ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2032 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.052
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2032 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2012 |
| Datum publicatie: | 15-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | c2011.052 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. Klager verwijt de psychiater dat zij conclusies heeft getrokken na een gesprek met klager van ongeveer twee uren waarbij die conclusies haaks staan op de conclusies van eerdere behandelaars en de huidige behandelend psychiater; dat zij deze afwijkende conclusies niet, althans niet deugdelijke motiveert; dat zij geen contact heeft opgenomen met de huidige behandelaar van klager hoewel dit wel geïndiceerd was en dat zij in het rapport een onjuiste aanhef heeft gebruikt. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.052 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr.drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te
Den Haag ,
tegen
C., psychiater, wonende te D., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, verbonden aan de Stichting VvAA rechtsbijstand te Utrecht .
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft bij brief van 26 november 2009, ingekomen bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag op 30 november 2009 en na verwijzing ingekomen bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam op 3 februari 2010, tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 september 2010, onder nummer 10/020 heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2011.021 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 maart 2011, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door mr. A.W. Hielkema.
Klager en diens gemachtigde zijn niet verschenen. Mr. A.W. Hielkema heeft de standpunten van de psychiater toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het Centraal Tuchtcollege is overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten.
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerster heeft klager onderzocht op verzoek van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Bureau Medische advisering (BMA) te E. in het kader van een procedure ten aanzien van het verlenen van een vergunning tot verblijf voor medische behandeling in Nederland. Zij heeft haar rapportage op
12 februari 2009 uitgebracht aan de arts F. verbonden aan het BMA van de IND.
In de aanhef van het rapport heeft zij geschreven:
“Het betrof onderzoek en vraagstelling in het kader van beoordeling van arbeids(on)geschiktheid.”
3. Het standpunt van klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
1. conclusies heeft getrokken na een gesprek met klager van ongeveer twee uren waarbij die conclusies haaks staan op de conclusies van eerdere behandelaars en de huidige behandelend psychiater; dat zij deze afwijkende conclusies niet, althans niet deugdelijke motiveert. Voorts dat zij geen contact heeft opgenomen met de huidige behandelaar van klager hoewel dit wel geïndiceerd was;
2. in het rapport een onjuiste aanhef heeft gebruikt.
4. Het standpunt van verweerster.
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college.
Ad 1:
Naar vaste jurisprudentie moet een rapportage als door verweerster uitgebracht voldoen aan de volgende criteria:
1. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
2. de gronden vinden aantoonbaar steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeld in het rapport;
3. die gronden kunnen de daaruit getrokken conclusies rechtvaardigen;
4. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheidsgebied;
5. de methode van onderzoek teneinde tot de beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen kon tot het beoogde doel leiden, dan wel de rapporteur heeft daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.
Het tuchtcollege toetst daarbij ten volle of het onderzoek uit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.
Het rapport van verweerster voldoet aan bovengenoemde criteria.
Verweerster heeft zorgvuldig zelfstandig onderzoek gedaan naar de psychiatrische voorgeschiedenis van klager en heeft klager adequaat onderzocht. Dat zij in haar conclusies is afgeweken van eerdere behandelaars stond haar vrij. Temeer daar deze in hun oordeel inconsistent waren en ook omdat hun oordeel niet meer van recente datum was. Daarnaast heeft zij voldoende en overtuigend gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de conclusies van eerdere behandelaars en waarom zij geen contact heeft opgenomen met de huidige behandelaar. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Ad 2:
Verweerster heeft erkend dat zij in de aanhef van haar rapportage ten onrechte heeft vermeld dat het onderzoek en de vraagstelling plaatsvond in het kader van een arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling. Deze slordigheid is echter niet van voldoende gewicht om tot gegrondheid van dit klachtonderdeel te leiden.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.
Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. P.J. Wurzer en
mr. M. Wigleven, leden-juristen en mr.drs. J.A.W. Dekker en drs. M. Drost, leden- beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.