ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2170 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.008
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2012 |
| Datum publicatie: | 27-06-2012 |
| Zaaknummer(s): | c2011.008 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts, werkzaam als directeur patiëntenzorg. RTG verklaart klager in de klacht niet ontvankelijk. CTG oordeelt dat directeur patiëntenzorg tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn. Wel moet er sprake zijn van handelen op gebied deskundigheid van arts. In dit geval wordt dat aangenomen. Voorkomen moet worden dat arts aansprakelijk wordt gehouden voor keuzes in bedrijfsvoering waar hem beleidsvrijheid toekomt. Tav klacht oordeelt het CTG dat deze ongegrond is. Klacht wordt afgewezen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.008 van:
A., wonende althans verblijvende te B., C., appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde D., te E.,
tegen
O., arts met specialisme maatschappij en gezondheid,
wonende te S., verweerster in beroep en in eerste aanleg,
met rechtskundige bijstand van mr. A.M. den Hertog-
de Visser, als jurist verbonden aan het P. te J..
1. Verloop van de procedure
Appellant - hierna klager - heeft op 18 november 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s- Gravenhage tegen verweerster - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 31 augustus 2010, onder nummer 2008 H 178f, heeft dat College klager in de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijk met de zaken onder nummer C2011.003 (klager / I., internist), C2011.004 (klager / K., neuroloog), C2011.005 (klager / L., neuroloog), C2011.006 (klager / M., neuroloog) en C2011.007 (klager / N., neuroloog) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 mei 2012.
Verschenen zijn de gemachtigde van klager, D. voornoemd, en de arts, bijgestaan door mr. A.M. den Hertog- de Visser. Klager was niet ter terechtzitting aanwezig. Hij heeft tevoren bericht van verhindering gezonden.
D. en mr. Den Hertog- de Visser hebben de standpunten van partijen over en weer toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“ Ingevolge artikel 47 van de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is voor het onderworpen zijn aan tuchtrechtspraak in de eerste plaatst vereist dat de aangeklaagde zich begeeft op het deskundigheidsgebied dat bij zijn in het BIG-register ingeschreven titel hoort, te weten in dit geval dat de aangeklaagde persoon heeft gehandeld in de hoedanigheid van arts. In de hoedanigheid van directeur patiëntenzorg – welke hoedanigheid niet is voorbehouden aan personen die tevens de titel arts bezitten - is de arts niet onderworpen aan tuchtrechtspraak.”
3. Beoordeling van het beroep
3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Klager is de vader van H. - verder patiënte te noemen - geboren op 17 april 1987. Patiënte was van 28 mei 2008 tot 25 juli 2008 opgenomen in het P. te J.. Op 25 juli 2008 is patiënte overgeplaatst naar het Q.. De arts was in die periode in het P. werkzaam als directeur Directie Patiëntenzorg. In verband met die overplaatsing heeft zij op 23 juli in 2008 en 29 juli 2008 met klager gesproken. Zoals de arts stelt in haar verweerschrift in eerste aanleg ging het gesprek op 23 juli 2008 onder andere over de continuïteit van de zorg en de behandeling in verband met de overplaatsing. In het gesprek op 29 juli 2008 drong klager aan op terugplaatsing van patiënte naar het P.. Toen is besproken dat de relatie met de afdeling Neurologie van het P. dusdanig was verstoord door het door klager opzeggen van het vertrouwen in deze afdeling dat continuering van zorg in het P. niet meer mogelijk was. De arts heeft aangegeven dat zij zich er steeds van heeft vergewist dat aan patiënte die behandeling en zorg werd gegeven die patiënte nodig had en dat zij er op heeft toegezien dat het ingezette beleid, de continuïteit van de behandeling en van de zorg als gevolg van de overplaatsing op geen enkele manier in het geding zijn geweest.
