Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:189
Datum uitspraak:
29-10-2019
Datum publicatie:
29-10-2019
Zaaknummer(s):
2019-067b
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De aangeboden medicatie is juist in lijn met het rapport van de second opinion. Geen aanwijzingen voor dwangmedicatie. Op het moment dat kenbaar werd dat klager deze medicatie niet wilde (bij indiening van onderhavige klacht) is het aanbieden van de medicatie gestopt. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

verblijvende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, psychiater,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. P.A. de Zeeuw, werkzaam te  Amsterdam.

 

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2019;

-      het verweerschrift met bijlagen;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 13 juni 2019.

 

1.1             Het College heeft de klacht op 17 september 2019 in raadkamer behandeld.

 

2.                 De feiten



2.1             Klager, geboren in 1987, verblijft sinds juli 2018 in E (hierna: het E). Beklaagde is hier werkzaam als psychiater. Hij is bij de behandeling van klager betrokken als behandelend psychiater. 



2.2             In het kader van een zorgvuldige voorzetting van de behandeling van klager in het E is in het F (hierna: het F) een second opinion uitgevoerd. Klager verbleef in het F van […] 2018 tot […] 2019 gedurende zeven weken. Hier werd klager onderzocht door een multidisciplinair team bestaande uit een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider.  Naar aanleiding van deze second opinion is een D Rapportage opgemaakt. In de rapportage is het psychologisch -, psychiatrisch -, milieuonderzoek en de groepsobservatie uiteengezet. Ten aanzien van de voor de behandeling geïndiceerde medicatie voor klager is het volgende genoteerd:

“3.       Is er een indicatie voor medicatie?

Tijdens de opname in het F is tijd besteed aan uitleg over medicatie, over werking en bijwerkingen. Betrokkene associeerde antipsychotische medicatie met psychose, iets waar hij zichzelf niet in herkende. Hem is veel psychoeducatie gegeven over antipsychotica, dwangmedicatie en vrijwillig medicatie nemen. Wanneer betrokkene iets opgelegd krijgt, en wanneer hij onzekerheden ervaart, reageert hij met in de contramine gaan en zegt hij nee. Dit is precies het beschreven ontwikkelingsniveau van een beginnende ego-ontwikkeling met autoriteitsproblemen. Het zou dus op langere termijn contraproductief zijn om betrokkene onder dwang medicatie te geven. Dit is veel te bedreigend. Een lage dosering antipsychotische medicatie is wel geïndiceerd, niet om een psychose in engere zin te behandelen, maar wel om betrokkene waarschijnlijk milder te stemmen voor vervolgstappen in de begeleiding en resocialisatie te versnellen. Gezien de onderliggende dynamiek is het van belang medicatie te blijven uitleggen.”

 

2.3             Op 22 februari 2019 vond een zorgconferentie plaats, waarbij in aanwezigheid van klager door beklaagde en andere betrokkenen de bevindingen uit de second opinion en de zorgverlening aan klager is besproken. Beklaagde heeft deze zorgconferentie bijgewoond in de hoedanigheid van psychiater en van G.

 

2.4             Na de zorgconferentie is aan klager Zyprexa voorgeschreven. Na ontvangst van onderhavige tuchtklacht bij de afdeling van klager, is het aanbieden van Zyprexa gestaakt.

 

 

 

3.                 De klacht



Klager verwijt de beklaagde – zakelijk weergegeven – dat hij in afwijking van de rapportage van het F weigert de dwangmedicatie in de vorm van Zyprexa te staken. Klager stelt dat hij na de second opinion meermalen, ook aan beklaagde, heeft verklaard geen Zyprexa meer te willen. Desondanks bleef men de Zyprexa aan klager aanbieden.

Klager verwijt beklaagde ook dat hij ten onrechte klager beticht van ernstige dingen zoals psychose, autisme en ADHD.

 

4.                 Het standpunt van beklaagde

 

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                 De beoordeling



5.1               Klager is in het F door verschillende disciplines onderzocht in het kader van een second opinion. Uit het F rapport blijkt dat dwangmedicatie op langere termijn als contraproductief wordt beschouwd, maar dat antipsychotica in een lage dosering wel is geïndiceerd. Het College stelt voorop dat de aangeboden Zyprexa geen vorm van dwangmedicatie is; de medicatie is aan klager aangeboden, maar niet onder dwang toegediend. De aangeboden Zyprexa is een antipsychoticum, dat naar aanleiding van het rapport van het F is voorgeschreven. Het College acht de aangeboden Zyprexa juist in lijn met de conclusie in het rapport van het F. Het College ziet ook geen aanwijzingen dat er wel sprake is van dwangmedicatie. Op het moment dat kenbaar werd dat klager geen Zyprexa wilde (bij indiening van onderhavige klacht) is het aanbieden van Zyprexa gestopt. Het College kan niet vaststellen dat klager dit al eerder aan beklaagde kenbaar heeft gemaakt. Het verwijt dat beklaagde heeft geweigerd de dwangmedicatie te staken houdt om bovengenoemde redenen geen stand. De klacht is ongegrond.

 

5.2             Beklaagde heeft betwist dat hij klager heeft beticht van zaken als psychose, autisme en ADHD. Klager heeft dit verwijt niet onderbouwd en het volgt ook niet uit de bijlagen bij zijn klaagschrift. Het College acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

 

5.3             Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard.



6.                 De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

 

Deze beslissing is gegeven op 29 oktober 2019, door  M.M. ‘t Nedereind,  voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, M. Bezemer, H.N. Koetsier, G.J. Dogterom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.      Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.      Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens