ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2033 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.072

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2033
Datum uitspraak: 15-05-2012
Datum publicatie: 15-05-2012
Zaaknummer(s): c2011.072
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De klacht betreft de overleden echtgenote van klager, patiënte. Patiënte verbleef op de afdeling interne geneeskundige van het ziekenhuis waar de MDL-arts, verweerder, werkzaam is. Voor overplaatsing naar de afdeling neurologie is bij patiënte een katheter geplaatst, waarbij zij volgens klager inwendig verwond is geraakt. Klager wil weten of degene die de katheter plaatste daartoe bevoegd en bekwaam was. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af en het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2011.072 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., MDL-arts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 16 juli 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 september 2010, onder nummer 2009 T 43b heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2011.127 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 maart 2012, waar zijn verschenen klager en de arts, bijgestaan door mr. Leemans voornoemd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Wijlen echtgenote van klager, geboren op 7 maart 1924, (hierna ook: patiënte) verbleef van 29 oktober tot en met 1 november 2007 op de afdeling Interne Geneeskunde van het ziekenhuis. In de loop van 1 november 2007 werd zij overgeplaatst naar de afdeling Neurologie.

Op de dag van de opname, 29 oktober 2007, werden een X-thorax, ECG en een CT-hersenen verricht op basis waarvan een CVA werd gediagnosticeerd.

Alvorens de overplaatsing naar de afdeling Neurologie plaatsvond, is opdracht gegeven tot plaatsing van een blaaskatheter.

3. De klacht

Klager heeft op 1 november 2009, nadat hij te horen had gekregen dat patiënte was overgeplaatst naar een andere afdeling, vernomen dat er een blaaskatheter was ingebracht. Klager verwijt de arts opdracht te hebben gegeven tot het plaatsen van de katheter - hierdoor is patiënte volgens klager inwendig verwond geraakt - en wenst te vernemen of degene die de katheter heeft geplaatst bevoegd en bekwaam was om de handeling te verrichten.

4. Het standpunt van de arts

De arts heeft meegedeeld dat de indicatiestelling en opdracht tot het plaatsen van een blaaskatheter is gegeven door de zaalarts, een arts-assistent in opleiding voor wie hij de superviserend medisch specialist was. Deze zaalarts was volledig bevoegd om de opdracht zelfstandig te verstrekken aan een verpleegkundige. Reden van plaatsing van de katheter was dat patiënte zelf onvoldoende haar blaas kon ledigen. Gezien het feit dat na inbrengen van de katheter 700 ml urine afvloeide, was de indicatie volgens de arts juist.

De arts heeft voorts meegedeeld dat de blaaskatheter is geplaatst door een ervaren, bevoegde en bekwame verpleegkundige.

5. De beoordeling

De arts heeft in zijn verweer naar voren gebracht dat een blaaskatheter was geplaatst omdat patiënte zelf onvoldoende haar blaas kon ledigen en dat na plaatsing 700 ml urine was afgevloeid. Uit het verweer van de arts komt naar voren dat de blaaskatheter is ingebracht door een ervaren, bevoegde en bekwame verpleegkundige. Het College ziet geen reden om deze gegevens in twijfel te trekken. Het College is op grond van deze gegevens van oordeel dat de beslissing tot plaatsing van de blaaskatheter een medisch juiste is geweest en stelt vast dat de arts terzake van de daadwerkelijke plaatsing van de katheter geen betrokkenheid heeft gehad en reeds daarom geen verwijt treft.

Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de arts is het College dan ook niet gebleken. Gezien het vorenstaande komt het College tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.

4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. R. Veldhuisen en

mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en dr. T.J.M. Tobé en dr. R. Heijligenberg, leden- beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.