3.2. De in eerste aanleg door klager tegen de arts ingediende klacht houdt in dat de overplaatsing van patiënte van het P. naar het Q. onrechtmatig is geweest. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Klager is van die beslissing in beroep gekomen, met impliciet de conclusie de beslissing te vernietigen en opnieuw rechtdoende de klacht alsnog gegrond te verklaren. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van klager in het beroep en subsidiair tot bevestiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van klager in het beroep
3.3. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is voldoende duidelijk dat klager met zijn beroep beoogt de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en kan hij worden ontvangen in het beroep.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van klager in de klacht
3.4. Het Centraal Tuchtcollege zal vervolgens onder ogen zien of handelen zoals door de klager aan de arts wordt verweten tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de arts kán opleveren. Daarbij is met name het gegeven van belang dat de arts niet zelf zorg verleende aan patiënte, maar dat zij handelde in haar functie van directeur patiëntenzorg. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie is het Centraal Tuchtcollege thans van oordeel dat artsen in een bestuurlijke en/of leidinggevende functie voor hun handelen tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn. De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47 lid 1 van de Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die men als beroepsbeoefenaar behoort te betrachten (de eerste tuchtnorm), maar ook enig ander handelen of nalaten van een beroepsbeoefenaar in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Het is onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever geweest dat ook dit laatste handelen tot een tuchtrechtelijke veroordeling zou kunnen leiden, mits het handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg (Kamerstukken II. 1985-1986, 19 522, nr. 3, p. 74-76 en 1987-1988, 19 522, nr. 7, p. 97-98). Tegen die achtergrond is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de omschrijving van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg zoals opgenomen in artikel 1 wet BIG er niet aan in de weg behoeft te staan dat handelen van artsen in een bestuurlijke of leidinggevende functie als tuchtrechtelijk relevant handelen aan de tuchtrechter wordt voorgelegd. .
Op grond van artikel 47 van de wet BIG is voor het onderworpen zijn aan tuchtrechtspraak in de eerste plaats vereist dat de arts heeft gehandeld in de hoedanigheid van arts. Volgens de memorie van toelichting bij de wet BIG is een directeur patiëntenzorg die de titel arts voert tuchtrechtelijk aansprakelijk wanneer hij zich begeeft op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort (Kamerstukken II 19 522, nr. 3, p. 74).
Het Centraal Tuchtcollege rekent de gesprekken met klager over de zorg en behandeling van patiënte zoals door de arts met klager gevoerd en haar toezicht op de gegeven behandeling en zorg tot het deskundigheidsgebied van de arts en zodanig verweven met haar professie van arts dat zij op grond van artikel 47 lid 1 onder b van de Wet BIG op haar handelen tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. Niet in geding is in deze zaak dat de arts zich heeft begeven op het gebied van de individuele gezondheidszorg.
Het voorgaande houdt in dat klager in de klacht ontvankelijk is en dat de beslissing waarvan beroep niet in stand kan blijven.
Beoordeling van de klacht
3.5. Klager beoogt met zijn beroep de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat bij toepassing van het tuchtrecht terughoudendheid in de beoordeling moet worden betracht als sprake is van handelen van een arts in de functie, zoals in deze zaak, van directeur patiëntenzorg waarin de werkzaamheden vooral betrekking hebben op de organisatie van de zorg en de randvoorwaarden waaronder die aan een patiënt wordt verleend. Met name moet worden voorkomen dat de betrokken arts tuchtrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden voor keuzes in de bedrijfsvoering waarvoor haar in haar leidinggevende c.q. managementfunctie in beginsel beleidsvrijheid toekomt, ook al kunnen die keuzes gevolgen hebben voor de individuele zorgverlening. In dit licht bezien oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De stukken en hetgeen ter zitting door partijen over en weer naar voren is gebracht hebben het Centraal Tuchtcollege geen aanwijzingen gegeven dat de klacht over de overplaatsing van patiënte gegrond is. Dat geldt eveneens voor de overige onderdelen waarmee klager in eerste aanleg zijn klacht heeft uitgebreid.
3.6 Conclusie uit het voorgaande is dat het Centraal Tuchtcollege de klacht zal afwijzen.
4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep en
opnieuw rechtdoende:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. J.P. Balkema en
mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, leden-juristen en dr. M.M. Veering en dr. T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten en mr.C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.