ECLI:NL:TGZRSGR:2002:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-68

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2002:1
Datum uitspraak: 22-12-2002
Datum publicatie: 22-12-2020
Zaaknummer(s): 2020-68
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. Het College overweegt dat beklaagde adequaat heeft gereageerd op het telefoontje van klaagster door urine- en bloedonderzoek te doen en de moeder thuis te bezoeken. Daarbij heeft zij blijkens het dossier de anamnese afgenomen en de moeder lichamelijk onderzocht. De infectiewaarden lieten op dat moment geen afwijkingen zien. Ook toen de moeder later door een waarnemend huisarts naar het ziekenhuis werd verwezen, werd daar blijkens het dossier niet meteen gedacht aan een longontsteking. Deze is pas vastgesteld na het maken van een CT-scan, welke scan werd gemaakt om een longembolie uit te sluiten. Klacht ongegrond verklaard.  

Datum uitspraak: 22 december 2020

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

1. A ,

mede namens

2. B,

beiden wonende te C,

klaagsters,

tegen:

D , huisarts,

werkzaam te C,

beklaagde,

gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam te Amsterdam.

1.              Het verloop van de procedure

1.1           Het verloop van de procedure blijkt uit:

-       het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2020;

-       het verweerschrift met bijlagen;

-       de brief van mr. Dik, ontvangen op 26 oktober 2020, met twee bijlagen.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3           De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 november 2020. Klaagster 1 en beklaagde zijn verschenen, klaagster 1 bijgestaan door haar echtgenoot en beklaagde door haar gemachtigde, en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.              De feiten

2.1           Klaagster 1 (hierna: klaagster) is de dochter van klaagster 2 (hierna: de moeder), geboren in 1947. De moeder is sinds 2012 patiënt van beklaagde. Op 21 november 2019 heeft klaagster de praktijk van beklaagde gebeld en gemeld dat zij zich zorgen maakte over haar moeder. In het medisch dossier is op die datum het volgende opgetekend:

S is er na de operatie erg op achteruit gegaan; heeft totaal geen energie; kan huishouden niet doen: heeft huishoudelijke hulp; dikke onderbenen/enkels; plast freq kleine beetjes

E Moeheid/zwakte

P ochtend urine inleveren”.

2.2           Naar aanleiding van dit contact heeft beklaagde de moeder op 22 november 2019 aan het eind van de dag bezocht en is het bloed van de moeder onderzocht. In het medisch dossier staat bij 22 november 2019 het volgende:

“Episode Bronchitis/pneunomie

R PREDNISOLON TABLET 30MG

S in het ZH was sat 86, roken kan niet laten staan, wil weten hoeveel is het nu hoest meer

O sat85,pols63ra,RR140/80,pulm:exp rhonchie,sonoor

E Bronchitis

P pred herhaald,BBK opnieuw kontakt,doorg inh

Episode Dec cordis 

S dochter: maakt zich zorgen; valt bij de kapper in slaap; er moet iets gebeuren

O urineNt(-);L(-);ery(-),eiwit(+)

E Moeheid/zwakte

E Gezwollen enkels/enkeloedeem

R FUROSEMIDE TABLET 20MG

S oedeem benen, wil graag plasmedicatie,wil geen steun kousen

P op proef furosemide”. 

2.3           De uitslagen van het bloedonderzoek waren tijdens het huisbezoek op 22 november 2019 bekend en luidden als volgt:

“22-11-19 15:50

Bezinking (BSE B 1U) 18 mm/uur

Hemoglobine (HB B) 8.8 mmol/L

Hematocriet (HT B) 0.47 LIL

MCV (MCV B) 106 fL h

MCHC (MCHCB) 18.6 mmol/L 1

vitamine B12 (VB12B) 447 pmol/L

foliumzuur (FOLIB) 10 nmol/L

Ferritine (FERRB) 22 ug/L Leukocyten (LEUKB MT) 8.4 10e9/L

Glucose (GLUCB NN) 6.7 mmol/L

TSH (TSH B) 4.7 mE/L h

vrijT4 (nieuw) (FT4 B) 9 pmol/L I

Vitamine D 250H (VD B) 34 mmol/L 1

CRP (CRP B) 7 mg/L”.

2.4           Op 25 november 2019 heeft klaagster gebeld met de praktijk van beklaagde en aan de assistente verteld dat haar moeder anderhalve week daarvoor met dubbele tong sprak. In het dossier is daarover het volgende opgenomen:

S dochter: praatte 1,5 wk geleden aan de telefoon met een dubbele tong; toen ze dit tegen moeder zei, ontkende ze het; nu komt ze erop terug en geeft toe dat het wel zo was en dat dit zo’n uur heeft aangehouden; geen uitval armen/benen; verdere actie nodig?

Beklaagde heeft op die datum naar aanleiding van de bloeduitslagen nog levothyroxine (voor de trage werking van de schildklier) en vitamine D voorgeschreven. Het dossier vermeldt:

“- start thyrax- co SKF over 4wkn”.

2.5           Van 29 november 2019 tot en met 8 december 2019 was beklaagde afwezig. Op 2 december 2019 is de moeder na visite van een waarnemend huisarts in het ziekenhuis opgenomen. In een brief van die datum van de cardioloog aan beklaagde staat voor zover hier van belang het volgende:

Reden van komst

dyspneu

Conclusie

1. Lage saturatie DD dec cordis DD slecht gereguleerde COPD

2. Rechtszijdig decompensatio cordis bij vermoeden pulmonaal hypertensie.

3. Consolidaties op CT thorax, echter laag CRP. Niet verdacht voor een pneunomie.

Beleid

iom dr E (longarts):

Poliklininische analyse consolidatie long

Overwegen CPAP”.

