Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2019:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/353

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2019:47
Datum uitspraak: 29-03-2019
Datum publicatie: 29-03-2019
Zaaknummer(s): 2018/353
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Verweerster was de behandelaar van de ex-partner van klager. Bij het beëindigen van die behandelrelatie heeft verweerster een overdrachtsbrief gestuurd aan de huisarts van de ex-partner. Klager verwijt verweerster dat zij in die brief waardeoordelen heeft over klager als persoon en als vader. Deels gegrond. Waarschuwing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 24 augustus 2018 binnengekomen klacht van:

A ,

wonende te B,

k l a g e r,

tegen

C ,

destijds psychotherapeut,

destijds werkzaam te D,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. J.A. Heeren, advocaat te Haarlem.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift en het aanvullend verweerschrift;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 5 december 2018 gehouden vooronderzoek.

De klacht is op de openbare zitting van 15 februari 2019 behandeld.

Partijen waren aanwezig.

2.         De feiten

2.1       De voormalige partner van klager is onder behandeling geweest bij verweerster. Verweerster is in 2017 in verband met pensionering met haar werkzaamheden gestopt. De behandeling van de voormalige partner van klager heeft verweerster overgedragen aan een collega.

2.2       Op 26 oktober 2017 heeft verweerster de huisarts van de voormalige partner van klager een brief gezonden omtrent deze voormalige partner.

3.         De klacht en het standpunt van klager

3.1.      Klager verwijt verweerster dat zij zich in deze brief niet objectief en onafhankelijk heeft opgesteld. Verweerster heeft hetgeen zijn voormalige partner naar voren heeft gebracht als waarheid gepresenteerd en daarmee niet de noodzakelijke zorg betracht jegens zijn voormalige partner, klager en hun kinderen. Klager acht dit des te meer verwerpelijk nu verweerster er ernstig rekening mee diende te houden dat de brief van 26 oktober 2017 door zijn voormalige partner zou worden ingebracht in juridische procedures.

3.2.      Klager heeft ter zitting zijn klacht over de kwaliteit van de door verweerster geleverde zorg nader gespecificeerd in die zin dat hij van opvatting is dat het door verweerster in meer algemene zin geleverde werk ernstig onder de maat is en dat dit aan de kaak dient te worden gesteld.

4.         Het standpunt van verweerster

4.1.      Verweerster acht klager niet-ontvankelijk in zijn klacht omschreven in 3.1. Dit reeds omdat de brief van 26 oktober 2017 geen verklaring is ten behoeve van een procedure, maar een onderdeel van het medisch dossier. De brief is geschreven met het doel de huisarts van de voormalige partner op de hoogte te brengen van de huidige situatie van haar patiënt en van de overdracht naar een andere behandelaar. Naar de opvatting van verweerster bevat de brief van 26 oktober 2017 overigens geen passages als door klager bedoeld, zodat ook in het geval het college klager ontvangt in zijn klacht bedoeld in 3.1, deze klacht ongegrond moet worden verklaard.

4.2.      Verweerster acht klager evenmin ontvankelijk in zijn klacht omschreven in 3.2. Het tuchtrecht voorziet naar haar stelling niet in de mogelijkheid min of meer algemene klachten in te dienen.

5.         De beoordeling

5.1.1    Het betoog van klager ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in zijn klacht bedoeld onder 3.2 ontvankelijk is, nu hij met zijn klacht in meer algemene zin aantoont dat het handelen van verweerster niet voldoet aan de kwaliteitseisen die in beroepsgroep aan dit handelen worden gesteld, treft geen doel. De Wet BIG kent een dergelijk algemeen klachtrecht niet.

5.1.2    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager in zijn klacht bedoeld onder 3.1 oordeelt het college als volgt. Onder het begrip “rechtstreeks belanghebbende” in artikel 65, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vallen in beginsel uitsluitend de patiënt of cliënt en diens nabestaanden. Het is evenwel vaste tuchtrechtspraak dat daarop een uitzondering geldt wanneer een derde stelt – en ook aannemelijk maakt – nadelige gevolgen te (kunnen) ondervinden van het afgeven van een verklaring door een BIG-ingeschreven beroepsbeoefenaar.

5.1.3    Ten aanzien van de vraag of sprake is van een verklaring als bedoeld in de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 9 januari 2018 (ECLI:NL:TGZCTG:2018:3) overweegt het college als volgt. De brief is niet primair opgesteld als een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel over de voormalige partner van klager en haar gezondheidstoestand. Evenmin dient de brief primair een ander belang dan behandeling of begeleiding. Verweerster kon echter weten dat deze brief wel als zodanig zou gaan worden gebruikt. Dit reeds omdat verweerster ervan op de hoogte was dat de voormalige partner van klager en klager elkaar met regelmaat in de rechtszaal troffen en heeft verklaard dat zij de voormalige partner van klager uitdrukkelijk heeft verboden deze brief in een rechterlijke procedure in te brengen. Dat verweerster geschokt is dat de voormalige partner van klager zulks toch heeft gedaan maakt dit niet anders. Het college ziet onder de vorengeschetste omstandigheden aanleiding de brief van 26 oktober 2017 op één lijn te stellen met een verklaring als bedoeld in voormelde uitspraak.

