ECLI:NL:TGZRZWO:2011:YG1218 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 044/2010

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2011:YG1218
Datum uitspraak: 11-07-2011
Datum publicatie: 11-07-2011
Zaaknummer(s): 044/2010
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Raadkamerbeslissing. Klacht tegen psychiater. Klager wordt TBS-verpleegd en heeft in het verleden veelvuldig destructief gedrag vertoond. Velerlei klachten. De enige betrokkenheid van verweerder bij de behandeling van klager is zijn bemoeienis als eerste geneeskundige geweest bij de dwangmedicatie. Kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 11 juli 2011 naar aanleiding van de op 23 maart 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , verblijvende te B,

gemachtigde: mr. F.C. Knoef, advocaat te Den Haag,

k l a g e r

-tegen-

C , psychiater, werkzaam te B,

bijgestaan door M.M. Stavast, als jurist verbonden aan F,

v e r w e e r d e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Klager heeft een klaagschrift ingediend en een aanvullend klaagschrift. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en een tweetal aanvullingen daarop. Klager heeft gerepliceerd en verweerder heeft gedupliceerd voorzien van twee bijlagen.

Het mondeling vooronderzoek heeft plaatsgevonden op 24 januari 2011.

Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Verweerder heeft een aanvullend stuk ingediend dat op 14 april 2011 bij het college is binnengekomen, voorzien van bijlagen.

2.      DE FEITEN

Klager heeft meerdere, met deze klacht verband houdende en min of meer gelijkluidende, klachten ingediend tegen diverse beroepsbeoefenaren bij het Zwolse college. In een van die zaken is op verzoek van de secretaris van het college het dossier dwang van klager en de wettelijke aantekeningen ingezonden. Deze stukken zijn het college (en partijen) bekend.

Op grond van de stukken waaronder genoemd dossier van klager dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager verblijft sinds  27 juni 2007, na overplaatsing vanuit de D in E, in F. Verweerder is als coördinerend hoofdbehandelaar bij de behandeling van klager betrokken. In de tijd dat klager verbleef in G is klager door mishandeling van een medepatiënt gewond geraakt aan zijn neus. Klager heeft een neus- en septumcorrectie ondergaan, echter hij ervaart dat zijn neus niet recht staat en heeft daar hinder van.

Klager, geboren in 1982, is op 24 mei 2001 veroordeeld tot TBS met bevel tot dwangverpleging na brandstichting en diefstal.

Hij is gediagnosticeerd als een man met een autistische stoornis (Asperger).

In de verslaglegging vanaf het moment van detentie, PI H (IBA) en PI I (FOBA), G, J en de D komt vrijwel continu destructief en zeer risicovol gedrag naar voren, resulterend in zeer uitgebreide vernielingen (letterlijk slopen, bijvoorbeeld in de lift, brandmelders, verstoppen riool etc.), gevaar voor zichzelf (elektrocutie, drinken bleekwater) en ontwrichtend gedrag voor de kliniek/gevangenis (stroomstoringen door water en elektriciteitsincidenten).

In het diagnostisch rapport van oktober 2005 wordt gesteld dat het deviante gedrag van klager het beste te omschrijven is als présadistisch. Het deviante gedrag bestaat uit brandstichten, slopen enzovoort en is op zichzelf belonend. Op korte termijn levert het klager een goed gevoel (‘kick’) op door spanningsopbouw en vervolgens spanningsreductie. Het resultaat op langere termijn lijkt voor klager niet van belang te zijn. Gesproken wordt van een maladaptieve overlevingsstrategie. Door de medicatie is volgens klager het goede gevoel (de ‘kick’) bij het destructieve gedrag verdwenen.

Klager werd met dwangmedicatie (Risperdal dwangdepot) overgeplaatst naar F.

Als bijwerking van de medicatie ervoer klager veel last van verlies van libido en impotentie.

Andere antipsychotica die deze bijwerkingen minder hebben bestaan niet in depotvorm. Klager heeft daarom voor meewerken aan orale inname van Serdolect gekozen. Op

2 oktober 2007 is de Risperdal Consta gestopt en de Serdolect gestart. Al snel na het starten van de Serdolect heeft klager inname van die medicatie geweigerd. Hierop is op

22 oktober 2007 de Risperdal dwangmedicatie hervat. In de tussenliggende periode werd meer grensoverschrijdend gedrag gezien (water in de brandmelder, snijdende beweging langs de keel van een medepatiënt, de vloer blank zetten).

In april 2008 is een tweede poging tot overzetten naar een antipsychoticum met minder tot geen seksuele bijwerkingen, door weigering van klager de medicatie in te nemen, mislukt.

Begin 2009 is de dwangmedicatie gestopt.

Op 5 juni 2009 wordt besloten weer over te gaan tot dwangmedicatie op grond van volstrekte noodzakelijkheid ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van klager. Klagers gedrag werd opnieuw fors destructief. Op 5 juni 2009 kreeg klager 6,25 mg. Risperdal Consta toegediend. Die dosis is verhoogd naar 25 mg. per 14 dagen. De dwangmedicatie is op 27 augustus 2009 opgeheven omdat de behandeling niet leidde tot duurzame vermindering van gevaarzettend gedrag.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven-  het volgende:

  1. het overnemen van het medicatiebeleid uit de vorige kliniek;
  2. het verder ten onrechte voorschrijven van dwangmedicatie;
  3. het niet willen doorverwijzen voor de neuscorrectie.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij in augustus 2009 als adviseur van het hoofd van de inrichting beslissingen heeft genomen ten aanzien van de dwangmedicatie.

Verweerder heeft niet als hulpverlener opgetreden bij klagers wens tot een neuscorrectie noch heeft hij hierbij enige andere betrokkenheid gehad.

Verweerder is niet betrokken geweest bij de beslissing tot het geven van dwangmedicatie in 2007.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

De enige betrokkenheid van verweerder bij de behandeling van klager is zijn bemoeienis als eerste geneeskundige geweest bij de dwangmedicatie van klager op 5 juni 2009.

Voorafgaand aan deze dwangbehandeling is overleg (per e-mail) geweest tussen de behandelaars waarbij verweerder zijdelings betrokken is geweest.

Uit deze e-mails, die door verweerder zijn overgelegd, blijkt dat klager de weken ervoor in toenemende mate meer op de voorgrond staande ontwrichtende componenten binnen zijn gedragsrepertoire vertoonde en dat het concrete sloopgedrag bestond uit het scheuren van lakens.

5.3

Het college is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, de beslissing om dwangmedicatie te verstrekken gerechtvaardigd was. Klager had al zeer vele malen zeer destructief en risicovol gedrag vertoond en dreigde weer daarin te vervallen. Terecht merkt verweerder op dat afwending van het gevaar door dwangmedicatie is te verkiezen boven afwending hiervan door separatie.

5.4

De overige verwijten betreffen handelen waar verweerder niet bij betrokken is geweest en kunnen derhalve niet slagen.

5.5

De conclusie is dat de klacht als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, en G.W.A. Diehl en

J.N. Voorhoeve, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2011 door de voorzitter in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.