Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:22 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.050

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:22
Datum uitspraak: 23-01-2020
Datum publicatie: 22-01-2020
Zaaknummer(s): c2019.050
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagsters zijn de zorgmoeder en gezaghebbende moeder van hun minderjarige zoon. Verweerder, gz-psycholoog, is de hoofdbehandelaar van de man die is veroordeeld tot onder andere een tbs-maatregel vanwege het seksueel misbruiken van de zoon. Verweerder heeft, in het kader van het bespreken van een locatieverbod tijdens verlof, de woonplaats van de zoon aan de tbs-gestelde bekend gemaakt. Klaagsters stellen dat verweerder aldus zijn beroepsgeheim en de privacy van de zoon heeft geschonden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagsters ingestelde beroep tegen die beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.050 van:

A. en B., respectievelijk wonende te C. en te D., appellanten, klaagsters in eerste aanleg, gemachtigde: mr. R. Korver,

tegen

E., gz-psycholoog, werkzaam te F., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. M. van Eeden.

1.                  Verloop van de procedure

A. en B. - hierna klaagsters - hebben op 21 december 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen E. - hierna de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 25 januari 2019, onder nummer 122/2018, heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagsters zijn van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De

gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Door klaagsters zijn nadien nog enkele producties in het geding gebracht.  

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 januari 2020, waar zijn verschenen klaagsters, bijgestaan door

mr. C.M. Bijl, kantoorgenoot van mr. R. Korver, en de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. M. van Eeden. De zaak is over en weer bepleit. Mr. Bijl heeft dat gedaan aan de hand van pleitaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2.                  Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“ 2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagsters zijn respectievelijk de zorgmoeder en de gezagdragende moeder van G.. Sinds 2013 woont G. bij zorgouders. Verweerder is werkzaam in de H.-kliniek. Hij is de hoofdbehandelaar van I., verder de tbs-gestelde te noemen. De tbs-gestelde is veroordeeld voor het seksueel misbruiken van G. tot een gevangenisstraf en een tbs-maatregel.

In het kader van transmuraal verlof van de tbs-gestelde heeft verweerder op basis van informatie van de Verlofunit en het informatiepunt detentieverloop (IDV) met hem besproken dat aan de locatiebeperking de regio C. kon worden toegevoegd. Volgens het IDV was het verstrekken van deze informatie door de slachtoffers gewenst. De woonplaats van G. is op deze manier bekend geworden bij de tbs-gestelde.

Achteraf is verweerder er via slachtofferhulp achter gekomen dat de door hem verstrekte informatie niet in overeenstemming was met de wensen van klaagsters. De kliniek heeft op 8 juni 2017 ook een klacht ontvangen van klaagsters. In het kader van de behandeling van deze klacht heeft een gesprek met klaagsters plaatsgevonden op

25 september 2017. Bij dit gesprek was verweerder ook aanwezig. Van dit gesprek is een verslag gemaakt en bij brief van 27 september 2017 is dit verslag aan de advocaat van klaagsters gestuurd. In de klachtprocedure heeft de kliniek aangegeven dat in retrospectief betreurd wordt dat de naam C. is genoemd. Vanuit het perspectief van de opdracht had ook een ruimer gebiedsverbod kunnen volstaan. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een verwijtbare fout aan de zijde van de kliniek maar dat de kliniek wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van zorgvuldige communicatie met de slachtoffers. Er werd een gesprek aangeboden met de maatschappelijk werker om nadere invulling aan de gemaakte afspraken te geven en daarmee werd de klacht als afgehandeld beschouwd.

Naar aanleiding van het gesprek tussen klaagsters en de maatschappelijk werker hebben klaagsters op 19 januari 2018 een e-mail gestuurd aan de Dienst Justitiële Inrichtingen waarin ze hun beklag hebben gedaan over de gang van zaken met betrekking tot hun klacht tegen de kliniek. Bij brief van 15 februari 2018 is er gereageerd op de klachten. Geconcludeerd wordt dat de klacht gegrond wordt verklaard voor zover het betreft het delen met de tbs-gestelde van de informatie van de specifieke woonplaats van het slachtoffer. Hiervoor worden excuses aangeboden.  

