We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1997 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2010.232

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1997
Datum uitspraak: 08-05-2012
Datum publicatie: 08-05-2012
Zaaknummer(s): c2010.232
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen tandarts. Het hele gezin is onder behandeling van verweerder, tandarts, geweest. Klaagsters verwijten de tandarts dat hij zich ten onrechte voor orthodontist heeft uitgegeven en klaagsters niet heeft doorverwezen naar een orthodontist. Voorts verwijten zij de tandarts dat zijn behandeling niet voldoende professioneel was en dat hij zich niet professioneel heeft gedragen waardoor klaagsters het vertrouwen in de medische stand hebben verloren. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht deels gegrond en legt de maatregel van schorsing voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing voor wat betreft de opgelegde maatregel en legt de tandarts de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren op en verwerpt het beroep van verweerder.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2010.232 van:

A., tandarts, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,gemachtigde: mr. D. Joeloemsingh, advocaat te Groningen,

tegen

C., D., E., wonende te B., verweersters in beroep, klaagsters in eerste aanleg, gemachtigde: mr P.B. Bodamèr, advocaat te Zwolle.

1.                              Verloop van de procedure

Op 15 september 2011 heeft het Centraal Tuchtcollege in dit geding een tussenbeslissing genomen.

Voor het verloop van het geding tot aan die beslissing wordt naar die beslissing verwezen. Vervolgens is de behandeling van de zaak voortgezet op 26 januari 2012 en aangehouden tot 28 februari 2012.

Op 28 februari 2012 zijn verschenen (twee van de drie) klaagsters, bijgestaan door

mr. E. Boersma, kantoorgenote van gemachtigde van klaagsters, en de tandarts, bijgestaan door mr. Joeloemsingh voornoemd. Voorafgaand aan de zitting heeft de tandarts het Centraal Tuchtcollege bij brief van 10 februari 2012, door het Centraal Tuchtcollege ontvangen op 13 februari 2012, een motivering van het verzoek om een deskundigen onderzoek doen toekomen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beoordeling van het hoger beroep

2.1       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van het schriftelijk verzoek van de tandarts tot het houden van een deskundigenonderzoek. Het Centraal Tuchtcollege acht zich op grond van hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken voldoende voorgelicht en acht een deskundigenonderzoek derhalve niet opportuun.

2.2              Bij beslissing van 15 september 2011 is de tandarts toegelaten tot bewijs , door alle middelen rechtens, van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het F. de patiëntgegevens, waaronder de behandelkaarten van klaagsters, heeft vernietigd. De tandarts heeft geen bewijs voor die stelling bijgebracht.

2.3              Na hetgeen het Centraal Tuchtcollege in zijn tussenbeslissing van

15 september 2011 heeft  overwogen ligt thans nog de vraag voor of klachtonderdeel 3 in eerste aanleg, dat de behandeling door de tandarts op een aantal punten niet professioneel was, terecht door het Regionaal Tuchtcollege gegrond is verklaard. Klaagsters verwijten de tandarts dat de behandeling niet goed was. De tandarts heeft hiertegen in gebracht dat de behandeling van klaagsters nog niet voltooid was.

2.4       Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de tandarts er niet in is geslaagd de stelling dat de behandeling van klaagsters niet voltooid was met enig bewijs in de vorm van een behandelkaart of een patiëntendossier te onderbouwen, terwijl hij er ook niet in is geslaagd bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het F. de patiëntgegevens, waaronder de behandelkaarten van klaagsters, heeft vernietigd. Dat laatste acht het Centraal Tuchtcollege ook niet aannemelijk. Uit de mailwisseling tussen G. van het F. en de vorige gemachtigde van de tandarts, mr. F. Beenhakker, van 11, 12 en 13 januari 2012 leidt het Centraal Tuchtcollege af dat door het F. alleen de door de tandarts aangeleverde gipsmodellen zijn vernietigd en dat het overige door de tandarts aangeleverde materiaal door het F. op 1 juni 2011 aan de (toenmalig gemachtigde van de) tandarts ter hand is gesteld.

Een en ander leidt ertoe dat het er voor moet worden gehouden dat er door de tandarts geen behandelkaarten en patiëntendossiers van klaagsters zijn aangelegd en bijgehouden en dat de tandarts derhalve de op hem rustende dossierplicht heeft geschonden.

Overigens merkt het Centraal Tuchtcollege op dat, ook al zouden die patiëntendossiers en behandelkaarten wel bestaan hebben en door het F. zijn vernietigd, de tandarts in dat geval zijn bewaarplicht heeft geschonden nu hij op grond van artikel 454 lid 3 BW gehouden was de dossiers gedurende vijftien jaren te bewaren.

