ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0019 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2008/023
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0019 |
---|---|
Datum uitspraak: | 12-01-2010 |
Datum publicatie: | 12-01-2010 |
Zaaknummer(s): | C2008/023 |
Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
Beslissingen: | |
Inhoudsindicatie: | Klager heeft zich na een bedrijfsongeval gewend tot de bedrijfsarts. De klacht houdt in dat de arts heeft nagelaten klager deugdelijk te onderzoeken, zijn beroepsgeheim heeft geschonden, de werkhervatting van klager heeft vertraagd, hem onheus heeft bejegend en gegevens van klager heeft weggemaakt en/of verduisterd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en voegt hier nog een tweetal overwegingen aan toe. Deze overwegingen hebben betrekking op het advies van de arts aan de werkgever en op het beroepsgeheim |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/023 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., bedrijfsarts, wonende te B., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. L. Beij, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna te noemen klager - heeft op 29 augustus 2006 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen bedrijfs-/verzekeringsarts C. - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 september 2007, onder nummer 2006O168 heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Vervolgens heeft klager nog een groot aantal documenten aan het Centraal Tuchtcollege overgelegd waaronder een aanvullend bezwaar op verweerschrift in beroep, een tweetal brieven van respectievelijk 26 november 2008 en 8 december 2008, een “Aanvulling klacht onder toevoeging van bewijsstukken tevens antwoord op het verweerschrift in beroep”, een drietal CD-roms met bijbehorende documentatie van 28 oktober 2009 en 30 oktober 2009, nog een brief van 30 oktober 2009 en een brief van 4 november 2009.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 17 november 2009, waar zijn verschenen klager vergezeld van zijn echtgenote D. alsmede de arts, bijgestaan door mr. L. Beij voornoemd.
De zaak is over en weer bepleit. De gemachtigde van de arts heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.
“2. De klacht
Medio januari 2005 heeft klager een blessure aan zijn hand en heup opgelopen als gevolg van een bedrijfsongeval. Klager heeft zich gewend tot de bedrijfsarts. De arts concludeerde dat klager arbeidsgeschikt was. Hoewel klager zich niet kon verenigen met deze conclusie heeft hij zijn werkzaamheden hervat. Op 14 februari 2005 heeft klager zich wederom arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van de blessure. Klager heeft zich toen gewend tot een andere arts die concludeerde dat er weldegelijk sprake was van een blessure. Desondanks zijn als gevolg van de onjuiste conclusie van de arts de loonbetalingen aan klager stopgezet. In juli 2005 is klager – naar aanleiding van andere klachten - opgenomen in het ziekenhuis waarna een langdurige revalidatie periode volgde. In april 2006 heeft klager aangegeven dat hij zijn werkzaamheden wenste te hervatten. Vervolgens is er door de arts alles aan gedaan om de werkhervatting door klager te vertragen. Kort gezegd verwijt klager de arts het navolgende:
1. De arts heeft tijdens het consult op 18 januari 2005 nagelaten om klager deugdelijk te onderzoeken. Bovendien heeft zij haar beroepsgeheim geschonden door de medische gegevens van klager door te sturen aan de rayonmanager van klager;
2. De arts heeft er op aangestuurd om de werkhervatting door klager te vertragen dit terwijl de behandeld artsen klager meermalen hadden medegedeeld dat hem niets in de weg stond om zijn werkzaamheden te hervatten. Dit werd ook bevestigd door het UWV. De arts heeft klager onheus bejegend en hem – in zijn wens om zijn werkzaamheden te hervatten – “knetter gek”, genoemd.
3. De arts heeft gegevens over klager weggemaakt en/of verduisterd.
3. Het standpunt van de arts
Klager is op 18 januari 2005 op het spreekuur van de arts verschenen. De arts heeft de klachten, zowel lichamelijke als psychische, geïnventariseerd in relatie tot mogelijke beperkingen die deze voor klager met zich mee zouden kunnen brengen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het door de arts uitgevoerde onderzoek leidde niet tot de conclusie dat er sprake was van dusdanige beperkingen dat dit aan het uitvoeren van reguliere werkzaamheden door klager in de weg stond. De arts heeft geadviseerd dat hij op 19 januari 2005 zijn werkzaamheden zou hervatten. Omdat klager zich niet kon verenigen met de conclusie van de arts heeft zij hem gewezen op de mogelijkheid van een deskundigenonderzoek bij het UWV. Klager heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft zijn werkzaamheden op 19 januari hervat. Op 24 januari 2005 heeft klager een tuchtklacht tegen de arts ingediend met betrekking tot het consult van 18 januari 2005. Om die reden is klager na zijn volgende ziekmelding op 14 februari 2005 voor controle opgeroepen door een collega van de arts. Dit consult vond plaats op 2 maart 2005. Ook deze arts kwam niet tot wezenlijk andere – lichamelijke- bevindingen dan verweerster op 18 januari 2005 noteerde. Wel noteerde deze arts dat niet de heupklachten maar een conflict tussen klager en zijn werkgever de aanleiding voor de ziekmelding waren. Daarvan was door klager aan de arts tijdens het consult op 18 januari 2005 geen melding gemaakt.