2.6           In het ziekenhuis werd uiteindelijk een longontsteking geconstateerd, in verband waarmee de moeder op de Intensive Care werd opgenomen en is beademd. In overleg met de familie is op 11 december 2019 een chirurgische tracheostoma geplaatst, waarvan de canule bij ontslag nog niet verwijderd kon worden.   

3.              De klacht

Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar telefoontjes niet serieus heeft genomen, ten onrechte niet de diagnose longontsteking heeft gesteld, waardoor er geen effectief behandelplan is opgesteld, de longontsteking zich verder kon ontwikkelen en een langdurig beademingstraject en IC-opname noodzakelijk was, waarbij haar moeder een tracheacanule kreeg en ten tijde van de indiening van de klacht nog steeds heeft.

4.              Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.              De beoordeling

5.1           Klaagster heeft ter zitting aangegeven de klacht te willen uitbreiden, maar dit is op grond van artikel 65c van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) slechts mogelijk tot uiterlijk twee weken voor de zitting. Het College moet dus uitgaan van de klacht zoals hiervoor onder 3 beschreven.

5.2           Voor het oordeel ‘ tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen’ is niet voldoende dat beklaagde beter had kunnen handelen. Het gaat erom of zij binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening is gebleven. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van haar handelen en met wat toen in haar beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Verder moet daarbij worden uitgegaan van de op het moment van handelen c.q. nalaten bij beklaagde bekende informatie. Kennis achteraf mag niet in de beoordeling worden betrokken, omdat beklaagde daarmee uiteraard bij het bepalen van haar beleid ook geen rekening heeft kunnen houden.

5.3           Het College heeft er begrip voor dat de ziekte en de opname van de moeder van klaagster zeer aangrijpend is geweest voor alle betrokkenen en dat de moeder daar nog steeds de gevolgen van ondervindt.

5.4           Wat betreft het verwijt van klaagster dat zij meerdere keren telefonisch bij beklaagde heeft aangedrongen op hulp voor haar moeder, maar dat beklaagde deze noodsignalen heeft genegeerd waardoor de diagnose longontsteking te laat is gesteld, overweegt het College als volgt.

Ter zitting heeft klaagster toegevoegd dat zij ook, als zij in de praktijk was, tegen de assistente heeft gezegd dat het heel slecht ging met haar moeder. Beklaagde heeft aangevoerd dat haar geen signalen van deze strekking hebben bereikt en ook betwist dat klaagster (naast de gesprekken op 21 en 25 november 2019) meerdere keren met deze reden de praktijk zou hebben gebeld. Niet alleen staan dergelijke telefoongesprekken niet in het dossier, ook de assistente heeft bij navraag door beklaagde ontkend dergelijke meldingen te hebben ontvangen.

Het College overweegt dat de weergave van de gang van zaken door klaagster en beklaagde dus niet overeenkomt. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Dat kan het College hier niet vaststellen.

5.5           Kern van de klacht is dat beklaagde de diagnose longontsteking heeft gemist. Volgens klaagster was het bij de combinatie van een lage saturatie, dikke voeten en verwardheid heel duidelijk dat sprake was van een longontsteking.

Nu is het stellen van een onjuiste diagnose niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit is alleen het geval als de wijze waarop beklaagde tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame huisarts mag worden verwacht.

Blijkens het dossier is op 21 november 2019 contact opgenomen met de praktijk van beklaagde. Daarop heeft beklaagde de urine en het bloed van de moeder laten onderzoeken en haar op 22 november 2019 thuis bezocht. Tijdens het huisbezoek heeft beklaagde de moeder lichamelijk onderzocht. Zij heeft daarover ter zitting verklaard dat de moeder alert was, een batterijtje voor de saturatiemeter ging halen en daarbij niet benauwd was. Er waren evenmin aanwijzingen dat zij in de war was. De bloedwaarden en het lichamelijk onderzoek leverden geen aanwijzingen op dat de moeder op dat moment al leed aan een longontsteking, aldus beklaagde. De saturatie was laag, maar vrijwel gelijk aan de saturatie die de moeder eerder in het ziekenhuis had. Dit was voor haar daarom geen alarmsignaal. Voor het enkeloedeem heeft beklaagde furosemide voorgeschreven. Zij is al lange tijd de huisarts van de moeder, die zij kent als ‘een beetje hulpmijdend’, aldus beklaagde. Een geplande jaarlijkse controle op 9 oktober 2019 was door de moeder afgezegd.

5.6           Het College overweegt dat beklaagde adequaat heeft gereageerd op het telefoontje van klaagster op 21 november 2019 door urine- en bloedonderzoek te doen en de moeder op 22 november 2019 thuis te bezoeken. Daarbij heeft zij blijkens het dossier de anamnese afgenomen en de moeder lichamelijk onderzocht. De infectiewaarden lieten op dat moment geen afwijkingen zien. Bij het telefoongesprek van 25 november 2019 zijn geen signalen genoemd die duidden op een longontsteking. Ook toen de moeder op 2 december 2019 door een waarnemend huisarts naar het ziekenhuis werd verwezen, werd daar blijkens het dossier niet meteen gedacht aan een longontsteking. Deze is pas vastgesteld na het maken van een CT-scan op 3 december 2019, welke scan werd gemaakt om een longembolie uit te sluiten. Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht dat beklaagde eerder de diagnose longontsteking had moeten stellen, ongegrond is.

5.7           Dat betekent dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet BIG. De klacht zal ongegrond worden verklaard.

6.         De beslissing

Het College verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, H.C. Baak, V.M. Schijf en B. Van Ek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.