ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2028 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2010.289

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2028
Datum uitspraak: 15-05-2012
Datum publicatie: 15-05-2012
Zaaknummer(s): c2010.289
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater. De klachten hebben deels betrekking op het onderzoek zoals dit door de psychiater is verricht en de daaruit voorvloeiende rapportage van 14 augustus 2008. Overigens zien de klachten op het feit dat de rapportage en het afzien van inzage- en correctierecht niet met klager zou zijn besproken. De psychiater heeft weliswaar niet alle medische informatie van de behandelend sector en de rapporten van verzekeringsartsen waarover het UWV beschikte bij het UWV opgevraagd, maar de psychiater heeft terecht mogen oordelen dat hier geen noodzaak toe bestond gezien de uitgebreide vraagstelling van het UWV. Gezien de zwaarwegende belangen van klager bij een sociale zekerheidsuitkering in verband met de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid, behoorde het tot de taak van de psychiater als rapporteur om klager volledig in te lichten omtrent de voor hem van belang zijnde aspecten van het medisch onderzoek. De informatieverschaffing door een rapporteur dient in een geval als het onderhavige onder meer in te houden dat de rapporteur de onderzochte duidelijk maakt wat het doel is van het onderzoek, welke consequenties er zijn verbonden aan mogelijke uitkomsten van het onderzoek, op welke wijze het onderzoek verloopt en welke interventiemogelijkheden de onderzochte heeft met betrekking tot hetgeen op basis van het onderzoek wordt gerapporteerd. Nu de psychiater in zijn rapport van 14 augustus 2008 heeft vastgelegd – onder het kopje “anamnese” – dat hij klager uitleg heeft gegeven over de procedure van het onderzoek en dat hij klager heeft gewezen op zijn rechten als onderzochte, ziet het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om te veronderstellen dat de psychiater niet heeft voldaan aan zijn hiervoor onder rechtsoverweging 4.5. omschreven verplichtingen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2010/289 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. D.J. Ladrak, advocaat te Leiden,

tegen

C., psychiater, wonende te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht .

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft bij brief van 30 juli 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 augustus 2010, onder nummer 2009 T 149 a heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Van de zijde van klager is een expertiserapport de dato 10 juni 2011 overgelegd, opgesteld door E., psychiater.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 maart 2012, waar zijn verschenen mr. D.J. Ladrak als gemachtigde van klager en de psychiater, bijgestaan door mr. E.J.C. de Jong. Klager is niet verschenen.

Mr. D.J. Ladrak heeft de standpunten van klager toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het Centraal Tuchtcollege is overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Naar aanleiding van een verzoek van het UWV van 10 juli 2008 tot het uitvoeren van een expertise in het kader van een arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling heeft de psychiater klager op 23 juli 2008 gezien. Tijdens dit onderzoek heeft klager een namens de psychiater opgesteld formulier ondertekend, waarin werd vermeld dat klager wenste af te zien van inzage- en eventuele correctie van het nog op te stellen conceptverslag. Vervolgens heeft de psychiater met een door klager op 24 juli 2008 ondertekende machtiging informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater van klager. De behandelend psychiater berichtte bij brief van 10 augustus 2008 onder meer dat klager door hem was gediagnosticeerd met een depressieve stoornis althans “DSM: depressieve stoornis, eenmalig, licht”, met daarbij lichamelijke verschijnselen, waarvoor klager antidepressiva en cognitieve therapie werd voorgeschreven.

De psychiater heeft vervolgens op 14 augustus 2008 zijn bevindingen in een rapportage aan het UWV bericht. In dit rapport heeft de psychiater op basis van de DSM-IV-TR-classificatie als diagnose weergegeven:

AS I: 300.21 Paniekstoornis met agorafobie.

AS II: V 71.09 Geen diagnose, ontwijkende trekken.

AS III: Hoofdpijn.

AS IV: Emigratie naar Nederland in 1991.

AS V: Gaf score 65.

3. De klacht

In de kern behelst de klacht het volgende:

De psychiater had naar aanleiding van de vraagbrief van het UWV de medische informatie van de behandelend sector en rapporten van verzekeringsartsen waarover het UWV beschikte moeten opvragen. De psychiater heeft zich ten onrechte competent geacht om zonder deze gegevens de vragen van het UWV te beantwoorden.

De inhoud van het rapport en het afzien van inzage- en correctie van het concept-rapport is niet met klager besproken.

Klager is het niet eens met meerdere in het rapport vermelde feiten en conclusies. De psychiater had de diagnose ‘paniekaanvallen met angorafobie’ eerst met de behandelend psychiater moeten bespreken althans moeten onderbouwen waarom hij tot een afwijkende diagnose was gekomen. De psychiater heeft nagelaten om de brief van de behandelend psychiater integraal aan het rapport te hechten, waardoor toetsing van de in het rapport weergegeven samenvatting daarvan niet mogelijk is.