5.1.4    De vraag of klager nadelige gevolgen kan ondervinden van hetgeen in de brief van 26 oktober 2017 is vermeld beantwoordt het college bevestigend. Dit reeds omdat in deze brief passages voorkomen die niet bepaald vleiend zijn voor klager. Bij het inbrengen van deze brief in een procedure zou dit klager kunnen schaden.

5.2.      Gelet op hetgeen is overwogen in 5.1.2 tot en met 5.1.4 wordt klager ontvangen in zijn klacht omschreven onder 3.1.

5.3.1    Verweerster is gezondheidszorgpsycholoog /psychotherapeut. Binnen deze beroepsgroepen gelden mede de gedragsregels die zijn neergelegd in de Beroepscode voor psychologen 2015 (Beroepscode). In artikel 96 van de Beroepscode - dat handelt over rapporteren over anderen dan de cliënt - is bepaald dat bij het uitbrengen van rapportages, bij het geven van oordelen en adviezen de behandelaar zich beperkt tot die aangaande de cliënt en dat hij geen oordelen of adviezen geeft met betrekking tot een ander dan de cliënt. Indien het voor het doel van de rapportage noodzakelijk is over een ander dan de cliënt gegevens te verstrekken, dan beperkt de behandelaar zich zo mogelijk tot die gegevens die hij uit eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen. Voor het verstrekken van dergelijke gegevens is gerichte toestemming van betrokkene noodzakelijk. Indien de behandelaar het noodzakelijk acht in een rapportage gegevens over een ander dan de cliënt te vermelden, die hij niet uit eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen, dan is hij daarin uiterst terughoudend en geeft steeds de bron en relevantie van de gegevens aan.

5.3.2    De brief van 26 oktober 2017 is een stuk als bedoeld in 5.3.1. In de brief staan passages over klager. Zo is onder andere vermeld:

“ Ik signaleer dat er met de heer D. (klager) nergens over te praten valt en alles wat niet door kan gaan moet worden gecompenseerd over de hoofden van de kinderen omdat de heer D anders een kort geding start en dit ook nog altijd wint, terugvallend op de eerdere rechtspraak waarin de zeer ingewikkelde bezoekregeling is bedacht door een rechter. Hij lijkt nergens in gecorrigeerd te worden en cliënte wordt m.i. in de steek gelaten door de staat”.

De brief bevat ook mededelingen over de eerdere relatie van klager en dat daarin zich problemen hebben voorgedaan.

5.3.3    De in 5.3.2 bedoelde passages beperken zich onmiskenbaar niet tot de cliënte van verweerster en bevatten een oordeel over klager. Het betreffen geen gegevens die verweerster uit eigen waarneming of eigen onderzoek heeft verkregen. Van toestemming van klager is geen sprake. Van uiterste terughoudendheid is duidelijk evenmin sprake, terwijl ook de bron en relevantie niet zijn vermeld. Verweerster heeft dan ook gehandeld in strijd met de Beroepscode. Uit het verweerschrift noch uit het verhandelde ter zitting is het college kunnen blijken van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze vermeldingen noodzakelijk waren om voorbij te gaan aan hetgeen in de Beroepscode is vermeld.

5.4.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht beschreven onder 3.1 gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47, lid 1, van de Wet BIG jegens klager had behoren te betrachten. De oplegging van de maatregel van berisping zou daarvoor passend zijn. Dit zeker nu verweerster ter zitting er geen enkele blijk van heeft gegeven in te zien dat de wijze waarop zij oordelen over klager in haar brief aan de huisarts heeft opgenomen strijdt met de Beroepscode. Nu verweerster inmiddels is gepensioneerd, zich uit het BIG-register heeft laten uitschrijven, zich op geen enkele wijze meer met haar oude beroep bezighoudt en heeft verklaard dit ook niet meer te zullen doen, omdat zij een geheel andere levensinvulling heeft gevonden, ziet het college aanleiding met een waarschuwing te volstaan.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart klachtonderdeel 3.1 gegrond;

-          verklaart klager in klachtonderdeel 3.2 niet ontvankelijk;

-          legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op.

Aldus beslist door:

J. Brand, voorzitter,

W.C.B. Hoenink, J.P.C. Jaspers en Th.A.M. Deenen, leden-psychotherapeut,

C.E. Polak, lid-jurist,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                          voorzitter