Op 7 juni 2005 heeft klager de klacht tegen de arts ingetrokken.
Op 11 juli 2005 is klager in het ziekenhuis opgenomen vanwege hevige neusbloedingen en algehele malaise. Er bleek sprake van leverinsufficiëntie en trombose. In augustus 2005 heeft de arts klager benaderd om te informeren hoe het herstel verliep. Dit herstel verliep langzaam. Nadien heeft de arts nog meermalen contact gehad met klager.
Op 4 april 2006 is klager voor controle bij de arts verschenen. Hij gaf aan dat hij zijn werkzaamheden volledig wilde hervatten. De arts heeft aangegeven dat zij alvorens tot werkhervatting te kunnen adviseren, de meest recente informatie wilde opvragen uit de behandelende sector. Bovendien was de arts van oordeel dat, teneinde de belastbaarheid van klager goed in te kunnen schatten, er een neuro-psychologisch onderzoek diende plaats te vinden. Klager weigerde dit onderzoek te ondergaan daar dit al zou hebben plaatsgevonden in het ziekenhuis. De uitkomsten van dit vermeende onderzoek zijn evenwel nooit aan de arts overgelegd.
Omdat klager zich niet met het oordeel van de arts kon verenigen is er op
27 mei 2006 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. De conclusies van het UWV weken niet af van die van de arts.
Op 19 juni 2006 heeft de arts de genoemde informatie uit de behandelend sector ontvangen. De informatie vormde voor de arts aanleiding de werkgever van klager te berichten dat klager zijn werkzaamheden geleidelijk zou kunnen hervatten. Om dit met klager te bespreken heeft zij hem op 25 juli opgeroepen op het spreekuur. Klager is niet verschenen waarna de arts telefonisch contact heeft gezocht met klager. Deze meldde haar dat hij zijn werkgever in een brief had bericht waarom hij geen gevolg wenste te geven aan verdere oproepen van de arts.
Na 1 september 2006 heeft de arts haar werkzaamheden als bedrijfsarts voor de werkgever van klager beëindigd. Omdat zij vanaf 1 augustus 2006 tot
1 september 2006 met vakantie was, heeft zij geen verder contact met klager gehad.
Op 2 augustus 2006 is een tweede rapport van het UWV verschenen waarin werd geconcludeerd dat klager per 27 april 2006 arbeidsgeschikt diende te worden geacht. Deze conclusie kwam echter tot stand op basis van gegevens die de arts eerst op
19 juni 2006 tot haar beschikking had. Zonder deze gegevens was het naar de mening van de arts niet mogelijk en/of verantwoord om deze conclusie te trekken.
De arts stelt naar aanleiding van de klachten het volgende:
Voor alles stelt zij dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klachten omdat de hernieuwde behandeling van de, eerder door klager ingetrokken klacht in strijd is met artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG).
De arts betwist verder dat zij te kort zou zijn geschoten in de deugdelijke behandeling van klager tijdens het consult op 18 januari 2005. Van een doorsturen van medische gegevens aan de rayonmanager van klager is geen sprake geweest. De kennis die de werkgever heeft ontvangen over de medische toestand van klager, heeft de werkgever vernomen uit een brief d.d. 15 april 2006 van klager zelf. De arts treft hier geen enkele blaam.
Het feit dat de arts een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de werkhervatting door klager en een positief advies daartoe heeft aangehouden tot alle relevantie medische gegevens beschikbaar waren, was gerechtvaardigd. Ook hier kan de arts geen verwijt worden gemaakt. Anders dan klager stelt leidt de inhoud van de rapporten van het UWV niet tot de conclusie dat het handelen van de arts op dit punt onjuist is geweest. Van een bestempelen van klager als “knetter gek” door de arts is geen sprake geweest.
Van een wegmaken of verduisteren van medische gegevens door de arts is ook geen sprake geweest. De arts is door de opvolgend bedrijfsarts nooit verzocht gegevens van klager over te leggen. Inmiddels zijn deze gegevens overgelegd. Van een handelen of nalaten als bedoeld in de Wet BIG is geen sprake geweest. De arts verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.
2.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
4. De beoordeling
Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van klager dient te worden afgewezen nu door de eerdere intrekking van de klacht door klager, er geen inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden en er derhalve ook geen onherroepelijke beslissing in die klacht is gegeven.
