ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2038 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.288
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2038 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2012 |
| Datum publicatie: | 15-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | c2011.288 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de psychiater dat hij niet bevoegd was tot het verrichten van het gevraagde onderzoek. Daarnaast heeft de psychiater de gezondheid en het arbeidsvermogen van klager beoordeeld op een wijze die niet in overeenstemming is met de professionele eisen, zo stelt klager. Het Regionaal Tuchtcollege is van oordeel dat het repport op een aantal punten niet aan de professionele maatstaven voldoet zoals deze onder meer zijn vastgelegd in de destijds geldende Richtlijn psychiatrische rapportage van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. De klacht wordt gedeeltelijk gegrond verklaard; er wordt geen maatregel opgelegd omdat de psychiater op dat moment al meer dan vijf jaren zijn beroep niet meer uitoefent. Zowel klager als de psychiater komen in hoger beroep. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het onderhavige rapport, gelet op het doel waarvoor het is uitgebracht, een voldoende heldere indeling heeft en voldoende logisch, overzichtelijk en inzichtelijk is. Voorts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de in het rapport vervatte anamnese voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan niet worden staande gehouden dat de arts bij het stellen van zijn diagnose en het aannemen van functionele beperkingen bij klager als keuringsarts is te kort geschoten. Het Centraal Tuchtcollege acht het beroep van de psychiater gegrond, vernietigt de beslissing in eerste aanleg en wijst de klacht alsnog af. Het beroep van klager wordt afgewezen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.288 en onder nummer C2011.289 van:
A., wonende te B., appellant in de zaak met nummer C2011.288, verweerder in hoger beroep in de zaak met nummer C2011.289, gemachtigde: mr. H. de Liefde,
tegen
C., rustend psychiater, wonende te D., verweerder in hoger beroep in de zaak met nummer C2011.288, appellant in de zaak met nummer C2011.289, gemachtigde: mr. A.H. Wijnberg.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna: klager - heeft op 25 juni 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen C. - hierna: de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 juli 2011, onder nummer G2010/62 heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en geen maatregel opgelegd. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De psychiater is eveneens tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De beide zaken zijn in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 maart 2012, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. H. de Liefde, en de psychiater, bijgestaan door mr. A.H. Wijnberg.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“2. Vaststaande feiten
2.1 Verweerder heeft met een rapport van 25 oktober 2004 aan een verzekeringsarts van het UWV GAK te E. de vraagstelling van deze instantie ten aanzien van klager beantwoord.
2.2 Sinds 2006 is verweerder niet meer professioneel werkzaam.
3. De klacht
3.1 Klager voert allereerst aan dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag of verweerder bevoegd was tot het verrichten van het gevraagde onderzoek. De klacht uit een aantal bezwaren tegen het rapport dat verweerder heeft uitgebracht. Deze bezwaren komen er beknopt en zakelijk weergegeven op neer dat verweerder de gezondheid en het arbeidsvermogen van klager heeft beoordeeld op een wijze die niet in overeenstemming is met de professionele eisen.
4. Het verweer
4.1 Verweerder brengt naar voren dat hij tot 13 maart 2006 in het BIG-register stond ingeschreven als psychiater en dus ten tijde van het onderzoek van klager bevoegd was dit te verrichten.
4.2 Verweerder meent dat de klacht zodanig onduidelijk is geformuleerd, dat een behoorlijk verweer niet mogelijk is. Bovendien wordt hij, zo begrijpt het College, belemmerd in zijn verweer doordat het onderzoek geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en hij niet meer de beschikking heeft over het dossier. Verweerder meent overigens dat hij het rapport heeft opgesteld met inachtneming van de eisen die daaraan uit een professioneel oogpunt ten tijde van de opstelling van het rapport werden gesteld.
5. Beoordeling van de klacht
5.1 Het College heeft vastgesteld dat verweerder ten tijde van het onderzoek bevoegd was dit te verrichten. Oorspronkelijk was hij zenuwarts. Van 10 december 1998 tot
13 maart 2006 stond hij – naast een inschrijving als neuroloog van 15 april 1999 tot
6 december 2011 - in het BIG-register ingeschreven als psychiater.