Ten onrechte heeft de psychiater zichzelf competent geacht om een belastbaarheids-profiel volgens de FML-methode op te stellen, in plaats van klagers beperkingen te omschrijven en zich te beperken tot een weergave in semi-kwantitatieve vorm. Daarnaast ontbreekt de redenering voor de in het rapport weergegeven conclusie dat het hebben van een uitkering, uiteindelijk het voortduren van klagers situatie mogelijk maakt. Hiervoor waren geen aanwijzingen.

4. Het standpunt van de psychiater

De psychiater heeft uitvoerig toegelicht dat hij meent bij het opstellen van zijn rapport de vereiste zorgvuldigheid in acht te hebben genomen en dat het rapport voldoet aan de eisen die daaraan tuchtrechtelijk gesteld worden.

De aanvraag van het UWV was zeer uitgebreid en bevatte ook informatie van de behandelende sector. Er was geen sprake van dat er informatie miste om het rapport te kunnen opstellen. De psychiater heeft telefonisch contact opgenomen met de behandelend psychiater om de diagnose, prognose en behandeling te bespreken. De behandelend psychiater wilde alleen schriftelijk reageren. In het rapport heeft de psychiater vermeld dat voor de diagnose depressieve stoornis onvoldoende aanwijzingen waren en waarom de diagnose paniekstoornis met agorafobie werd gesteld. Er was geen noodzaak of toegevoegde waarde om de brief van de behandelend psychiater aan te hechten.

De psychiater heeft de inhoud van het rapport met klager besproken. Klager heeft uit vrije wil afgezien van het inzage- en correctierecht.

5. De beoordeling

5.1 De beoordeling van de vraag of een rapportage door een psychiater voldoet aan de (tuchtrechtelijk te toetsen) maatstaven, geschiedt volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie aan de hand van vier criteria:

a) het advies zet op inzichtelijke en consistente wijze uiteen op welke gronden de conclusie van het advies steunt;

b) de in het advies uiteengezette gronden vinden aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het advies;

c) de gronden kunnen de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen;

d) de rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.

Anders gezegd is de vraag: voldoet het advies aan de vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid te stellen eisen? (vgl. CTG 13 december 2005 in de zaak onder nummer 2004/256)

Ten overvloede meldt het College dat omstandigheden en klachten na de peildatum van een advies of de gevolgen die verbonden (zouden) zijn aan een advies, niet worden meegewogen. Het gaat er om dat het advies zorgvuldig is opgesteld in vorenbedoelde zin volgens de vastgestelde criteria.

5.2 De psychiater heeft, als medisch deskundige, klager zelf onderzocht. Uit de anamnese kwam naar voren dat klager last had van paniekaanvallen en flauwvallen. De psychiater is op goede gronden tot zijn diagnose kunnen komen en is binnen zijn eigen specialisme gebleven. Als psychiater heeft hij geconstateerd althans op basis van zijn bevindingen geoordeeld dat er sprake was van een paniekstoornis met agorafobie.

5.3 De psychiater heeft ten behoeve van zijn rapportage nog contact op genomen met de behandelend psychiater. Dit beoordeelt het College als voldoende zorgvuldig. Op basis van de aanvraag van het UWV bestond geen noodzaak tot het opvragen van nadere medische informatie. Dat de psychiater op basis van zijn bevindingen heeft besloten tot een andere diagnose en gewenste medicatie dan de behandelend psychiater acht het College gelet op de bevindingen van de psychiater begrijpelijk. Zijn diagnose heeft de psychiater in zijn rapport behoorlijk gemotiveerd weergegeven, waarbij hij ook de diagnose van de behandelend psychiater voldoende volledig heeft vermeld. Het was niet noodzakelijk om hierbij tevens de brief van de behandelend psychiater aan te hechten.

5.4 In de stukken en ter zitting heeft klager bevestigd dat de psychiater zijn diagnose met klager heeft besproken en toegelicht. De psychiater heeft verteld dat dit uitvoerig is gebeurd met een toelichting op het formulier waarop klager kon aangeven of hij het rapport in concept nog wenste in te zien om dit zo nodig te kunnen corrigeren. Klager heeft gesteld dat hierover onvoldoende met hem is gesproken. Aangezien partijen elkaar tegenspreken, kan het College niet vaststellen dat de psychiater op dit punt tekort is geschoten. Nu klager voorts ervoor heeft getekend dat hij wenste af te zien van inzage en eventuele correctie van het concept-verslag, valt onder deze omstandigheden de psychiater op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Het College merkt wél op dat het genoemde gang van zaken weinig gelukkig vindt. In de eerste plaats valt niet is uit te sluiten dat klager niet goed heeft begrepen waarvoor hij tekende, zeker niet omdat op de dag van het onderzoek zelf – op een moment dat het schriftelijk rapport nog niet gereed was – deze afstandverklaring aan klager ter tekening werd voorgelegd. Daarnaast is het formulier weinig helder en kan dit tot misverstanden leiden. In de regel heeft het de voorkeur om een rapport eerst in concept toe te zenden en pas dan de vraag voor te leggen of de wens bestaat om eventuele correcties door te geven danwel hiervan af te zien.