Met betrekking tot de door klager naar voren gebrachte klacht dat het op
18 januari 2005 door de arts verrichte onderzoek niet adequaat zou zijn uitgevoerd, concludeert het College dat op basis van de aantekeningen in het medisch dossier het tegendeel blijkt zodat dit onderdeel van de klacht als ongegrond zal worden afgewezen. Verder is het door klager gestelde doorsluizen van medische gegevens door de arts aan de rayonmanager of anderszins ter beschikking stellen van medische gegevens aan de werkgever door de arts, niet komen vast te staan. Daarbij merkt het College op dat voor zover de werkgever kennis had van medische informatie met betrekking tot klager het aannemelijk is geworden dat deze is verkregen uit de brief die klager op 15 april 2006 aan zijn werkgever heeft gestuurd.
Het feit dat de arts haar toestemming voor een werkhervatting door klager heeft aangehouden tot het moment dat zij beschikte over alle relevante informatie van de behandelend specialist was gerechtvaardigd en onderdeel van een zorgvuldige oordeelsvorming door de arts. De conclusies in het rapport van het UWV
d.d. 2 augustus 2006 maken dit niet anders daar dit rapport tot stand kwam op basis van gegevens waarover de arts eerst op 19 juni 2006 de beschikking heeft gekregen. Het is niet uit te sluiten dat zo de arts eerder over deze gegevens hebben beschikt, zij tot een eenzelfde conclusie zou zijn gekomen.
Nu de arts heeft betwist dat zij klager “knetter gek” heeft genoemd en hiervoor enig bewijs in de stukken ontbreekt, kan het College niet vaststellen of dit al dan niet heeft plaatsgevonden.
Voor de conclusie dat de arts zich schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken, verduisteren of anderszins onzorgvuldig behandelen van de medische gegevens van klager heeft het College geen aanwijzingen in het dossier kunnen vinden zodat ook dit klacht onderdeel als ongegrond zal worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- op of omstreeks 4 december 2004 is klager tijdens zijn werkzaamheden gevallen en heeft hierbij letsel aan zijn rechter hand en heup opgelopen.
- op of omstreeks 7 januari 2005 heeft klager zich arbeidsongeschikt gemeld.
- op 18 januari 2005 heeft de arts klager naar aanleiding van de ziekmelding gezien op het spreekuur. Zij heeft klager toen geadviseerd zijn werk met ingang van 19 januari 2005 te hervatten.
- op 19 januari 2005 heeft klager zijn werkzaamheden hervat.
- op 14 februari 2005 heeft klager zich wederom arbeidsongeschikt gemeld op basis van de bij het valincident opgelopen lichamelijke klachten.
- op 25 januari 2005 heeft klager bij het Regionaal Tuchtcollege ‘s-Gravenhage een tuchtklacht ingediend met betrekking tot het consult op 18 januari 2005.
- op 1 maart 2005 werd klager in verband met de door hem ingediende tuchtklacht tegen de arts gezien door collega bedrijfsarts E. te F..
- op 2 maart 2005 heeft klager zijn werkzaamheden hervat.
- op 19 mei 2005 heeft klager zich wederom arbeidsongeschikt gemeld.
- op 7 juni 2005 is het conflict tussen klager en de arts doorgesproken, de tuchtklacht is (bij faxbericht van klager van 13 juni 2005) ingetrokken en de begeleiding door de arts hervat.
- van 11 juli tot en met 25 juli 2005 werd klager opgenomen in het G.-ziekenhuis wegens (onder meer) vena porta trombose en leverinsufficiëntie.
- op 10 november 2005 heeft de arts klager thuis bezocht en vervolgens heeft de arts met een zekere regelmaat telefonisch contact opgenomen met klager.
- op 4 april 2006 heeft de arts klager weer gezien op haar spreekuur. Klager gaf tijdens dit consult aan dat hij zijn werkzaamheden weer wilde hervatten.
- op 27 april 2006 heeft de arts klager telefonisch laten weten dat hij zijn werkzaamheden nog niet mocht hervatten in afwachting van informatie uit de behandelend sector over de fysieke en psychische belastbaarheid van klager.
- op 27 mei 2006 heeft klager, omdat de arts niet akkoord ging met werkhervatting op 27 april 2006, een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.
- in de rapportage deskundigenoordeel van het UWV (H.) van 16 juni 2006 werd - voor zover hier van belang - geconcludeerd dat ten aanzien van de geschiktheid van de werknemer tot het verrichten van het eigen werk per
27 april 2006 het vormen van een beargumenteerd oordeel niet mogelijk was omdat essentiële informatie ontbreekt. Het advies was dat deze informatie alsnog moest worden vergaard en dat uiterlijk op 30 juni 2006 door de bedrijfsarts aan de werknemer moest worden medegedeeld wat het belastbaarheidsoordeel is.
