Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2019:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-347

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2019:106
Datum uitspraak: 09-07-2019
Datum publicatie: 09-07-2019
Zaaknummer(s): 2018-347
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een huisarts. De klacht over het afsprakenbeleid heeft klager onvoldoende onderbouwd. De klacht over het niet optreden van beklaagde tegen het ongevraagd binnenlopen van de assistente tijdens het consult is deels gegrond. Consulten tussen arts en patiënt dienen vertrouwelijk te zijn, een patiënt moet zich veilig kunnen voelen, een consult moet ongestoord lopen en interrupties moeten in beginsel achterwege blijven. In het geval dat de assistente kwam zeggen dat het consult uitliep, overweegt het College dat de vertrouwelijkheid niet is geschonden. In het andere geval, toen de assistente klager tijdens het consult met de huisarts ergens op aansprak, acht het College de vertrouwelijkheid wel geschonden. De assistente bemoeide zich inhoudelijk met het gesprek en ging er zelfs aan deelnemen. De huisarts had de assistente hierop moeten aanspreken. Waarschuwing.

Datum uitspraak: 9 juli 2019

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , arts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift, ontvangen op 27 december 2018;

-          het verweerschrift;

-          de brief van klager, gedateerd 8 maart 2019, ontvangen op 12 maart 2019;

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 maart 2019, met als bijlage een brief van klager, gedateerd 29 maart 2019, ontvangen op 1 april 2019;

-          de brief van klager, gedateerd 21 maart 2019, ontvangen op 22 maart 2019;

-          de brief van beklaagde, gedateerd 31 maart 2019, ontvangen op 2 april 2019;

-          de brief van klager, gedateerd 11 april 2019, ontvangen op 12 april 2019;

-          de brief van beklaagde, gedateerd 11 mei 2019, ontvangen op 14 mei 2019.

1.2              De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.

De partijen, beklaagde bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.                  De feiten

Klager is ingeschreven geweest in de huisartsenpraktijk van beklaagde. Op 12 december 2018 is hij voor het laatst op consult geweest bij beklaagde. Hierna heeft hij zich laten uitschrijven uit de praktijk en zich laten inschrijven bij een andere huisarts.

3.                  De klacht

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij een langdurig foutief optreden van de praktijkassistente niet corrigeert en/of in goede banen leidt. Hierdoor is een situatie ontstaan die klager medisch-tuchtrechtelijk onacceptabel vindt. Nu correctie niet heeft plaatsgevonden tijdens de gesprekken waarin klager zijn klacht besprak met de assistente en beklaagde, is volgens klager het contact onherstelbaar beschadigd.

Klager beklaagt zich er ook over dat de administratie van beklaagde vaak niet op orde was.

Klager vindt een schadevergoeding van € 500,-- op zijn plaats.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager en subsidiair de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1              Klager heeft zijn klacht nader geconcretiseerd in die zin dat hij het afsprakenbeleid van de praktijkassistente onjuist acht, net als het ongevraagd binnenlopen door haar tijdens consulten die hij had bij beklaagde. Hij vindt dat beklaagde haar hierop had moeten aanspreken. Klager heeft zijn klacht over de administratie van beklaagde na de betwisting door beklaagde hiervan niet nader aan de orde gesteld. Ter zitting heeft hij bevestigd dat zijn klacht over de hiervoor genoemde twee onderdelen gaat. Het College gaat er daarom vanuit dat klager de klacht over de administratie heeft laten varen en het zal die niet verder bespreken. De opmerking dat klager een schadevergoeding gepast vindt, vat het College op als een verzoek tot het toekennen van schadevergoeding. Wat betreft dit verzoek is klager ter zitting uitgelegd dat het College op dit gebied geen bevoegdheden heeft. Klager zal dan ook in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.

het afsprakenbeleid

5.2              Klager beklaagt zich erover dat hij, als hij belde voor een consult, dat niet kreeg van de praktijkassistente. Hij heeft driekwart jaar lang geen afspraak gekregen. Hij moest maar op het telefonische spreekuur bellen of op maandag terugbellen, want dan pas ging de agenda voor de komende week open. Als hij dan belde werd hij toch weer verwezen naar het telefonische spreekuur. Hij heeft zich hierdoor tweemaal genoodzaakt gevoeld zonder afspraak naar de praktijk te gaan om toch een consult te krijgen. Klager heeft een lijst overgelegd van momenten in 2018 waarop hij een consult had willen hebben met daarbij vermeld wat er vervolgens feitelijk gebeurd is.

