ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2034 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.127
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2034 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2012 |
| Datum publicatie: | 15-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | c2011.127 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De klacht betreft de overleden echtgenote van klager, patiënte. Patiënte verbleef op de afdeling interne geneeskundige van het ziekenhuis waar de verpleegkundige, verweerder, werkzaam is. Voor overplaatsing naar de afdeling neurologie heeft verweerder bij patiënte een katheter geplaatst, waarbij zij volgens klager inwendig verwond is geraakt. Klager verwijt verweerder - kort gezegd - de katheter niet deskundig geplaatst te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af en het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.127 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 16 juli 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen C. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 7 december 2010, onder nummer 2009 T 143c heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2011.072 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 maart 2012, waar zijn verschenen klager en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. Leemans voornoemd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op 29 oktober 2007 werd de echtgenote van klager, E. (geboren 7 maart 1924) - hierna te noemen: patiënte -, opgenomen in het F. op de afdeling interne geneeskunde.
Op 1 november 2007 heeft de verpleegkundige bij patiënte een blaascatheter ingebracht. Nog diezelfde dag is patiënte overgeplaatst naar de afdeling neurologie.
Op 8 november 2007 is de echtgenote van klager uit het ziekenhuis ontslagen. Op
9 november 2007 is zij thuis overleden.
3. De klacht
Klager vernam telefonisch dat zijn echtgenote was overgeplaatst naar een andere afdeling. Hij trof haar daar aanvankelijk bewusteloos in bed aan en vernam dat een catheter was geplaatst. Later vernam klager van zijn echtgenote dat mannen haar hardhandig hadden behandeld. Ze vond dat haar lichaam verscheurd was en had veel pijn. De dagen daaropvolgend klaagde de echtgenote van klager over vreselijke buikpijnen en werd in haar urine bloed aangetroffen.
Sinds haar thuiskomst op 8 november klaagde de echtgenote nog steeds over buikpijn en over kloppen in haar buik.
Door de plaatsing van de catheter is de echtgenote van klager inwendig verwond. Er is geen gebruik gemaakt van plaatselijke verdoving, waardoor de echtgenote van klager onnodig pijn heeft geleden. Er is voorts niets aan haar verwonding gedaan, waardoor de echtgenote is overleden.
Klager beklaagt zich er voorts over dat de privacy van zijn echtgenote herhaaldelijk is geschonden tijdens haar verblijf in het ziekenhuis en dat zij onrespectvol werd behandeld.
4. Het standpunt van de verpleegkundige
De verpleegkundige geeft aan sinds 1989 werkzaam te zijn als A-verpleegkundige.
Op 1 november 2007 rees bij de verpleegkundige het vermoeden dat patiënte een retentieblaas zou hebben. De zaalarts gaf akkoord met het voorstel een catheter in te brengen. De verpleegkundige heeft getracht aan patiënte uit te leggen wat het probleem was en dat patiënte daarvoor een verblijfscatheter zou krijgen. De verpleegkundige constateerde dat patiënte rustig en coöperatief was. De verpleegkundige heeft voorts uitgelegd wat er ging gebeuren en heeft vervolgens de catheter met enige medewerking van patiënte ingebracht. Dit verliep zonder problemen. Van een ‘verwoesting’ van het lichaam van patiënte was geen sprake. De verpleegkundige geeft aan dat bij het catheteriseren van vrouwen het gebruikelijk is om alleen de catheter met Instillagel te bevochtigen. Na het inbrengen liep vlot 500 ml heldere urine af. Enige tijd later liep er nog ruim 200 ml af.
Ten tijde van het catheteriseren lag patiënte op haar eigen kamer, tezamen met drie andere patiënten, afgescheiden door een bedgordijn, waarbij de deur naar de gang altijd open staat. De verpleegkundige merkt op dat een patiëntenkamer niet de geschikte plek zou zijn om bij een patiënt pijnlijke dingen tegen haar zin in te doen.