2.4       Nu niet uit enig patiëntendossier is af te leiden in welk stadium de behandeling van klaagsters zich bevond leidt het Centraal Tuchtcollege uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken daaromtrent het volgende af.

2.5       Aangaande de behandeling van D. en E. overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

Op grond van de uitgedraaide overzichten van de afspraken bij de tandarts van D. en E. moet worden aangenomen dat de behandeling door de tandarts met vaste apparatuur bij D. is ingezet op 24 januari 2005 en heeft geduurd tot 25 oktober 2005, derhalve negen maanden. Gezien de relatief korte duur van behandeling acht het Centraal Tuchtcollege het aannemelijk dat deze behandeling op 25 oktober 2005 nog niet was afgerond. Voor E. geldt dat uit de afsprakenoverzichten blijkt dat door de tandarts geen behandeling met vaste apparatuur is gestart.

Uit de brieven van het F. van 20 november 2006 en 9 april 2008 blijkt dat er in het F. na 2005 een verdere uitgebreide behandeling van beide klaagsters noodzakelijk was en ook is uitgevoerd. Nu aannemelijk is dat de behandeling van D. eind 2005 nog niet was afgerond en die van E. nog niet was aangevangen kan niet gesteld worden dat de behandeling door de tandarts van D. en E. niet voldoende professioneel is geweest. Onduidelijk is immers wat de tandarts aan verdere behandeling van beide klaagsters nog voor ogen stond en hoe die behandeling zou verlopen.

2.6       Voor wat betreft de behandeling van H. overweegt het Centraal Tuchtcollege dat uit de afsprakenoverzichten blijkt dat de behandeling door de tandarts met vaste apparatuur bij haar is ingezet op 2 september 2003 en heeft geduurd tot 9 december 2005, derhalve twee jaar en drie maanden. Gelet op de duur van die behandeling en op hetgeen ter zitting door klaagster is gesteld - de behandeling was eind 2005 afgerond - gaat het Centraal Tuchtcollege er bij de beoordeling vanuit dat de tandarts in het geval van H. de behandeling als afgerond heeft beschouwd.

Uit de hiervoor onder 2.5 genoemde brieven van het F. blijkt dat er in het F. in de periode na 2005 nog een zeer uitgebreide orthodontische behandeling bij H. heeft plaatsgevonden, waarbij de behandelend orthodontist van het F. in augustus 2007 noodzaak heeft gezien botankers in de bovenkaak te plaatsen teneinde een goede occlusie te kunnen verkrijgen.

Nu na een langdurige en intensieve behandeling door de tandarts de toestand van het

gebit van H. was zoals omschreven in de brief van het F. van 20 november 2006 en de in de brief van 9 april 2008 omschreven aanvullende behandelingen door het F. noodzakelijk geacht werden oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de tandarts in de behandeling van H. ernstig tekort is geschoten en daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

2.7       Samenvattend oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

In voornoemde tussenbeslissing van 15 september 2011 volgt het Centraal Tuchtcollege het Regionaal Tuchtcollege in zijn oordeel dat de tandarts niet professioneel heeft gehandeld door als aangeklaagde beroepsbeoefenaar onaangekondigd naar het huis van klaagsters te gaan. Voorts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat, gelet op het hiervoor onder 2.4 overwogene, de tandarts zijn dossierplicht en/of de op hem rustende bewaarplicht ernstig heeft geschonden en gelet op het hiervoor onder 2.6 overwogene, hij ernstig tekort is geschoten in zijn professioneel handelen ten aanzien van H.. Dit alles valt de tandarts tuchtrechtelijk te verwijten en het Centraal Tuchtcollege acht de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de periode van zes maanden op zijn plaats.

            2.8       Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze beslissing.

3.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de in de tussenbeslissing van 15 september 2011 onder rechtsoverweging 4.4 onder 3 en 5 geformuleerde klachtonderdelen gegrond, de onder 1 en 2  geformuleerde klachtonderdelen ongegrond en verklaart klaagsters in het onder 4 geformuleerde klachtonderdeel niet-ontvankelijk;

legt aan de tandarts op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van zes maanden, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Centraal Tuchtcollege later anders mocht bepalen op grond dat de tandarts zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als tandarts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;

bepaalt voorts dat, indien de arts op de dag dat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan uit anderen hoofde is geschorst, als ingangsdatum van de proeftijd heeft te gelden de eerste dag nadat de schorsing uit anderen hoofde is beëindigd;

bepaalt dat deze beslissing tezamen met de tussenbeslissing onder nummer C2010.232 van 15 september 2011 op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact, Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, het Nederlands Tandartsenblad en het tijdschrift Dentz, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. P.M. Brilman en mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, leden-juristen en drs. H.J. van Iterson en drs. J.E.A. Dresen, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 mei 2012.

                                               Voorzitter   w.g.

                                               Secretaris  w.g.