5.2 Verweerder brengt terecht naar voren dat een klacht voldoende duidelijk moet zijn geformuleerd om behoorlijk verweer mogelijk te maken. Het College volgt hem echter niet in het verweer dat het klaagschrift aan die eis voldoet; het bevat juist een overzichtelijke presentatie van bezwaren tegen het rapport. Omdat dit rapport zich bij de stukken bevindt, kon tegen deze bezwaren behoorlijk en gemotiveerd verweer worden gevoerd. Dat heeft verweerder ook gedaan, zodat niet valt in te zien dat hij in zijn procespositie is geschaad. De omstandigheid dat het rapport uit 2004 dateert, maakt dit niet anders. Ook het feit dat verweerder niet meer over het dossier zou beschikken, brengt hierin geen verandering, nog daargelaten de vraag of dit niet voor zijn rekening komt. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd naar voren gebracht dat er zich in dit dossier gegevens bevinden die nodig zijn voor zijn verweer.
De klacht (het CTG leest: klager) is ontvankelijk in zijn klacht. Deze komt dus voor inhoudelijke behandeling in aanmerking.
5.3 Het College is van oordeel dat het rapport op een aantal punten niet aan de professionele maatstaven voldoet, zoals deze onder meer zijn vastgelegd in de destijds geldende Richtlijn psychiatrische rapportage van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, zoals vastgelegd in augustus 2002.
5.4 Verweerder komt in zijn rapport tot de conclusie dat klager ten tijde van het onderzoek “een aanpassingsstoornis [had] met gemengde emotionele kenmerken en bijpassende somatoforme spanningsverschijnselen”, doch dat dit niet meer kan worden gezien als “een actief psychiatrisch ziekteproces in de zin van een stoornis”. Het College acht dit onjuist. In het DSM-IV classifcatiesysteem wordt bij een aanpassingsstoornis juist wel van een stoornis gesproken. Deze stoornis wordt volgens DSM-IV gekenmerkt door: “significante emotionele en gedragssymptomen, die binnen 3 maanden na een veroorzakende stressfactor zijn ontstaan, waarbij andere As I-stoornissen (zoals depressie) zijn uitgesloten. De symptomen zijn geen gevolg van een rouwreactie en blijven niet langer dan 6 maanden na het wegvallen van de stressor bestaan.” Een aanpassingsstoornis kan een indicatie vormen voor behandeling en - in het geval van klager ook – gerichte re-integratie.
Verweerder heeft het classificatiesysteem dus niet naar behoren gevolgd. Dat geldt ook voor zijn bevinding dat de aanpassingsstoornis “een resttoestand” zou zijn, omdat ook ontwikkelingen in de stoornis volgens het systeem moeten worden gekwalificeerd. Het College verwijst naar paragraaf 5.3 onder J van voormelde Richtlijn.
5.5 Het niet volgen van het 5-assen systeem van het DSM-IV classificatiesysteem door verweerder maakt het inzicht in de stressor, die de stoornis zou hebben veroorzaakt, en de ernst van en de mate van disfunctioneren door de stoornis onvoldoende inzichtelijk.
Een beschouwing over de vastgestelde stoornis en de factoren die tot het ontstaan daarvan hebben geleid, ontbreekt. Ook ontbreekt een analyse van de daaruit voortkomende beperkingen en belemmeringen (onder meer paragraaf 5.4.2 van de Richtlijn).
5.6 Uit de stukken blijkt dat klager in het verleden medicatie heeft gehad (onder meer seroxat) en dat de huisarts de diagnose depressie heeft gesteld. In het rapport wordt niet beschreven dat verweerder klager heeft bevraagd over symptomen van depressie en wat zijn bevindingen op dat punt zijn. Het College heeft hierbij het oog op speciële anamnese en specifiek psychiatrisch onderzoek (verwezen wordt naar paragraaf 5.3, in het bijzonder A, B en C van de Richtlijn).
5.7 Uit het rapport blijkt niet dat verweerder zijn onderzoek mede heeft gericht op het bestaan van een mogelijke familiaire belasting van klager. Daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 5.3 onder C van de Richtlijn.
5.8 Een laatste bezwaar van het College is dat in het rapport geen heldere indeling heeft. Biografische gegevens, klachten, symptomen en interpretaties lopen door elkaar. In zoverre voldoet het niet aan paragraaf 5.2.1 van de meergenoemde Richtlijn waarin voorschriften staan voor de indeling, met als uitgangspunt dat het rapport logisch en overzichtelijk moet zijn, zodat de lezer in een oogopslag kan zien welke elementen aan de orde komen.
5.9 Hetgeen verweerder tegen de klacht heeft ingebracht, kan het College niet tot een ander oordeel leiden.
5.10 Voor zover klager nog andere bezwaren tegen het rapport heeft willen inbrengen dan hiervoor besproken, acht het College deze ongegrond.
