Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2019:137
Datum uitspraak:
11-11-2019
Datum publicatie:
11-11-2019
Zaaknummer(s):
093/2019
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen een huisarts die een corpus alienum (metaalsplinter) en roestring heeft verwijderd uit het oog van een patiënt. De huisarts hoefde in dit geval geen reden te zien voor verwijzing naar de oogarts. De huisarts heeft verder conform de toepasselijke richtlijn (NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma) gehandeld. Het college acht de klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 11 november 2019 naar aanleiding van de op 1 mei 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A, wonende te B,

 

k l a g e r

 

 

-tegen-

 

 

C, huisarts, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. M.H.M. Mook, ARAG SE te Leusden,

 

b e k l a a g d e

 

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlage.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 1 oktober 2019, waar zijn verschenen beklaagde en zijn gemachtigde, mr. M.H.M. Mook. Klager is met bericht vooraf niet verschenen.

 Ter zitting is ook een klacht behandeld van klager tegen een collega van beklaagde (094/2019). In beide zaken wordt tegelijkertijd uitspraak gedaan.

 

 

 



 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

 

Op 1 april 2019 heeft klager tijdens slijpwerkzaamheden metaalsplinters in zijn linkeroog gekregen. Op 4 april 2019 is hij naar zijn huisarts gegaan, waar hij door beklaagde is gezien. In het medisch dossier is daarover het volgende genoteerd:

“S. (…) Op werk 3 dagen geleden metaalsplinter in linker oog gekregen. Geprobeerd zelf te verwijderen, maar is niet gelukt. Oog is rood en pijnlijk, gevoelig voor licht, continu tranen. Zicht was al minder voordat hij metaal in oog kreeg, nu mogelijk nog wat waziger door het steeds tranen.

O. Diffuse roodheid van het linker oog, metaalsplinter zichtbaar met kleine roestring mediaal van de pupil.

E. F 76.00 (Corpus alienum oog).

P. Oog verdoofd, metaalsplinter verwijderd met nat wattenstaafje, met oogboortje roestring verwijderd. Chlooramfenicol oogverband voor 24 uur, morgen herbeoordelen.

(…) Chlooramfenicol Oogzalf 10mg/G Tube 5 g”.

 

Op 5 april 2019 is klager voor controle gezien door een collega-huisarts. In het medisch dossier is daarover het volgende genoteerd:

“S. c oog.

O. nog rood.

E. nog rest metaal erin. F 76.00 (Corpus alienum oog)

P. weer uitgefreesd, kwam nog wel metaal uit”.

 

Omdat de klachten aanhielden, is klager op zondag 7 april 2019 naar de huisartsenpost gegaan. De dienstdoende huisarts constateerde minimale roodheid en een defect van ongeveer 1 mm met een iets wittere ring eromheen, zonder aankleuring zichtbaar, geen roestring. Hij vermoedde een beginnende ulcus en startte in overleg met een oogarts van D trafloxal oogdruppels 3 mg/ml en zalf voor de nacht, met de afspraak dat de volgende dag een herbeoordeling zou plaatsvinden in het oogziekenhuis. De oogarts heeft bij volgende onderzoeken geconstateerd dat sprake is van een centraal litteken in de cornea. Hierdoor bestaat de kans dat er suboptimaal zicht overblijft.

 

 



 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

 

Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat hij schade aan het linkeroog van klager heeft veroorzaakt. Klager weet niet zeker welke huisarts de schade aan zijn oog heeft veroorzaakt, maar hij vermoedt dat dit de tweede huisarts is geweest die hem op

5 april 2019 heeft gezien. Dit omdat er na dit bezoek een wond in zijn oog bleek te zijn en de wond in het journaal dat is opgesteld door deze huisarts niet is vermeld. Klager stelt dat wanneer hij direct was doorverwezen en de huisarts niet zelf had geprobeerd te behandelen, hij de schade aan zijn oog waarschijnlijk niet had gehad.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

 

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven – aan niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Beklaagde stelt gehandeld te hebben conform de NHG-Standaard M 57 Rood oog en oogtrauma. Tijdens het consult waren er geen alarmsymptomen of andere indicaties voor het verwijzen naar de oogarts. Beklaagde voert deze behandeling regelmatig uit.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1 

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.2

Uit de stukken blijkt dat klager bij beklaagde op het spreekuur kwam omdat hij enkele dagen eerder tijdens slijpwerkzaamheden een metaalsplinter in zijn oog had gekregen en hij daar last van hield. Blijkens de aantekeningen in het medisch dossier heeft beklaagde uitgevraagd wat er precies was gebeurd en wat de specifieke klachten waren. Bij onderzoek heeft hij geconstateerd dat het linkeroog van klager rood was en dat er een metaalsplinter zichtbaar was met een kleine roestring mediaal van de pupil. Zoals beklaagde heeft toegelicht, was het grootste deel van de metaalsplinter eenvoudig met een nat wattenstaafje te verwijderen. Vervolgens heeft hij met een oogboortje de aanwezige roestring verwijderd. Volgens beklaagde waren er daarna geen roest- en metaalresten meer zichtbaar. Hij heeft een oogverband met chlooramfenicol aangebracht en het advies gegeven om de volgende dag terug te komen voor herbeoordeling, omdat er soms minuscule roetdeeltjes kunnen achterblijven die een nieuwe roestring kunnen veroorzaken. Bij de verdere gang van zaken is beklaagde niet betrokken geweest.

5.3

Het college heeft geen reden om aan de juistheid van de beschreven gang van zaken te twijfelen. Het ziet op basis daarvan geen grond voor het oordeel dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. De toepasselijke richtlijn (NHG-standaard Rood oog en oogtrauma M57, december 2017) schrijft als beleid bij een traumatische oogaandoening door een corpus alienum, zoals hier aan de orde was, onder meer het volgende voor:

-     verwijder een oppervlakkig corpus alienum onder lokale verdoving met een wattenstokje, gutsje of frees;

-     verwijder roestringen bij voorkeur volledig in één behandelsessie met een frees;

-     controleer na verwijderen van een roestring na een dag en na verwijderen van een corpus alienum als de klachten na twee dagen niet verdwenen zijn;

-     instrueer de patiënt om terug te komen als de klachten verergeren en direct contact op te nemen bij alarmsymptomen, en wrijven in het oog te vermijden.

Verwijzing naar een oogarts is voorgeschreven, onder meer bij een corpus alienum dat niet verwijderd kan worden en na verwijdering van een corpus alienum of een roestring bij verergering van de klachten, het ontstaan van alarmsymptomen of een infectie en/of niet genezen na drie dagen.

Het college kan volgen dat beklaagde geen alarmsymptomen of een andere indicatie voor verwijzing naar de oogarts aanwezig achtte. Beklaagde heeft dan ook conform de richtlijn gehandeld door zelf de aangewezen behandeling te doen. Mede gelet op zijn verklaring ter zitting dat hij deze behandeling regelmatig uitvoert, kon hij zich daartoe ook zonder meer bekwaam achten. Er zijn verder geen aanwij­zingen dat beklaagde de behandeling niet volgens de regels der kunst heeft uitgevoerd. Zijn advies aan klager om de volgende dag terug te komen voor controle, was ook zorgvuldig.

5.4

De conclusie is dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is dus ongegrond.

 

 

6.   DE BESLISSING

 

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, A.M. Koene, lid-jurist, M.D. Klein Leugemors, R.J. Wolters en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

E.C.M. Thoonen, secretaris.

                                                                                                  

 

 

 

                                                                                                                voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.    Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.    Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.



c.    Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens