ECLI:NL:TGZRSGR:2011:YG1215 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2010-123

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2011:YG1215
Datum uitspraak: 05-07-2011
Datum publicatie: 06-07-2011
Zaaknummer(s): 2010-123
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de psychiater dat zij onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welke hoedanigheid zij klaagster onderzocht en voorts dat zij niet kon concluderen dat er een dusdanig gevaar voor derden bestond dat het schenden van haar geheimhoudingsplicht was gerechtvaardigd. Klacht ongegrond.      

Datum uitspraak: 5 juli 2011

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

die domicilie heeft gekozen te B,

klaagster,

tegen:

C, arts,

die domicilie heeft gekozen te D,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna te noemen de arts.

1. Het verloop van het geding

Het klaagschrift (met bijlagen) is na doorzending door mr K.S. Kort, advocaat te Rotterdam, ontvangen op 14 juli 2010. Mr L. Beij, advocaat te Utrecht, heeft namens de arts een verweerschrift (met producties) ingediend, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het vooronderzoek te worden gehoord.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. Van partijen was alleen de arts aanwezig. Namens partijen hebben de advocaten het woord gevoerd.

2. De feiten

2.1       In januari 2010 was de arts werkzaam in dienst van E, een bedrijf dat diensten op het terrein van de forensisch medische zorg verleent aan verschillende politiekorpsen.

2.2              Op 20 januari 2010 was klaagster aangehouden als verdachte van moord dan wel

doodslag op haar éénjarig dochtertje. Die dag heeft de arts klaagster bezocht op politiebureau te B om bij haar een gedragsbeïnvloedingsbeoordeling te doen:

een onderzoek dat erop is gericht om de omstandigheden en/of het gedrag van een verdachte ten tijde van het plegen van het vermeende delict in kaart te brengen.

De arts heeft klaagster door tussenkomst van een tolk gehoord. Naar aanleiding van het gesprek heeft de arts aantekeningen gemaakt in het dossier van klaagster en een proces-verbaal gedragsbeïnvloeding opgesteld. Dit proces-verbaal houdt het volgende in:

‘Patiënte is in wisselende emotionele toestand, in het begin van het gesprek vertelt zij in detail over de gebeurtenissen. Naar mate het gesprek verder gaat is zij in tranen en emotioneel. Zij geeft aan in behandeling te zijn bij de F, ze wil niet vertellen waarom, hierin is zij terughoudend. Ze vertelt geen medicatie te gebruiken. Ze is helder van bewustzijn, de oriëntatie in trias is intact. De stemming is dysfoor, het affect vlak. De verschijnselen zouden kunnen passen bij een toestandsbeeld na een heftige gebeurtenis, echter dient hierbij de psychiatrische voorgeschiedenis en huidige behandeling in acht te worden genomen. Lichamelijk zouden er geen afwijkingen zijn, aldus patiënte.

2.3       Op 27 januari 2010 werd de arts opnieuw door de politie benaderd met aanvullende vragen over de gedragsbeïnvloeding. De politie vertelde de arts dat klaagster geen verklaring wenste af te leggen en dat dit waarschijnlijk tot gevolg zou hebben dat klaagster vrijdag 29 januari 2010 zou worden vrijgelaten in verband met onvoldoende bewijs. Omdat de politie uit de duur van het op 20 januari 2010 gevoerde gesprek tussen de arts en klaagster had afgeleid dat klaagster de arts mogelijk meer informatie had gegeven, verzocht de politie de arts dringend een getuigenverklaring af te leggen. De politie wees de arts er daarbij op dat de twee andere kinderen van klaagster gevaar zouden kunnen lopen als klaagster zou worden vrijgelaten en gaf aan dat de vader van de kinderen niet betrouwbaar was, in die zin dat hij vaak afwezig was en er een vermoeden bestond dat sprake zou zijn van geweld door de vader. De politie deelde ook mee dat de tolk zou worden benaderd voor een aanvullende verklaring.