3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTERS EN DE KLACHT

Klaagsters verwijten verweerder -zakelijk weergegeven- dat verweerder de woonplek van G., als slachtoffer van ernstig seksueel misbruik, kenbaar heeft gemaakt aan de dader. Hij heeft hiermee zijn beroepsgeheim en de privacy van G. geschonden en niet gehandeld zoals redelijkerwijs van hem verwacht had mogen worden.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat klaagsters niet-ontvankelijk zijn in hun klacht. Verweerder heeft gegevens verstrekt aan de tbs-gestelde waarvan hij meende (en had doorgekregen) dat de tbs-gestelde van deze gegevens op de hoogte diende te zijn. Dat is geen situatie waarvoor de tweede tuchtnorm is geschreven.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat hem van zijn handelen geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat de klacht als ongegrond dient te worden afgewezen. Van het schenden van beroepsgeheim kan in deze situatie geen sprake zijn. Verweerder heeft immers richting klaagsters geen beroepsgeheim. De informatie die verweerder heeft gekregen is geen informatie die onder de reikwijdte van het beroepsgeheim valt. Het beroepsgeheim van verweerder geldt alleen in zijn behandelrelatie met de tbs-gestelde. Alleen al op dit punt dient de klacht ongegrond te worden verklaard.

Verweerder betreurt het dat de informatie die hij kreeg en die hij met de tbs-gestelde moest bespreken, kennelijk niet de informatie was die klaagsters hebben doorgegeven aan de Verlofunit en dat verweerder daardoor informatie met de tbs-gestelde heeft gedeeld die niet conform de wens van klaagsters was. Verweerder meent dat hem hier geen tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt, althans dat zijn handelen geen tuchtrechtelijke maatregel rechtvaardigt. Verweerder staat immers niet in rechtstreeks contact met de slachtoffers en de naasten van de tbs-gestelde. Hij mocht erop vertrouwen dat de informatie die hij doorkrijgt om met de tbs-gestelde te bespreken juist is.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht overweegt het college het volgende.

De tuchtnormen zoals neergelegd in de artikel 47 Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar ten opzichte van de patiënt in acht moet nemen (de eerste tuchtnorm), maar ook enig handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Ook dit laatste handelen kan tuchtrechtelijk worden getoetst, mits het handelen voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Naar het oordeel van het college is voldoende aannemelijk geworden dat G. en klaagsters door het handelen van verweerder zijn geraakt, in die zin dat G. zich minder veilig heeft gevoeld in zijn woonplaats C., dat zijn moeder meer zorgen heeft gehad over de veiligheid van G. en dat de zorgmoeder, die tevens de zorg heeft over een aantal andere kinderen die bij haar in C. wonen, meer zorgen heeft gehad over de veiligheid van deze kinderen. In die zin is er sprake van weerslag op de individuele gezondheidszorg, zodat het handelen van verweerder kan worden getoetst aan de tweede tuchtnorm.

5.2

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.3

Klaagsters hebben in de eerste plaats gesteld dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de woonplaats van G. kenbaar te maken aan de tbs-gestelde. Het college deelt die mening niet. De geheimhoudingsplicht ziet op informatie die een behandelaar krijgt in de uitoefening van zijn beroep en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen. De informatie over de woonplaats van G. valt daar in dit geval niet onder omdat het juist de taak van verweerder is om een locatiebeperking voor de tbs-gestelde aan te geven. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

5.4

Klaagsters klagen verder dat verweerder de privacy van G. heeft geschonden en niet heeft gehandeld zoals redelijkerwijs van hem had mogen worden verwacht. Hoewel het college begrijpt dat het voor klaagsters en G. bijzonder onprettig is dat de woonplaats van G. bekend is gemaakt aan de tbs-gestelde, is naar zijn oordeel geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Op grond van de stukken kan niet worden vastgesteld dat verweerder wist of kon weten dat de woonplaats niet bekend mocht worden gemaakt. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat hij juist meende dat de tbs-gestelde hiervan op de hoogte moest worden gebracht in het kader van zijn transmuraal verlof. Klaagsters menen dat de zorgplicht van verweerder zover gaat dat hij, ook als hij van de Verlofunit en het IDV te horen krijgt dat hij een woonplaats bekend moet maken aan een tbs-gestelde, zelf moet nadenken over de vraag of het noemen van die woonplaats verantwoord is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij dit sinds de onderhavige kwestie inderdaad doet in voorkomende gevallen, waarbij hij met name checkt of het genoemde gebied niet te klein is. Dat verweerder zijn handelwijze heeft aangepast is naar het oordeel van het college positief te waarderen, maar leidt niet tot de conclusie dat hij met zijn vroegere handelwijze de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden. Gelet op de verdeling van de verantwoordelijkheden ten tijde van het bekend maken van de woonplaats van G. aan de tbs-gestelde, mocht verweerder afgaan op hetgeen hem door de Verlofunit en het IDV was meegedeeld. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

5.5.