5.3              Beklaagde betwist de lezing van klager. Er is geen sprake van dat klager ‘geen afspraak kreeg’. De langste periode in 2018 dat klager niet op consult is geweest bedroeg zeven maanden, en beklaagde weet niet van een moment waarop klager wel een consult wilde, maar dat niet kreeg. Het kan zijn dat sommige vragen van patiënten zich beter lenen voor het telefonische spreekuur, maar dat heeft niets te maken met ‘geen afspraak krijgen’. Wat betreft het ‘weer opengaan van de agenda’ merkt beklaagde op dat dit alleen in december 2018 is voorgekomen, toen het erg druk was in de praktijk. In die maand is klager eenmaal op consult geweest, op woensdag 12 december. Klager had op woensdag 5 december gebeld voor het maken van een (dubbele) afspraak. Toen is hem inderdaad gevraagd de maandag erop terug te bellen, omdat de assistente op die woensdag nog niet kon beoordelen hoe de agenda er de week erop uit zou zien. Hij is die maandag niet doorverwezen naar het telefonische spreekuur, maar er is een dubbele afspraak met hem ingepland op woensdag 12 december 2018 om 14.00 uur, omdat de aangeboden consulten op maandag en dinsdag klager niet uitkwamen.

Het klopt volgens beklaagde dat klager tweemaal zonder afspraak naar de praktijk is gekomen en toen een consult heeft gekregen. Beklaagde is er niet mee bekend dat hieraan weigeringen voor een consult vooraf zouden zijn gegaan en desgevraagd heeft zijn assistente hem verteld zich ook geen telefoontjes van klager op dat punt te kunnen herinneren, aldus nog steeds beklaagde.

5.4              Klager heeft in reactie hierop zijn klachten herhaald, maar niet expliciet gemaakt wanneer hem een consult zou zijn geweigerd. Ter zitting heeft hij desgevraagd verteld dat het maken van afspraken ergens in 2017 moeizaam begon te worden. Hij heeft toen min of meer de moed opgegeven en heeft ook elders, bij verschillende specialisten, medische begeleiding gekregen. Concreet heeft hij geen moment kunnen aanwijzen, noch in de overgelegde lijst over 2018, noch ergens in 2017, waarop van een geweigerd consult sprake zou zijn geweest. Evenmin heeft hij andere periodes dan de betreffende week in december 2018 genoemd waarin hij werd verwezen naar de week erop voor het maken van een afspraak. Ook is niet gebleken dat hij die keer door de gang van zaken op enige wijze is benadeeld. Hij kreeg toen de afspraak die hij graag wilde op een tijdstip dat hem goed uitkwam, een week na zijn eerste telefoontje. Nu niet is gebleken is dat er op 5 december 2018 sprake was van enige spoed, acht het College de klacht over het afsprakenbeleid hiermee onvoldoende feitelijk onderbouwd en dit klachtonderdeel zal dan ook ongegrond worden verklaard.

het (niet optreden van beklaagde tegen het) ongevraagd binnenlopen van de assistente

5.5              Klager heeft verder gesteld dat tijdens één van de consulten met beklaagde de assistente plotsklaps binnenviel met de mededeling dat het consult te lang duurde. Later, tijdens het consult op 12 december 2018, liep zij weer zomaar binnen, mengde zich in het gesprek dat klager op dat moment met beklaagde had en begon een gesprek met klager over de gemaakte consultafspraak. Klager heeft het als zeer onplezierig ervaren dat de assistente binnenviel in vertrouwelijke consulten die hij had met beklaagde. Gezien het moment waarop zij binnenliep op 12 december 2018, te weten toen klager over het afsprakenbeleid begon, heeft hij het idee dat zij (mogelijk al jarenlang) meeluistert met de consulten. Klager heeft die dag tegen de assistente gezegd dat zij niet zomaar kon binnenvallen en daarna is ze weggegaan. Klager heeft toen tegen beklaagde gezegd dat hij hem adviseerde een andere assistente te zoeken. Die opmerking werd door beklaagde niet gewaardeerd.

Klager vindt deze hele gang van zaken medisch onethisch en is overgestapt naar een andere huisarts.

5.6              Beklaagde heeft niet betwist dat de assistente de twee door klager beschreven keren tijdens een consult is binnengelopen, maar hij heeft de omstandigheden waaronder dit gebeurde nader toegelicht. Ten aanzien van het eerste incident waar klager het over heeft, merkt beklaagde op dat, als het spreekuur te veel uitloopt, de assistente hem er wel eens aan komt herinneren dat er bijvoorbeeld nog tijd moet zijn voor een volgende patiënt. Zij klopt dan altijd eerst aan de deur, opent deze en blijft daarbij staan in haar eigen aangrenzende assistentenkamer. Er is dus geen sprake van ‘plotsklaps binnenvallen’.

5.7              Het tweede incident betreft het hiervoor genoemde consult op 12 december 2018, waarvoor klager op woensdag 5 december 2018 had gebeld en de assistente hem had gevraagd maandag terug te bellen. Beklaagde stelt dat de assistente vervolgens klager twee dagen later, op vrijdag, op eigen initiatief heeft gebeld om de afspraak toch eerder te maken. Klager nam toen niet op en de assistente heeft op zijn voicemail een bericht ingesproken. Op maandag 10 december 2018 belde klager en toen is de bewuste afspraak voor 12 december 2018 gemaakt. Ter gelegenheid van dat consult heeft de assistente aan klager willen uitleggen dat zij nog haar best had gedaan op vrijdag 7 december 2018 een afspraak met hem te maken. Dat was de reden dat zij die dag (zoals altijd: na aankloppen) de deur opendeed en klager aansprak. De assistente heeft klager hiermee willen tegemoetkomen. Zijn reactie hierop vond beklaagde niet vriendelijk en niet terecht. Het advies van klager aan beklaagde dat hij een andere assistente moest zoeken, vond beklaagde ongepast en onheus. Hij heeft daarbij iets gezegd met de strekking van ‘dit kunt u niet zeggen, u gaat nu te ver’. Het consult is daarna normaal verlopen. Het incident zou wat beklaagde betreft niet aan een verdere behandelrelatie en een goede zorgverlening in de weg hoeven staan. Beklaagde is bereid, als klager dit wenst, hierover met hem in gesprek te gaan.

