Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2009:YF0192 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2008/68

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2009:YF0192
Datum uitspraak: 12-02-2009
Datum publicatie: 13-02-2009
Zaaknummer(s): 2008/68
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Levering van in Nederland niet geregistreerde diergeneesmiddelen.

Uitspraak in de zaak van

de ambtenaar bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, klager

tegen

X , beklaagde

wonende te A

1.  PROCEDURE

Bij klaagschrift ontvangen op 25 juni 2008 heeft klager zich tot het Veterinair Tuchtcollege gewend.

Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend dat op 5 augustus 2008 door het College werd ontvangen.

Klager heeft hierop gereageerd bij repliek ontvangen op 28 augustus 2008.

Beklaagde heeft geen dupliek ingediend.

Het College heeft de zaak op 15 januari 2009 ter zitting behandeld.

Klager werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, drs. Y.

Beklaagde heeft bericht niet te zullen verschijnen.

2.  KLACHT

In de schriftelijke klacht, zoals toegelicht ter zitting, verklaart klager zakelijk weergegeven het volgende.

2.1. De Algemene Inspectiedienst heeft bij een dierenartsenpraktijk, waarvan de eigenaar geen dierenarts is, zijn hoeveelheden aangetroffen van de wel in Duitsland, maar niet in Nederland, geregistreerde diergeneesmiddelen Hostamox LA en Eurican Merilym. Gebleken is dat ze waren geleverd door beklaagde.

2.2. Klager stelt dat beklaagde door voornoemde leveringen in zodanige mate tekort is geschoten in hetgeen van hem als dierenarts mag worden verwacht dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft kunnen ontstaan en verzoekt beklaagde een waarschuwing te geven.

3. VERWEER

In het verweerschrift verklaart beklaagde zakelijk weergegeven, het volgende.

3.1. Beklaagde heeft een dierenartsenpraktijk in Duitsland gehad. Hij was daardoor bekend met de goede werking van de middelen en had er nog een hoeveelheid van in voorraad.

3.2. Beklaagde erkent dat hij de in het geding zijnde middelen heeft geleverd. Beklaagde was er niet van op de hoogte dat een en ander in Nederland verboden was.

Verdere leveringen zullen niet meer voorkomen.

4. VASTSTAANDE FEITEN

Het College gaat uit van de volgende vaststaande, dan wel onvoldoende weersproken feiten.

4.1. Beklaagde had voorheen een dierenartsenpraktijk in Duitsland. Uit die tijd dateren contacten met Duitse leveranciers van diergeneesmiddelen.

4.2. Beklaagde oefent thans nog praktijk uit in Nederland.

4.3. Beklaagde heeft, blijkens zijn verklaring in het berechtingsrapport van de Algemene inspectiedienst met nummer xxxxx, op verzoek van de eigenaar van een dierenartsenpraktijk in Nederland, de niet in Nederland geregistreerde diergeneesmiddelen Hostamox LA en Eurican Merilym besteld en afgeleverd.

5. OVERWEGINGEN

5.1. In geding is of  beklaagde in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade kon ontstaan.

5.2. Klager heeft gesteld dat beklaagde door het afleveren van niet in Nederland geregistreerde diergeneesmiddelen heeft gehandeld in strijd met hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht. Beklaagde heeft erkend dat hij - uit onwetendheid -  voornoemde diergeneesmiddelen heeft geleverd. 

Het College overweegt hierover als volgt.

5.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet is het verboden een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, te bereiden, voorhanden of op voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen.

Beklaagde heeft zodanige middelen afgeleverd en heeft derhalve gehandeld in strijd met de wet. Beklaagde heeft aangevoerd dat hij van deze bepaling niet op de hoogte was. Voor zover dit moet worden beschouwd als een verweer, kan dit verweer niet slagen. Beklaagde had in zijn hoedanigheid van dierenarts van deze bepaling op de hoogte behoren te zijn.

Volgens de vaste jurisprudentie van het College is het van groot belang dat dierenartsen zich aan de wettelijke regels inzake diergeneesmiddelen houden. Zo werd in de uitspraak van 19 oktober 1995, met nummer 94/0049, overwogen:

‘Het geheel van wettelijke regels rond de uitoefening van de diergeneeskunde vormt de neerslag van de bij de wetgever levende opvattingen over hoe de gezondheidszorg voor dieren in Nederland dient plaats te vinden. In deze regelgeving heeft de wetgever na afweging van alle belangen die daarbij ter zake doende en beschermenswaardig werden geacht, de grondregels neergelegd voor de gezondheidszorg voor dieren in Nederland.

In dit stelsel is een bijzondere positie toegedeeld aan de in de WUD aangewezen diergeneeskundigen, nu aan hen (met name de dierenartsen) bij uitsluiting van alle anderen, bepaalde handelingen zijn voorbehouden. Zoals blijkt uit de instelling van het wettelijk tuchtrecht, staat tegenover deze bijzondere bevoegdheden een bijzondere verantwoordelijkheid om deze bevoegdheden op een juiste wijze uit te oefenen, dat wil zeggen: op de wijze zoals de wetgever bij toekenning voor ogen stond, met inachtneming van de belangen die daarmee gemoeid zijn.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat de klacht gegrond dient te worden verklaard. Mede gelet op het feit dat beklaagde heeft aangegeven dat verdere leveringen niet meer voor zullen komen, kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing, als bedoeld in artikel 16, onderdeel a, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.

6. BESLISSING

Het College:

Verklaart de klacht gegrond.

Geeft beklaagde een waarschuwing, als bedoeld in artikel 16, onderdeel a, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.

Aldus vastgesteld te ‘s- Gravenhage door mr. O. Scheltema – de Nie, voorzitter, en door de leden drs. J.A.A.M. van Erp, drs. E.K. Dolfijn, drs.Th.A.M. Witjes en drs. J.Hilvering, in  tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede - Bron, secretaris.

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2009 door mr. O. Scheltema- de Nie, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede - Bron, secretaris.

mr. A.G. Hofstede – Bron                                                       mr. O. Scheltema- de Nie