ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2037 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.219
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2037 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2012 |
| Datum publicatie: | 15-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | c2011.219 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Klager heeft gedurende meer dan drie jaar ongeveer driewekelijks een gesprek gehad met de verpleegkundige, verweerder, in het kader van begeleiding bij het omgaan met de persoonlijkheidsstructuur en het motiveren voor intensievere behandeling. Het door klager gemaakte verwijt van onvoldoende verslaglegging is door het Regionaal Tuchtcollege gegrond bevonden en in eerste aanleg is daarvoor de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klager is in beroep gekomen van de ongegrond bevonden klachtonderdelen welke de strekking hebben dat verweerder naar het oordeel van klager tekort is geschoten in de begeleiding en behandeling van klager. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.219 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verpleegkundige, wonende te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 28 oktober 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Het klaagschrift is doorgezonden aan het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam en door dit laatst-genoemde college ontvangen op 17 februari 2010. Bij beslissing van 22 februari 2011, onder nummer 10/033Vp heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klager is van die beslissing, voor zover ongegrond verklaard, tijdig in hoger beroep gekomen. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 maart 2012, waar zijn verschenen klager, en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. Brouwer voornoemd. Klager heeft zijn standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Klager is op advies van de Sociale Dienst gezien voor een intake door een psychotherapeut van destijds de E.. Na overleg binnen de E. is aan klager sociaal psychiatrische begeleiding verleend door verweerder. Klager heeft tussen november 1999 en januari 2003 ongeveer eens per drie weken een gesprek gevoerd met verweerder. De begeleiding richtte zich op het leren omgaan met de persoonlijkheidsstructuur en het motiveren voor een intensieve(re) behandeling.
2.2 Verweerder heeft van een aantal van die gesprekken aantekeningen gemaakt op papier waarop bovenaan is voorbedrukt ‘Persoonlijke werkaantekeningen’. Van het merendeel van de gesprekken heeft verweerder geen aantekeningen gemaakt.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. onvoldoende aandacht heeft gehad voor de mishandeling en de gebitschade die daarvan het gevolg was en de omstandigheden hieromheen. Deze feiten hebben volgens klager een sleutelrol gespeeld bij zijn problemen in de periode 1999-2003. Klager meent dat hierdoor ernstige emotionele problemen zijn verwaarloosd en dat dit tot schade van zijn gezondheid heeft geleid;
2. onvoldoende aandacht heeft gehad voor lichamelijke problemen van klager in het algemeen;
3. onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de volgens klager incorrecte hulpvraag zoals bij de E. bekend en die hulpvraag onvoldoende heeft bijgesteld;
4. onvoldoende aan verslaglegging heeft gedaan, waardoor diagnostiek, adviezen, begeleiding, behandeling en doorverwijzing niet goed zijn geweest. Klager stelt dat het steeds weer moeten beantwoorden van dezelfde vragen een pijnlijke en schadelijke ervaring is geweest.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft erkend dat de verslaglegging summier is geweest. Volgens verweerder was dit destijds niet ongebruikelijk, maar zou hij het tegenwoordig anders doen. Voor het overige heeft verweerder de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig voor de beoordeling van de klacht wordt daarop hierna ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1 Omtrent de verslaglegging van de gesprekken die verweerder tussen
november 1999 en januari 2003 met klager heeft gevoerd, overweegt het college als volgt. Zoals vermeld onder de vaststaande feiten, heeft verweerder van een aantal van die gesprekken aantekeningen gemaakt op papier waarop bovenaan is voorbedrukt ‘Persoonlijke werkaantekeningen’. Het gaat hier om samenvattingen. Van het merendeel van de gesprekken heeft verweerder geen aantekeningen gemaakt. De persoonlijke werkaantekeningen zijn gevoegd in de status en kwalificeren niet (meer) als persoonlijke werkaantekeningen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij destijds ongeveer 50 cliënten op drie locaties had, met wie hij regulier gesprekken voerde, en dat hij voor de informatie die hij nodig had voor een adequate begeleiding en behandeling mede putte uit zijn geheugen. Naar het oordeel van het college was de begeleiding die verweerder bood, tevens te kwalificeren als behandeling, nu het doel daarvan was klager te leren omgaan met zijn persoonlijkheidsstructuur en hem te motiveren voor intensieve(re) behandeling. Verweerder heeft naar het oordeel van het college door de zeer summiere verslaglegging in strijd met artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek onvoldoende invulling gegeven aan de verplichting om een dossier in te richten met betrekking tot de behandeling van klager en aantekening te houden van de gegevens omtrent de gezondheid van klager. Dit klachtonderdeel is gegrond.
5.2 Voor het overige heeft klager de klachtonderdelen naar het oordeel van het college na betwisting door verweerder onvoldoende toegespitst op concreet handelen of nalaten van verweerder. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder klager heeft geadviseerd de huisarts te bezoeken in verband met lichamelijke klachten en de tandarts te vragen om verwijzing naar een tandarts met ervaring in de behandeling van angstige patiënten. Klager heeft toegelicht dat hij de periode van november 1999 tot en met januari 2003, waarin hij bij verweerder kwam, als een moeilijke periode in zijn leven heeft ervaren. Het college heeft er kennis van genomen dat klager hulp heeft gezocht op advies van de Sociale Dienst hulp en dat klager in de periode waarin hij met verweerder sprak, nog niet toe was aan andere vormen van behandeling. In verband hiermee is in overleg met klager aan de begeleiding en behandeling door verweerder een beperkte invulling gegeven en is verdere diagnostiek uitgesteld. In het licht van een en ander heeft klager onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit is af te leiden dat de begeleiding en behandeling door verweerder te kort is geschoten. Aldus zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen tot gegrondheid van de overige klachtonderdelen.
5.3 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel, die het karakter heeft van een zakelijke terechtwijzing, is daarvoor passend.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager is in beroep gekomen tegen de ongegrond verklaring van de klachtonderdelen 1 tot en met 3. Klager beoogt zijn klacht, voor zover die betrekking heeft op de hiervoor genoemde klachtonderdelen, in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Het beroep strekt ertoe dat deze klachtonderdelen gegrond worden verklaard.
4.2 De verpleegkundige heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot
verwerping van het beroep.
4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. R. Veldhuisen en
mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en P. van der Zee en drs. D.A. Polhuis, leden- beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.