In onderling overleg tussen de zaalarts en de neuroloog is besloten dat patiënte nog op dezelfde dag kon worden overgeplaatst naar de afdeling neurologie. De verpleegkundige heeft klager gebeld om de overplaatsing van zijn echtgenote mede te delen, waarbij de verpleegkundige heeft aangegeven dat patiënte op de afdeling interne geneeskunde nog een blaascatheter had gekregen in verband met een retentieblaas. De verpleegkundige heeft klager getracht uit te leggen dat het niet gebruikelijk is dat een echtgenoot betrokken wordt bij beslissingen zoals het overplaatsen naar een andere afdeling of het plaatsen van een catheter op medische indicatie. De verpleegkundige merkt op dat zijn uitleg hierover, achteraf geconstateerd, niet overgekomen is.
Dat er de volgende dag sprake was van een haematurie kan de verpleegkundige niet verklaren. De verpleegkundige vernam dat overigens pas via de ingediende klacht. De verpleegkundige heeft namelijk geen zicht gehad op het verdere beloop op de afdeling neurologie.
5. De beoordeling
Klager heeft in zijn klaagschrift meerdere verwijten geuit ten aanzien van de bejegening van zijn echtgenote (hierna te noemen: patiënte) tijdens haar verblijf in het ziekenhuis alsmede met betrekking tot haar privacy. Er zijn geen aanwijzingen dat de aangeklaagde verpleegkundige in deze zaak daar iets direct mee te maken heeft gehad. Die klachtonderdelen dienen derhalve te worden afgewezen.
Wel staat vast dat de verpleegkundige op 1 november 2007 een blaascatheter heeft ingebracht bij patiënte. De vraag die thans aan de orde is, is of de verpleegkundige deze catheter deskundig heeft geplaatst.
Het plaatsen van een catheter gebeurt, zoals ook in dit geval, altijd in opdracht van een arts door een verpleegkundige. Niet gebleken is dat de aangeklaagde verpleegkundige daartoe niet bevoegd of bekwaam was. Verder staat vast dat de catheter nuttig is gebleken, omdat er daarna een grote hoeveelheid urine is afgevloeid. De ingreep door de verpleegkundige heeft op de zaal plaatsgevonden. De catheter is ingebracht met een gel die een verdovend middel bevatte. Het College is het met de verpleegkundige eens dat daarnaast nog een plaatselijke verdoving bij het inbrengen van een catheter bij een vrouw niet gebruikelijk is en over het algemeen niet nodig wordt bevonden. Dat neemt niet weg dat het inbrengen van een catheter voor een patiënte een vervelende ervaring kan zijn. Dat patiënte tijdens de ingreep gegild zou hebben en dat haar lichaam verscheurd is, zoals door klager van horen zeggen is aangegeven, is niet komen vast te staan. Uit de overgelegde stukken is naar voren gekomen dat patiënte een delirant beeld vertoonde. Bij een dergelijke delirante toestand is het goed mogelijk dat patiënte dusdanig in de war was en wellicht ook angstig, dat zij de catheter als uiterst vervelend heeft ervaren. De omstandigheid dat later bloed bij de urine is aangetroffen is in dit geval onvoldoende om de conclusie te dragen dat de verpleegkundige dus een fout heeft gemaakt bij het inbrengen van de catheter.
Nog dezelfde dag is patiënte overgeplaatst naar de afdeling neurologie, waarna de zorg niet meer viel onder de verantwoordelijkheid van de aangeklaagde verpleegkundige.
Gelet op het bovenstaande komt het College tot de conclusie dat de klacht in raadkamer zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De verpleegkundige heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot
verwerping van het beroep.
4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
In dergelijke gevallen waarin de lezingen van partijen omtrent een (onderdeel van de) klacht uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van de verpleegkundige, maar dat het voor het oordeel dat bepaalde gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, noodzakelijk is dat in de tuchtrechtelijke procedure voldoende komt vast te staan dat die gedragingen zich hebben voorgedaan.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. R. Veldhuisen en
mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en P. van der Zee en drs. D.A. Polhuis, leden- beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.