5.5 Aangezien de psychiater geen Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft ingevuld, acht het College het verwijt in dit verband niet gegrond. De psychiater heeft in dit verband uitsluitend naar de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren verwezen bij beantwoording van de vraag van het UWV of klager op het vakgebied van de psychiater beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek had.

5.6 Alles overzien concludeert het College dat het rapport voldoet aan de vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid daaraan te stellen eisen en dat niet is gebleken dat de psychiater in dit verband een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 Klager beoogt met zijn grieven de zaak in volle omvang ter beoordeling voor te leggen aan het Centraal Tuchtcollege en concludeert in zijn beroepschrift tot gegrond-verklaring van zijn klachten. De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.2 De klachten van klager, zoals in hoger beroep naar voren gebracht, vallen in twee groepen uiteen. Deels hebben zij betrekking op het onderzoek zoals dit door de psychiater is verricht en de daaruit voorvloeiende rapportage van 14 augustus 2008. Overigens zien de klachten op het feit dat de rapportage en het afzien van inzage- en correctierecht niet met klager zou zijn besproken.

4.3 Ten aanzien van de klachten die betrekking hebben op het onderzoek en de uitgebrachte rapportage heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. In deze beoordeling heeft het Centraal Tuchtcollege laten meewegen dat de psychiater weliswaar niet alle medische informatie van de behandelend sector en de rapporten van verzekeringsartsen waarover het UWV beschikte bij het UWV heeft opgevraagd, maar dat psychiater terecht heeft mogen oordelen dat hier geen noodzaak toe bestond, omdat de vraagstelling van het UWV van een uitgebreide toelichting was voorzien. Op basis van de daarin vermelde informatie en het eigen onderzoek van klager kon de psychiater tot zijn oordeel komen.

4.4 Ten aanzien van de klachten die betrekking hebben op de vraag of de psychiater zijn rapportage naar behoren met klager heeft besproken en of de psychiater klager voldoende heeft geïnformeerd over het aan hem toekomende inzage- en correctierecht overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende. Gezien de zwaarwegende belangen van klager bij een sociale zekerheidsuitkering in verband met de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid, behoorde het tot de taak van een psychiater als rapporteur om klager volledig in te lichten omtrent de voor hem van belang zijnde aspecten van het medisch onderzoek. De informatieverschaffing door een rapporteur dient in een geval als het onderhavige onder meer in te houden dat de rapporteur de onderzochte duidelijk maakt wat het doel is van het onderzoek, welke consequenties er zijn verbonden aan mogelijke uitkomsten van het onderzoek, op welke wijze het onderzoek verloopt en welke interventiemogelijkheden de onderzochte heeft met betrekking tot hetgeen op basis van het onderzoek wordt gerapporteerd.

4.5 Met betrekking tot genoemde interventiemogelijkheden merkt het Centraal Tuchtcollege op, dat uit artikel 74 lid 4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen volgt, dat het zogenoemde blokkeringsrecht hiertoe niet behoort. Bij genoemde interventiemogelijkheden dient wel te worden gedacht aan het ter inzage geven van het rapport aan de onderzochte, voordat het aan de opdrachtgever – in casu het UWV – wordt toegezonden. Daarbij dient de onderzochte in de gelegenheid worden gesteld commentaar op het rapport te leveren. Voorts dient de rapporteur te verifiëren of de door hem/haar, voorafgaande aan het onderzoek te verstrekken inlichtingen door de onderzochte zijn begrepen. Het verdient hierbij de voorkeur om het geven van informatie en de verificatie schriftelijk vast te leggen in het uit te brengen rapport.

4.6 Nu de psychiater in zijn rapport van 14 augustus 2008 heeft vastgelegd – onder het kopje “anamnese” – dat hij klager uitleg heeft gegeven over de procedure van het onderzoek en dat hij klager heeft gewezen op zijn rechten als onderzochte, ziet het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om te veronderstellen dat de psychiater niet heeft voldaan aan zijn hiervoor onder rechtsoverweging 4.5. omschreven verplichtingen. Klager heeft de vraag of hij het rapport wilde inzien met “nee” beantwoord, hetgeen ook blijkt uit de door klager getekende afstandverklaring en de weergave hiervan in de slotalinea van de rapportage. Hoewel kanttekeningen zijn te plaatsen bij de wijze waarop klager afstand heeft gedaan van het aan hem toekomende inzagerecht – zo is het door klager getekende formulier weinig helder en voor misverstanden vatbaar - moet het ervoor worden gehouden dat de psychiater klager op dit recht heeft gewezen. Het Centraal Tuchtcollege is daarom van oordeel dat de psychiater op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt is te maken.

4.7. Nu de verschillende klachtonderdelen niet leiden tot een andere uitkomst dan die van het Regionaal Tuchtcollege, is de slotsom dat het beroep niet slaagt zodat het dient te worden verworpen.

4.8. Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal de beslissing op na te melden wijze bekend worden gemaakt.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheids-recht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. H.C. Cusell en

mr. G.P.M. van den Dungen, leden-juristen en mr.drs. J.A.W. Dekker en drs. A.C.L. Allertz, leden-beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2012. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.