2.4       De arts heeft de politie vervolgens verzocht om klaagster om toestemming te vragen voor een verklaring door de arts, hetgeen klaagster weigerde. Vervolgens heeft de arts

overleg gepleegd met collega’s, onder wie G, forensisch arts en directeur van het E en – op diens advies - informatie ingewonnen bij de artsenlijn van de H en een jurist verbonden aan de H, die bij de arts het gevoel bevestigde dat sprake was van een conflict van plichten. De arts kreeg uitleg onder welke omstandigheden het beroepsgeheim mocht worden geschonden en welke gevolgen daaraan waren verbonden.

2.5       De arts heeft vervolgens besloten een getuigenverklaring af te leggen en deze afgelegd op 2 februari 2010. De verklaring hield – samengevat – het volgende in:

‘Op woensdag 20 januari 2010 ben ik in de hoedanigheid als politiearts door de politie verzocht naar het politiebureau gevestigd te B te komen. Aldaar zat een verdachte genaamd A. Aan mij werd verzocht om een gedragsbeinvloeding beoordeling te doen bij de verdachte.

Op woensdag 20 januari 2010, omstreeks 21.00 uur, bevond ik mij in het bijzijn van een tolk genaamd I  in de cel van de verdachte genaamd A. Ik heb aan de verdachte uitgelegd dat ik een arts ben. Ik vroeg aan de verdachte of ze lichamelijke of psychische klachten had. Ik hoorde dat ze zei dat ze geen enkele klacht had. Ik hoorde dat de verdachte ongevraagd over de gebeurtenis waarom zij was aangehouden begon te praten. Ik gaf haar aan dat ik voor het medische aspect ben en dat ik niet van de politie ben. Tevens vertelde ik haar dat als ze mij over de gebeurtenis iets gaat vertellen dat dit dan later tegen haar gebruikt kan worden. Toch begon de verdachte A  tegen mij te praten over de gebeurtenis. Zij vertelde mij het volgende: ‘Ik ben omstreeks 21.00 uur naar mijn slaapkamer gegaan. Ik ging daar naartoe omdat ik hoorde dat de baby niet wilde slapen. De baby slaapt namelijk bij mij op de slaapkamer. Ik hoorde de baby huilen. Ik ben bij de baby gaan liggen tot omstreeks 22.00 uur. De baby wilde nog steeds niet slapen. Ik ben vervolgens met de baby naar beneden gelopen. Omstreeks 00.00 uur, heb ik een flesvoeding voor de baby gemaakt en heb ik deze aan haar gegeven. Omstreeks 03.00 uur, heb ik de baby in haar eigen bedje gelegd. Toen wilde de baby nog steeds niet slapen. Ik ben vervolgens ook in mijn eigen bed gaan liggen. Omstreeks 05.00 uur, werd ik wakker omdat ik naar de wc moest. Ik hoorde de baby niet meer huilen. Ik keek in het bedje en zag de baby niet bewegen. Ik denk dat de baby toen gestikt was. Ik zag dat er een soort ‘eskimo’muts over de hoofd van de baby lag. Hierdoor kon ik het gezichtje van de baby niet meer zien. Ik ben vervolgens naar beneden gelopen en heb de baby laten liggen. Ik ben niet meer bij de baby geweest. Omstreeks 08.15 uur heb ik mijn andere twee kinderen naar school gebracht. De baby heb ik alleen thuis gelaten. Omstreeks 12.15 uur heb ik de kinderen weer van school opgehaald. In de tussentijd ben ik niet meer bij de baby geweest. Omstreeks 12.30 uur ben ik weer naar de baby toe gelopen en zag ik dat het gezichtje van de baby helemaal blauw was.’

Ik vond opvallend dat A  sprak met de woorden: ‘de baby’ in plaats van de naam van het kind. Het kwam op mij over alsof A over een vreemde sprak.

Ook vond ik opvallend dat ze probeerde duidelijk te maken dat ze toch wel een goede moeder was.

Ook vond ik opvallend dat ze over de gebeurtenis ging praten en niet over haar medische toestand.

Ik heb besloten om een verklaring af te leggen omdat gezien de ernst van de zaak ik het noodzakelijk achtte een verklaring af te leggen. Ook vond ik het gezien het gevaar voor derden van belang dat ik een verklaring afleg. Ik bedoel hiermee dat A  nog twee andere kinderen heeft en dat ik het belangrijk acht dat de waarheid boven tafel komt.

