niet mogen confronteren met de rapportage zoals hij heeft gedaan, wetende dat de inhoud voor klager belastend was. Klager had niet zonder de hulp van een deskundige daarvan in kennis gesteld mogen worden. Het rapport is bovendien niet aangetekend en zelfs naar een foutief adres verzonden.

4. Het standpunt van verweerder

Bij aanvang van zijn opdracht heeft verweerder alle processtukken ter inzage gekregen en bestudeerd. Daarnaast had hij inzage in brieven van GGZ en van een collega-psychiater. Hij heeft tweemaal met klager gesproken alsmede met diens partner, moeder en huisarts. Omdat klager een correctie- en/of blokkeringsrecht had, stond het hem vrij om eventuele op- en/of aanmerkingen op de concept-rapportage kenbaar te maken. Klager heeft daar geen gebruik van gemaakt. Klager heeft op 28 mei 2008 een machtiging ondertekend waarmee hij verweerder toestemming heeft verleend om bij de huisarts en/of behandelend geneeskundigen inlichtingen in te winnen. De gegevens die verweerder van deze artsen heeft ontvangen gaven geen andere informatie dan die klager tijdens de gesprekken zelf aan verweerder had verstrekt. Hoewel de naam van de hypnotherapeut wel is genoemd, heeft klager verweerder niet verzocht om informatie bij de therapeut in te winnen en verweerder zelf zag geen meerwaarde in contact met deze therapeut. Verweerder heeft in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet hoe hij te werk is gegaan en op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De door verweerder gehanteerde methode van onderzoek is adequaat ter beantwoording van de specifieke vragen van de rechtbank. Verweerder heeft klager zijn mobiele telefoonnummer gegeven zodat klager, indien hij daar behoefte aan had, contact met hem kon opnemen. Dat heeft klager ook regelmatig gedaan. Klager heeft echter niet op de concept-rapportage gereageerd terwijl verweerder beschikbaar was voor overleg. Het is niet gebruikelijk om rapportages aangetekend te versturen. Hoe de fout in de adressering heeft kunnen ontstaan, is niet meer te achterhalen. Verweerder is conform de geldende maatstaven te werk gegaan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

5. De overwegingen van het college

Met betrekking tot de totstandkoming van het rapport en de toezending ervan :

De klacht dat verweerder zonder toestemming van klager informatie bij derden heeft opgevraagd, moet worden verworpen aangezien klager op 28 maart 2008 een machtiging heeft ondertekend waarmee hij verweerder toestemming heeft gegeven om bij de huisarts en/of behandelend geneeskundigen inlichtingen in te winnen omtrent zijn gezondheidstoestand. Vaststaat dat verweerder bij de huisarts informatie heeft opgevraagd, waartoe hij was gemachtigd. Niet is gebleken dat hij ook bij anderen informatie heeft opgevraagd, nog afgezien van de vraag of dat verwijtbaar zou zijn geweest.

Het klachtonderdeel dat verweerder klager niet heeft geïnformeerd over de door derden verstrekte gegevens moet eveneens worden verworpen. De opdracht van verweerder was om aan de rechtbank –en niet aan klager- te rapporteren aan de hand van door de rechtbank vooraf vastgestelde vragen. Verweerder was niet verplicht om, voorafgaand aan de toezending van de concept-rapportage, klager te informeren over de door derden verstrekte gegevens.

Nog daargelaten de vraag of verweerder verplicht zou zijn geweest desgevraagd informatie bij de hypnotherapeut in te winnen, niet is komen vast te staan dat klager verweerder heeft verzocht bij de behandelende hypnotherapeut informatie in te winnen. Hoewel verweerder erkent dat hij met klager over deze therapeut heeft gesproken, wordt het hiervoor bedoelde verzoek van klager door hem gemotiveerd betwist. Het college wijst er in dit verband nog op dat klager geen gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheid om te reageren op het concept-rapport waarbij hij verweerder op het ontbreken van informatie van de hypnotherapeut had kunnen aanspreken. Dit klachtonderdeel faalt.

Vaststaat dat de rapportage naar een onjuist adres is verstuurd. Hoewel dat fout is, betreft het een feit van zodanig gering gewicht, dat er naar het oordeel van het college geen sprake is van een tuchtrechtelijk verwijt. Het is niet verplicht noch gebruikelijk om een rapportage aangetekend te verzenden, waardoor ook dit klachtonderdeel moet worden verworpen.

Met betrekking tot de inhoud van het rapport :

Rapportage zoals door verweerder is uitgebracht, wordt volgens vaste jurisprudentie van het

Centraal Tuchtcollege aan de hierna volgende criteria getoetst:

1. wordt in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op

welke gronden de conclusie van het rapport steunt,

2. vinden de in het rapport uiteengezette gronden aantoonbaar voldoende

steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport,

3. kunnen bedoelde gronden de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen,

4. beperkt de rapportage zich tot de deskundigheid van de rapporteur en

5. kon de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de

voorgelegde vraagstelling te komen tot het beoogde doel leiden, en/of heeft de

rapporteur daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden. Vakkundigheid en zorgvuldigheid worden daarbij ten volle getoetst. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.

Het college stelt vast dat het rapport voldoet aan de hiervoor genoemde criteria.

In zijn rapportage vermeldt verweerder summier, doch op voldoende wijze, de informatie waarop hij zijn oordeel baseert.

Verweerder was door de rechtbank als deskundige benoemd en diende in zijn rapportage de door de rechtbank gestelde vragen te beantwoorden. Niet is gebleken dat verweerder over onvoldoende expertise beschikte om deze vragen te kunnen beantwoorden. Het standpunt van klager met betrekking tot de deskundigheid van verweerder is onvoldoende en niet deugdelijk onderbouwd, zodat dit geen wijziging kan brengen in het oordeel van het college.

Het is gebruikelijk dat rapporteurs de conclusies van een rapport met de onderzochte bespreken. Verweerder heeft de conclusies van zijn rapport echter uitsluitend schriftelijk aan klager doen toekomen. Verweerder heeft overwogen dat hij, mede gelet op de inhoud ervan, daarmee kon volstaan waarbij hij klager de mogelijkheid heeft gegeven tot reactie en daarmee tot het in gesprek raken over het rapport. Bovendien beschikte klager over het mobiele telefoonnummer van verweerder en had hij ook op die wijze contact met verweerder kunnen opnemen, van welke mogelijkheid klager tijdens de onderzoeksfase meerdere malen gebruik had gemaakt. Hoewel het beter was geweest dat verweerder de conclusies van zijn rapport met klager persoonlijk had besproken, kan dit niet tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er namelijk niet om of dat handelen beter had gekund, maar is beslissend het antwoord op de vraag of de arts vanuit tuchtrechtelijk standpunt gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

De klacht is in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” van de bestreden beslissing.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klachten herhaald en nader toegelicht. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar de door hem in het geding gebrachte rapportage van de psycholoog D..

4.2 De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft het Regionaal Tuchtcollege met juistheid geoordeeld dat het rapport van de psychiater voldoet aan de daaraan volgens vaste jurisprudentie te stellen eisen. Dat de door klager geraadpleegde psycholoog D. tot andere bevindingen komt dan de psychiater, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4 Ook voor het overige heeft de behandeling in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. C.H.M. Van Altena, voorzitter,

mr. P.M. Brilman en mr. R. Veldhuisen, leden-juristen en drs. A.C.L. Allertz en

mr.drs. R.H. Zuiderhoudt, leden-beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2012.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.