6. Slotsom
Klager is ontvankelijk in zijn klacht. Deze treft grotendeels doel. De vastgestelde gebreken in de rapportage moeten verweerder tuchtrechtelijk worden aangerekend, omdat hij geacht moet worden bekend te zijn geweest met de hierboven genoemde Richtlijn en van hem verwacht werd dat hij daarnaar zou handelen, wat hij niet - althans niet op de hierboven in 5.4 tot en met 5.8 besproken punten - heeft gedaan. Van het opleggen van een maatregel ziet het College af, omdat het dit niet zinvol acht nu verweerder zijn beroep als psychiater al meer dan vijf jaren niet meer uitoefent. Het College betrekt hierbij dat verweerder in zijn lange loopbaan niet eerder een maatregel is opgelegd.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2. Vaststaande feiten zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager kan zich niet vinden in de bestreden beslissing en stelt daartoe, zakelijk weergegeven, dat het Regionaal Tuchtcollege in strijd met de wet de psychiater bevoegd heeft geacht een psychiatrisch onderzoek te verrichten, nu deze bevoegdheid uit het BIG-register niet blijkt. Voorts heeft het Regionaal Tuchtcollege verzuimd een deel van de klachten te behandelen en tot slot heeft het Regionaal Tuchtcollege in strijd met de wet, althans onvoldoende gemotiveerd, nagelaten een maatregel op te leggen.
4.2 De psychiater heeft verweer gevoerd en daarnaast zelfstandig hoger beroep ingesteld van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. De psychiater voert daartoe aan dat het Regionaal Tuchtcollege met zijn oordeel buiten de grenzen van de tuchtrechtelijke toetsing is getreden. Voorts stelt de psychiater zich op het standpunt dat zijn rapport de aan te leggen (tuchtrechtelijke) toets kan doorstaan.
4.3 Klager heeft de stellingen van de psychiater in beroep bestreden en voorts zijn beroepsgronden aangevuld. Klager stelt dat zowel het proces-verbaal van de zitting van 17 mei 2011 als de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege de jure vervalste documenten zijn en derhalve non-existent. Voorts zijn het onderzoek en de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege niet objectief, zo stelt klager.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting van 22 maart 2012 is aan de gemachtigde van klager en aan de gemachtigde van de psychiater een afschrift verstrekt van de BIG-registratie van de psychiater, waaruit blijkt dat ten aanzien van de psychiater ten tijde van zijn beroepsuitoefening als specialisme “psychiatrie” is aangetekend. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat daarmee de bevoegdheid van de psychiater om een psychiatrisch onderzoek te verrichten bij klager genoegzaam vaststaat. Aan de klachten van klager te dien aanzien zal daarom verder voorbij worden gegaan, te meer daar klager zijn bezwaren, na ontvangst van het afschrift van de BIG-registratie, niet nader heeft onderbouwd.
4.5 Ten aanzien van het rapport dat de psychiater heeft opgesteld over klager overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Klager, die is geboren in 1949, kampt sedert 1994 met problemen van psychosomatische aard. Op 27 juli 1998 is hij laatstelijk uitgevallen voor zijn werk als exportmanager en coördinator marketing. Nadien zijn hem arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4.6 In de verzekeringsgeneeskundige rapporten van het GAK/UWV wordt gesproken van een burn out-syndroom, een depressief beeld, rugklachten en hypertensie. In verband hiermede werd op medische en arbeidskundige gronden geoordeeld dat bij klager geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid aanwezig waren.
4.7 Op 27 augustus 2004 heeft de betrokken verzekeringsarts van het UWV in verband met een periodieke herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van klager de psychiater verzocht om een psychiatrische expertise en daarbij onder meer de volgende vragen geformuleerd:
- Wat waren uw bevindingen bij anamnese cq. onderzoek.
- Welke diagnose heeft u gesteld cq. tot welke conclusie bent u gekomen?
- Acht u belanghebbende blijvend beperkt in zijn arbeidsmogelijkheden?
- Acht u belanghebbende met inachtneming van eventuele beperkingen in staat tot een normale cq. 40-urige werkweek?
4.8 De psychiater heeft klager onderzocht op 7 september 2004 en hem, overeenkomstig een bij dat onderzoek gemaakte afspraak, bij brief van 9 september 2004 toegestuurd een beschrijving van hetgeen bij het onderzoek ter sprake is gekomen, alsmede zijn voorlopige conclusie met betrekking tot de gezondheidstoestand van klager. Deze heeft gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid tot het geven van een reactie.
De psychiater heeft in het kader van zijn onderzoek inlichtingen ingewonnen bij de behandelend psycholoog van klager en bij zijn huisarts.