Ook heb ik overleg gehad met de staf van het E en de artseninformatielijn van het H. Zij hebben allen mij geadviseerd om een verklaring af te leggen.’

3. De klacht

Volgens klaagster is zij in haar belangen geschaad doordat

a.       de arts onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welke hoedanigheid zij klaagster

      onderzocht;

b.      klaagster in alle redelijkheid niet kon concluderen dat er een dusdanige (levens)bedreigende situatie bestond voor derden (de andere kinderen van klaagster) dat het schenden van haar geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd was.

4. Het standpunt van de arts

De arts heeft de klachtonderdelen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig zal daarop hieronder worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1       Het College stelt voorop dat het optreden van de arts als politiearts jegens klaagster dient te worden beoordeeld naar het bepaalde in artikel 88 van de Wet BIG, volgens welk artikel de arts verplicht was tot geheimhouding ten opzichte van al datgene wat haar bij het uitoefenen van haar beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te harer kennis is gekomen of wat daarbij te harer kennis is gekomen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.

Deze geheimhoudingsplicht mag alleen worden doorbroken als er sprake is van overmacht of een conflict van plichten.

5.2       Tussen partijen is niet in geschil dat de arts tijdens het eerste gesprek op 20 januari 2010 aan klaagster door tussenkomst van een tolk heeft uitgelegd dat zij een arts is.

Volgens klaagster zei de arts verder dat zij niets met de politie te maken had en dat klaagster dus vrijuit kon praten. De arts bestrijdt dit en geeft aan, dat zij klaagster, die ongevraagd begon te spreken over het gebeurde, middels de tolk heeft geprobeerd duidelijk te maken dat de arts uitsluitend de psychische en lichamelijke klachten van klaagster in kaart wilde brengen en dat, als klaagster over de gebeurtenis ging vertellen, dit zou kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de zaak door de politie. Nu het College op dit punt alleen beschikt over een tegengestelde lezing van de feiten en daaromtrent niets kan worden vastgesteld, wordt het hiervoor onder a. bedoelde verwijt gepasseerd. 

5.3       Ten aanzien van het onder b. geformuleerde verwijt overweegt het College dat de arts ter zitting heeft toegelicht dat zij tijdens en na het eerste gesprek met klaagster van 20 januari 2010 een ‘niet pluis-gevoel’ in de zin van zorgen over de veiligheid van anderen had gekregen, namelijk op basis van

1) de terughoudende houding van klaagster over de reden voor haar behandeling bij het F,

2) het feit dat klaagster ongevraagd en uit zichzelf over de gebeurtenis begon te praten

3) het feit dat klaagster probeerde duidelijk te maken dat ze toch wel een goede moeder was 4) het door klaagster spreken over ‘de baby’ alsof het een vreemde was

5) de door de arts vernomen inhoud van het obductieverslag waarin sprake was van tekenen van mishandeling van de baby en

6) informatie over gesignaleerde mishandeling ten aanzien van de andere kinderen van klaagster.   

Duidelijk is geworden dat niettegenstaande de druk die – zo neemt het College aan - voortkwam uit hetgeen de politie aan klaagster meedeelde, klaagster daar niet aanstonds op is ingegaan maar de tijd heeft genomen om zich op zorgvuldige wijze te laten voorlichten over de vraag wat de eisen van een professionele beroepsbeoefening in dezen waren. Daarbij heeft zij zowel collega’s als het H geraadpleegd. Het College is dan ook van oordeel dat de arts na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht is overgegaan en acht deze belangenafweging, waarbij zij het belang van de veiligheid van jonge kinderen hoogste prioriteit heeft gegeven, onder de gegeven omstandigheden te billijken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar optreden is dan ook geen sprake.

5.4       Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht zal worden afgewezen.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door: Mr J.S.W. Holtrop, voorzitter, Mr M.W. Koek, lid-jurist, Dr B. van Ek, Drs F.G.A.J. Hakvoort-Cammel, en Prof. Dr. M.W. Hengeveld, leden-artsen, bijgestaan door Mr J.P. Hoogland, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

5 juli 2011.

voorzitter                                                                                              secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.