ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1914 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.212

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1914
Datum uitspraak: 10-04-2012
Datum publicatie: 11-04-2012
Zaaknummer(s): c2011.212
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tbs-gedetineerde tegen arts. Verwijt dat arts extra medicatie liet verstrekken omdat klager de ramen in de huiskamer van zijn afdeling op een kier wilde hebben en verwijt dat nooit onderzoek heeft plaatsgevonden. Klacht afgewezen door Regionaal Tuchtcollege. Beroep verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2011.212 van:

A., thans verblijvende in de B. te C., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

D., arts, destijds werkzaam te C., thans te E., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. R.W.H.H. Molmans te Nijmegen.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna: klager - heeft op 20 juli 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen D. – hierna: de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 10 mei 2011, onder nummer 10104, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tucht­college van 8 maart 2012, waar de arts is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Op 13 februari 1997 is klager (voor de tweede maal) strafrechtelijk veroordeeld tot de maatregel tot ter beschikkingstelling met dwangverpleging. Vanaf 24 juli 2006 is hij opgenomen op de longstay-afdeling van de instelling waar verweerder sinds september 2007 klagers behandelend arts is. Als zodanig stelt verweerder op indicatie van het behandelteam de psychiatrische diagnose en het eventueel daaruit voortvloeiende behandelbeleid.

In 1984 heeft door toedoen van klager een persoon het leven gelaten. In 1996 doodde klager een medeverpleegde nadat per abuis eenmalig een depotmedicatie was overgeslagen.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Verweerder liet klager als bewoner van de inrichting extra medicatie verstrekken omdat hij ramen in de huiskamer van zijn afdeling op een kier open wilde hebben. Verder beweert verweerder dat klager vanaf zijn kindsjaren lijdende zou zijn aan een stoornis, terwijl hij klager voor het eerst rond zijn 58e levensjaar zag. Er heeft nooit onderzoek plaatsgevonden.

4. Het standpunt van verweerder

Klager is bekend met de diagnose stoornis van Asperger, vanaf zijn adolescentie gecompliceerd door recidiverende ernstige psychotische episoden met paranoïde wanen en hallucinaties en voorts met de ziekte schizofrenie.

Er is dwangmedicatie toegepast omdat klager gevaar veroorzaakte voor zijn omgeving.

5. De overwegingen van het college

Dat verweerder aan klager extra medicatie liet verstrekken omdat klager een raam of ramen op een kier wilde, is niet komen vast te staan of aannemelijk geworden. Weliswaar is sprake geweest van toediening van dwangmedicatie, maar niet is gebleken dat daarbij in strijd met het protocol “Gedwongen geneeskundige behandeling” is gehandeld. Gelet op de voorgeschiedenis van klager kon aan het adequaat en tijdig toedienen van dwangmedicatie ook een zwaarwegend belang worden toegekend.

Verder is, aan de hand van de bij dupliek overgelegde rapportages, komen vast te staan dat er wel degelijk onderzoek is geweest dat aan de diagnose van verweerder ten grondslag lag en voorts is niet gebleken dat verweerder onterechte conclusies met betrekking tot (de aanvang van) de stoornis uit deze rapportages heeft getrokken.

Het college acht de klachten kennelijk ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” van de bestreden beslissing.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klachten herhaald en nader toegelicht.

4.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3 De behandeling in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                               verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter,

mr. J.P. Balkema en mr.drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en H.J. Blok en  M.A.P.E. Bulder-van Beers, leden-beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 10 april 2012.

                                               Voorzitter  w.g.

                                               Secretaris  w.g.