Op 25 oktober 2004 heeft de psychiater zijn rapport aan de verzekeringsarts van het UWV uitgebracht.
4.9 Het rapport bevat een uitvoerige beschrijving van de anamnese die de psychiater bij klager heeft afgenomen en een verslag van eigen onderzoek. Op basis hiervan heeft de psychiater, naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, voldoende gemotiveerd aangetoond dat er naar zijn mening een relatie bestond tussen de geïdentificeerde stressfactoren eerst in het gezin en later binnen het werk, de daardoor ontstane stress factoren in de sociale omgeving (onder andere gedwongen migratie , sociaal isolement) en het ontstaan van de stemmings- en angst klachten en de somatoforme spanningsverschijnselen. De psychiater heeft op grond hiervan de diagnostische beschrijving "aanpassingsstoornis met gemengde emotionele kenmerken" in zijn rapportage gebruikt. De psychiater heeft daarnaast in de anamnese en in zijn onderzoek " geen aanwijzingen gevonden dat het gekomen is tot een meer uitgesproken decompensatie met een angststoornis en een stemmingsstoornis". Tijdens het onderzoek van de psychiater was dit -naar zijn oordeel- nog steeds niet het geval. De psychiater heeft op basis van de anamnese en van het eigen onderzoek een beschrijving gegeven van de persoonlijkheidsstructuur van klager. Vervolgens heeft de psychiater, naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, voldoende gemotiveerd geconcludeerd dat de persoonlijkheid van klager niet voldoet aan DSM criteria voor een persoonlijkheidsstoornis.
4.10 In de conclusie van het rapport en bij de beantwoording van de hem voorgelegde vragen heeft de psychiater onder meer te kennen gegeven dat bij klager geen sprake meer is van ziekte of gebrek in psychiatrische zin, doch dat de persoonlijkheidsstructuur in verband met hetgeen klager heeft doorgemaakt, dusdanig is dat zijn belastbaarheid voor het verrichten van arbeid in dier voege beperkt is, dat sprake moet zijn van een duidelijke structuur van het werk, dat conflicten moeten worden vermeden en dat klager niet teveel moet worden geconfronteerd met emotionele problemen van anderen.
De psychiater heeft geen indicatie aanwezig geacht voor een beperking van de uurbelasting.
4.11 Naar aanleiding van de kritiek die het Regionaal Tuchtcollege in de rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.8 van de aangevallen uitspraak heeft geleverd op genoemd rapport, overweegt het Centraal Tuchtcollege in de eerste plaats dat volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie een rapport als het onderhavige, moet voldoen aan de volgende criteria:
- wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;
- vinden de in het rapport uiteengezette gronden aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport;
- kunnen bedoelde gronden de daaruit getrokken conclusies rechtvaardigen;
- beperkt het rapport zich tot de deskundigheid van de rapporteur;
- kon de methode van onderzoek teneinde tot de beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen tot het beoogde doel leiden, dan wel heeft de rapporteur
daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid overschreden?
4.12 Het Centraal Tuchtcollege komt, gezien de inhoud van het in geding zijnde rapport en de overige gedingstukken tot het oordeel dat het rapport de hierboven weergegeven – marginale – toetsing kan doorstaan. Geoordeeld moet worden dat het rapport, gezien de daarin neergelegde bevindingen, beschouwingen en conclusies, een adequate beantwoording bevat van de voorgelegde vragen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het rapport is geschreven in verband met een door het UWV te geven beslissing over arbeidsongeschiktheid van klager. Daarbij is, voor zover in dit verband van belang, de vraag aan de orde of als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek sprake is van beperkingen inzake het verrichten van arbeid.
4.13 Aangaande het door het Regionaal Tuchtcollege genoemde "niet naar behoren volgen van het DSM-IV classificatiesysteem" overweegt het Centraal Tuchtcollege dat, gelet op het doel van dit classificatiesysteem (het geven van heldere beschrijvingen van de diagnostische categorieën teneinde het clinici en onderzoekers mogelijk te maken diagnoses te stellen, er over te communiceren, onderzoek te doen, en de verschillende psychische stoornissen te behandelen) het niet volgen van dit systeem op zichzelf geen schending oplevert van een tuchtrechtelijke norm (vgl. Centraal Tuchtcollege d.d. 14 april 2005, nummer 2004/163).