5.8              Ter zitting heeft beklaagde op vragen uitgelegd dat er zich tussen zijn praktijkruimte en die van zijn assistente een dubbele deur bevindt, met geluidsisolatie. Beklaagde heeft zelf nog nooit geluiden meegekregen van wat zich aan haar kant van de deur afspeelt. Dat zij op 12 december 2018 klager wel heeft horen praten bij beklaagde in de spreekkamer zal samenhangen met het feit dat klager luid en met hoge stem sprak. Beklaagde was eerst ook verbaasd toen de assistente het consult interrumpeerde, maar toen hij begreep waarom ze dat deed heeft hij haar de gelegenheid gelaten om die uitleg te geven. Hij stelde het zelfs op prijs dat de kwestie zo werd opgehelderd, aangezien hij van klager een eenzijdige, en naar nu bleek onjuiste lezing had gekregen van het voorgevallene. Beklaagde zag dus geen reden haar te corrigeren, ook niet nadat klager te kennen gaf de onderbreking niet te waarderen. Hij zou in een toekomstige soortgelijke situatie op gelijke wijze handelen.

5.9              Het College stelt voorop dat consulten tussen arts en patiënt te allen tijde vertrouwelijk dienen te zijn. Een patiënt moet zich veilig kunnen voelen om alles aan de orde te stellen zonder dat derden daarvan vernemen, laat staan daaraan deelnemen. Dit betekent dat een consult ongestoord moet verlopen en dat interrupties in beginsel achterwege moeten blijven. Wat betreft het door partijen beschreven geval waarin de assistente kwam zeggen dat het consult uitliep, overweegt het College dat bedoelde vertrouwelijkheid hierdoor niet is geschonden. Beklaagde heeft kennelijk met zijn assistente afgesproken dat zij hierin de rol heeft dat zij, zonodig, beklaagde op eventuele uitloop attendeert.

Een fysieke interruptie kan echter onaangenaam zijn voor een patiënt. Dat geldt te meer nu beklaagde niet heeft aangevoerd dat de assistente, als zij op de deur klopt, wacht tot hij zegt dat zij binnen kan komen. In zoverre is de ervaring van klager dat zij komt binnenvallen begrijpelijk. Nu echter niet is gebleken dat er in dit consult enige bemoeienis is geweest van de assistente met hetgeen inhoudelijk werd besproken, is naar het oordeel van het College geen sprake van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Wel kan beklaagde beter met zijn assistente afspreken dat zij hem belt of de telefoon een of twee keer laat overgaan om hem op uitloop attent te maken.

5.10          In het andere geval, op 12 december 2018, toen de assistente klager aansprak over de toedracht ten aanzien van het maken van de afspraak, is naar het oordeel van het College wel sprake van een schending van de vertrouwelijkheid. Op dat moment bemoeide de assistente zich inhoudelijk met het gesprek tussen beklaagde en klager en ging hieraan zelfs deelnemen. Begrijpelijk is dat klager dat als een inbreuk heeft ervaren op zijn vrijheid met zijn huisarts te bespreken wat hij wilde. Beklaagde had de assistente moeten zeggen dat wat zij deed niet correct was en haar moeten vragen de deur weer te sluiten. Door dit niet te doen heeft hij jegens klager onzorgvuldig gehandeld. Hij had de kwestie dan desgewenst later met de assistente kunnen bespreken en daar zo nodig nog bij klager op kunnen terugkomen. Ook dient beklaagde ervoor zorg te dragen dat gesprekken in zijn spreekkamer niet te horen zijn in de aangrenzende kamer. Ondanks de dubbele deur en de geluidsisolatie is dit nu kennelijk onvoldoende het geval.

5.11          De conclusie is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

De klacht is gedeeltelijk gegrond.

5.12          Bij het bepalen van een passende reactie hierop neemt het College de aard en ernst van de onzorgvuldigheid in overweging. Daarbij past een waarschuwing. Het College zal deze maatregel ook opleggen, gelet op het feit dat beklaagde ter zitting heeft verklaard dat hij het onzorgvuldige van zijn handelen niet inziet, alsmede dat hij in een soortgelijk toekomstig geval op gelijke wijze zou handelen. 

6.         De beslissing

Het College:

-           verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toekenning van een schadevergoeding;

-           verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

-           legt op de maatregel van waarschuwing;

-           verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, C.H. van Breevoort-de Bruin,

lid-jurist, G.J. Dogterom, J. Edwards van Muijen en J.H.J. Klaver, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2019.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.