- bij brief van 19 juni 2006 heeft de arts de informatie uit de behandelende sector ontvangen.
- klager is op 25 juli 2006 door de arts opgeroepen voor het spreekuur maar is niet verschenen.
- vanaf 1 augustus 2006 was de arts wegens vakantie afwezig.
- in de rapportage deskundigenoordeel van het UWV (H.) van
2 augustus 2006 werd – voor zover hier van belang – geconcludeerd dat de werknemer volledig geschikt is voor het eigen werk als beveiligingsbeambte per
27 april 2006.
- vanaf 1 september 2006 is de arts niet meer werkzaam als bedrijfsarts voor I..
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure.
4.1 Klager beoogt de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hij verzoekt - zakelijk weergegeven - de bestreden beslissing te vernietigen en de arts uit haar ambt te zetten dan wel haar andere passende tuchtmaatregelen op te leggen.
4.2 De arts heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het beroep als ongegrond te verwerpen, althans de klacht zonodig onder verbetering of aanvulling van gronden als ongegrond af te wijzen.
Beoordeling.
4.3 De behandeling in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Hieraan wenst het Centraal Tuchtcollege nog het navolgende toe te voegen.
Op het advies naar aanleiding van het spreekuur van 18 januari 2005 heeft de arts in het “Advies naar aanleiding van spreekuur” onder de navolgende kopjes geschreven: Volledige hervatting met ingang van: 19 januari 2005. Opmerkingen: Indien betr. niet komt dient hij een deskundigen oordeel aan te vragen bij het UWV B.. Gewenst actie: Advies : in dat geval loon opschorten tot de uitslag bekend is.
Vooropgesteld zij dat het Centraal Tuchtcollege het begrijpelijk acht dat klager zich door dit advies van de arts aan de werkgever - gelet op de voor klager verstrekkende financiële consequenties – behoorlijk onder druk gezet voelde. Het Centraal Tuchtcollege is wat dit klachtonderdeel betreft van oordeel dat het naar de huidige maatstaven niet op de weg van de bedrijfsarts ligt om de werkgever te adviseren over de rechtspositionele gevolgen van datgene wat hij als arts in medische zin vaststelt. Toentertijd lag dat echter enigszins anders en was een dergelijk “stevig” advies van een bedrijfsarts aan een werkgever niet ongebruikelijk. Om de arts daarvan nu een tuchtrechtelijk verwijt te maken voert dan ook te ver.
Voorts is het Centraal Tuchtcollege, met het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de arts medische gegevens aan de werkgever ter beschikking heeft gesteld. Op 28 juni 2006 heeft de arts de werkgever het volgende e- mailbericht gezonden:
Hoi J.,
Hier nog de terugkoppeling over A. n.a.v. de info van de specialist m.b.t. de prognose. De huidige lichamelijke en geestelijke toestand is stabiel. De uitslagen van de onderzoeken zijn goed.
“Als hij de voorgeschreven medicatie blijft slikken en zich houdt aan een gezonde levenswijze, dan is de prognose relatief goed, ook aangezien hij de ernst van de situatie in ziet. Reïntegratie op rustige en verantwoorde manier is te prefereren. Het lijkt de specialist niet verstandig als patiënt een zeer onregelmatig dagritme gaat volgen, nachtdiensten lijken niet aangewezen bij patiënt.”
Gezien het bovenstaande denk ik dat het verstandig is om betrokkene rustig weer in het werkritme te laten komen, bij voorkeur op een object wat fysiek gezien niet zeer inspannend is (rondes bijvoorbeeld niet langer dan een half uur en niet 10 etages hoog) en wat ook niet zeer druk en stressvol is. Opstarten boven sterkte verdient de voorkeur aangezien betrokkene zeer lang uit de roulatie is geweest. 3 weken beginnen met 3-4 dagdelen per week en daarna op bouwen naar hele dagen is aan te bevelen.
Groetjes,
C.
Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is een terugkoppeling van de arts aan de werkgever op deze wijze conform hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam bedrijfsarts verwacht had mogen worden en levert ook geen overschrijding van het beroepsgeheim op. Informatie als deze dient de bedrijfsarts aan de werkgever te kunnen verschaffen.
4.4 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep te worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter,
mr. R.A. van der Pol en prof.mr. J.K.M. Gevers, leden-juristen en mr.drs. J.A.W. Dekker en mr. M.J. Kelder, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2010, door mr. A.D.R.M. Boumans, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.