Gevraagd naar hetgeen klaagsters met de tuchtrechtelijke procedure hopen te bereiken hebben zij aangegeven dat zij willen voorkomen dat zoiets nog een keer gebeurd en dat verantwoordelijkheid genomen wordt voor de gemaakte fouten. In dat verband merkt het college op dat zowel vanuit de kliniek als vanuit verweerder erkend is dat achteraf bezien de woonplaats van G. niet had moeten worden genoemd, dat verweerder meermalen excuses heeft aangeboden voor het feit dat dit is gebeurd en dat zowel de kliniek als verweerder hun werkwijze hebben aangepast. Dat er geen bereidheid is verantwoordelijkheid te nemen voor het gebeurde, herkent het college dan ook niet.”

3.                  Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.                  Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de gz-psycholoog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 januari 2020 is dat debat voortgezet.

4.2              In beroep hebben klaagsters hun klacht herhaald en nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en dat ter zake daarvan aan de gz-psycholoog een maatregel wordt opgelegd.  

4.3       De gz-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klagers in het beroep dan wel verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.4       Zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen en overigens ook niet door de gz-psycholoog in beroep is bestreden, wordt het de gz-psycholoog verweten handelen bestreken door de tweede tuchtnorm zoals geformuleerd in artikel 47, tweede lid, van de Wet BIG (“handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”). In overeenstemming met de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege op dit punt acht ook het Centraal Tuchtcollege klaagsters ontvankelijk in hun klacht en gaat het over tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.

4.5       Klaagsters hebben in de eerste plaats gesteld dat de gz-psycholoog zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de woonplaats van G. bekend te maken aan de tbs-gestelde. Het Centraal Tuchtcollege volgt klaagsters niet in dit standpunt. De geheimhoudingsplicht ziet op informatie die een behandelaar krijgt over een patiënt met wie hij een behandelrelatie heeft. De informatie over de woonplaats van G. valt daar niet onder. Er bestond immers geen behandelrelatie tussen G. en de gz-psycholoog. Reeds om deze reden is dit onderdeel van de klacht ongegrond.

4.6       Klaagsters stellen voorts dat de gz-psycholoog de privacy van G. heeft geschonden en niet heeft gehandeld zoals redelijkerwijs van hem had mogen worden verwacht. Hoewel het Centraal Tuchtcollege begrijpt dat het voor klaagsters en G. bijzonder onprettig is dat de woonplaats van G. bekend is gemaakt aan de tbs-gestelde, is naar zijn oordeel geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Op grond van de stukken kan niet worden vastgesteld dat de gz-psycholoog wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de woonplaats niet bekend mocht worden gemaakt. Ter zitting in beroep heeft de gz-psycholoog toegelicht dat hij van de Verlofunit telefonisch het verzoek had gekregen om met spoed met de tbs-gestelde het bijgestelde locatieverbod – welke inhield toevoeging van de regio C., de woonplaats van G. – te bespreken, waarbij werd opgemerkt dat hierover was overlegd met het IDV. Dat deze toelichting niet juist is, is niet aannemelijk geworden. De gz-psycholoog heeft op dit verzoek af kunnen gaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit moet worden afgeleid dat de gz-psycholoog op dat moment wist dat de woonplaats van G. niet mocht worden gedeeld met de tbs-gestelde. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege verder van oordeel dat de zorgplicht van de gz-psycholoog niet zover reikt dat hij, ook als hij van de Verlofunit te horen krijgt dat hij een woonplaats bekend moet maken aan een tbs-gestelde, zelf moet nadenken over de vraag of het noemen van die woonplaats verantwoord is. De gz-psycholoog heeft te kennen gegeven dat hij dit sinds de onderhavige kwestie inderdaad doet in voorkomende gevallen, waarbij hij met name nagaat of het genoemde gebied in een locatieverbod niet te klein is. Dat de gz-psycholoog zijn handelwijze heeft aangepast is, zoals ook het Regionaal Tuchtcollege heeft opgemerkt, naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege positief te waarderen, maar leidt niet tot de conclusie dat hij met zijn vroegere handelwijze de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden. Gelet op de verdeling van de verantwoordelijkheden ten tijde van het bekend maken van de woonplaats van G. aan de tbs-gestelde, mocht verweerder afgaan op hetgeen hem door de Verlofunit – die overleg had gehad met het IDV – was meegedeeld. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

4.7       Alles afwegende kan het Centraal Tuchtcollege zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, zij het deels op andere gronden. Dit betekent dat het door klaagsters ingestelde beroep wordt verworpen.

5.                  Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; B.J.M. Frederiks en

A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en E.D. Berkvens en R.M.H. Schmitz, leden-beroepsgenoten en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 23 januari 2020.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.