Daarnaast heeft het volgende te gelden. Bij gebruikmaking van het DSM-classificatiesysteem moet de diagnosticus niet alleen de aanwezigheid van de vereiste symptomen vaststellen, maar ook kunnen aantonen dat het om ziekelijke symptomen gaat. Dat laatste is een klinische afweging die buiten het bestek van het gehanteerde classificatiesysteem valt en waarvoor de nodige expertise is vereist. Soms wordt in dat verband gebruik gemaakt van criteria als lijden, disproportionaliteit van het gedrag en autonomieverlies van de betrokkene, soms van een psychodynamische analyse.
Gezien het rapport oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de psychiater zijn conclusie met betrekking tot het niet-ziekelijke aspect van het door hem vastgestelde beeld voldoende heeft onderbouwd.
Met betrekking tot de Richtlijn psychiatrische rapportage van de Nederlands Vereniging voor Psychiatrie (2002), merkt het Centraal Tuchtcollege allereerst op dat, zoals ook in deze richtlijn is aangegeven, de richtlijn geen dwingend maar een richtinggevend karakter heeft. Naar de strekking van de richtlijn dient de psychiater in zijn rapport onnodige ingewikkeldheden te vermijden en te streven naar de eenvoudigste verklaring c.q. niet meer te rapporteren dan voor de beantwoording van de vraagstelling noodzakelijk is.
In die zin is de richtlijn gevolgd, bevat het rapport, zoals hiervoor onder 4.9 is overwogen, gezien de daarin neergelegde bevindingen, beschouwingen en conclusies, een adequate beantwoording van de voorgelegde vragen en was het niet noodzakelijk dat de psychiater zijn onderzoek mede richtte op het bestaan van een mogelijk familiaire belasting bij klager, zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen.
4.14 Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het onderhavige rapport, gelet op het doel waarvoor het is uitgebracht, een voldoende heldere indeling heeft en voldoende logisch, overzichtelijk en inzichtelijk is. Voorts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de in het rapport vervatte anamnese voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan niet worden staande gehouden dat de psychiater bij het stellen van zijn diagnose en het aannemen van functionele beperkingen bij klager als keuringsarts is te kort geschoten. Gezien de eigen bevindingen en de gegevens waarover hij beschikte, kon de psychiater in redelijkheid komen tot zijn hiervoor weergegeven psychodiagnostisch oordeel en was nader onderzoek naar symptomen van depressie in het verleden en mogelijke familiaire belasting (als vermeld in de rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7 van de aangevallen uitspraak) niet geboden met het oog op het stellen van een verantwoorde diagnose en het aannemen van beperkingen.
4.15 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak, voor zover deze strekt tot gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht, niet in stand kan blijven. Klager heeft aldus geen belang bij behandeling van zijn klacht dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft nagelaten een maatregel op te leggen. De klachtonderdelen a tot en met i van klager zijn in de integrale herbeoordeling van het rapport meegenomen en leiden niet tot het oordeel dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klager. De klachten die klager heeft geuit ten aanzien van de rechtsgang en/of de geldigheid van de hem verstrekte uitspraak en het proces-verbaal kunnen evenmin tot een ander oordeel leiden. In hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege de klacht van klager opnieuw beoordeeld, mede in het licht van het beroep dat zijdens de psychiater is ingesteld tegen de bestreden beslissing. De behandeling in hoger beroep zal leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de afwijzing van de klachten, op hierna te vermelden wijze. Het Centraal Tuchtcollege volgt klager niet in zijn standpunt dat de aan hem verstrekte uitspraak en het proces-verbaal in eerste aanleg aan tot nietigheid leidende gebreken lijden. De uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege komt tot stand doordat deze ter zitting in het openbaar wordt uitgesproken (artikel 69 Wet BIG). Dat onder een afschrift van de uitspraak (als bedoeld in artikel 72 Wet BIG) een andere handtekening staat dan onder het origineel doet aan de geldigheid (of existentie) van de uitspraak niet af. Overigens is niet gesteld of gebleken dat klager nadeel heeft ondervonden van de door hem gestelde gebreken aan de verstrekte afschriften. Niet ter discussie staat dat klager met de inhoud van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege heeft kunnen kennisnemen alvorens de gronden van zijn hoger beroep te formuleren. Van schending van elementaire rechtsbeginselen is, kortom, geen sprake.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voor zover deze strekt tot gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht;
en opnieuw rechtdoende:
wijst de klacht alsnog af;
verwerpt het beroep van klager;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheids-recht, PSY, het tijdschrift voor de Psychiater en De Psychiater met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter,
mr. H.C. Cusell en mr. G.P.M. van den Dungen, leden-juristen en prof.dr. P.P.G. Hodiamont en drs. A.C.L. Alertz, leden-beroepsgenoten en mr. F.C. Burgers, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.