Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:226
Datum uitspraak:
13-11-2019
Datum publicatie:
13-11-2019
Zaaknummer(s):
2019/286
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Verpleegkundige
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Klaagster is de oud-werkgever van verweerder. Zij verwijt hem grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van één of meerdere minderjarige cliënten. gegrond: waarschuwing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 23 juli 2019 binnengekomen klacht van:

 

A

gevestigd te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: mr. M.H.M. van Asten en mr. M. Schlimbach, beiden advocaat te Amsterdam,

 

tegen

 

C,

verpleegkundige,

(destijds) werkzaam te D,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr.S.R. van der Boom, advocaat te Alkmaar.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     de brief van 20 september 2019 van (de gemachtigde van) verweerder (met bijlagen XIII en XIV);

-                     de brief van 20 september 2019 van (de gemachtigden van) klaagster (met bijlage 43);

-                     het proces-verbaal van het op 24 september 2019 gehouden vooronderzoek;

-                     de brief van 26 september 2019 van (de gemachtigde van) verweerder;

-                     de brief van 30 september 2019 van (de gemachtigden van) klaagster (met bijlagen 44, 45, 46, 47 en 48).

 

De klacht is op 15 oktober 2019 op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door mr. Van Asten en mr. Schlimbach voornoemd. Namens klaagster waren verder aanwezig: E (adviseur P&O), F (Directeur G/psychiater) en H (Directeur bedrijfsvoering G).

Verweerder werd bijgestaan door mr. Van der Boom voornoemd.

Mr. Van Asten en mr. Schlimbach hebben een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.

 

2.         De feiten

2.1.      Verweerder werkt sinds 2002 in de geestelijke gezondheidszorg. Op 1 april 2017 is hij in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van klaagster, I. J is op 3 januari 2018 aangesloten bij klaagster door middel van een fusie. Verweerder heeft een BIG-registratie als verpleegkundige en zijn functie bij klaagster was die van Coördinerend Sociotherapeut in de K (hierna: de K) in D.

 

2.2.      Verweerder was verantwoordelijk voor de verpleegtechnische handelingen aan en begeleiding van jeugdige cliënten (in de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar) die werden behandeld voor een eetstoornis. Daaronder bevonden zich de cliënten die hierna worden aangeduid als (cliënte) X, Y en Z, alle drie meisjes van 15 à 16 jaar oud.

 

2.3.      Op 24 februari 2019 is verweerder ’s ochtends één-op-één gaan zwemmen met cliënte X). Aan het einde van de middag heeft X een groepsgenoot gesproken over wat er die dag gebeurd zou zijn. Aan een sociotherapeut die X gevraagd heeft naar wat er aan de hand was, heeft zij niets verteld.

 

2.4.      In de avond van 27 februari 2019 heeft zich een incident voorgedaan met betrekking tot cliënte X. X heeft haar ambulant begeleider overstuur telefonisch laten weten naar de jeugdkliniek te gaan om verweerder te laten weten dat haar ouders op de hoogte waren van een chatgeschiedenis tussen haar en verweerder. De ambulant begeleider van cliënte X is daarop ook zelf naar de jeugdkliniek gegaan en heeft daar cliënte X en verweerder met elkaar in gesprek aangetroffen. Toen de ambulant begeleider vroeg verweerder te kunnen spreken, raakte cliënte X erg overstuur; verweerder, de ambulant begeleider van X en andere sociotherapeuten hebben haar tot rust kunnen brengen.

 

2.5.      Vervolgens heeft cliënte X die avond aan de ambulant begeleider op haar mobiele telefoon haar Instagram-account laten zien waarop verschillende berichten te zien waren die verweerder aan cliënte X zou hebben verstuurd met een grensoverschrijdende inhoud. Ook verweerder heeft desgevraagd aan de ambulant begeleider zijn Instagram-account laten zien. Hij toonde haar een chatgeschiedenis die leeg was.

 

2.6.      Tevens is klaagster die avond bekend geworden dat verweerder op zondag 24 februari 2019 alleen met cliënte X gezwommen heeft en dat hij haar in het zwembad naar zich toe getrokken zou hebben.

 

2.7.      Vanwege de aard van de signalen is met verweerder besproken dat het niet wenselijk was dat hij op de afdeling werkzaam was waar cliënte X verbleef en is hem de volgende dag (bijzonder) verlof verleend. 

 

2.8.      Op 7 maart 2019 heeft een eerste gesprek plaatsgehad tussen verweerder, een P&O-adviseur en twee directieleden van J. Tijdens dat gesprek heeft verweerder (onder andere) aangegeven niet bekend te zijn met het beleid rondom social media of op de hoogte te zijn van het protocol ‘seksuele intimidatie’. Van dit gesprek is een verslag gemaakt. Verweerder wordt geschorst.

 

 

2.9.      Op 11 maart 2019 heeft een P&O-adviseur van klaagster verweerder per e-mail de van toepassing zijnde protocollen toegestuurd, waaronder het protocol ‘seksueel misbruik en ongewenste intimiteiten’, de gedragscode en het professioneel statuut van klaagster. Op 12 maart 2019 heeft verweerder het gespreksverslag van het gesprek van 7 maart 2019 ondertekend ‘voor gezien’ teruggestuurd, maar niet ‘voor akkoord’ ondertekend. Verweerder heeft gelijktijdig aangegeven nog op de inhoud van het gespreksverslag te zullen reageren.

 

2.10.    Daarna, op 13 maart 2019, heeft de door klaagster ingestelde Onderzoekscommissie twee reconstructiegesprekken gevoerd, namelijk een gesprek met cliënte X en haar ouders alsmede een gesprek met verweerder. Van beide gesprekken is een verslag gemaakt. In het verslag dat van het gesprek met cliënte X en haar ouders is gemaakt, is (onder andere) de tekst van de chatberichten opgenomen:

“(…)

Cliënte X neemt het woord over en vertelt aan de hand van de berichten op Instagram op haar telefoon chronologisch haar verhaal. In haar vorige opname (vanaf ….) ontwikkelt cliënte X overdrachtsgevoelens voor sociotherapeut [..]. Cliënte [X] heeft ook een vertrouwensband met een sociotherapeut [verweerder], met wie zij haar overdrachtsgevoelens wil bespreken. Op [datum-2019] vertelt cliënte [X] van haar overdrachtsgevoelens voor […] aan [verweerder]. Op haar open Instagram account krijgt cliënte [X] op [datum] een DM (direct message) van [verweerder] waarop cliënte [X] later die avond op reageert en ze leest voor:

(…)

[begin chatbericht 17 februari 2019 om 17:46 uur, college]

Instagrammer 17 februari 2019 om 17:46 uur

Je doet het goed !

17 februari 2019 om 22:05

Ahhhh dankjewel [naam verweerder]!!!

Moet jij niet slapen?

Snotneus (…)

Nee Hahaha ik ga zo te bed Heb net pas Mn tussendoortje op

Wat laat!!!

            Ja ik wil hem eerst niet nemen

Muts

            Hahahaha

Je moet goed voor jezelf zorgen

            Ja klopt

Je bent prachtig, houd dat zo

            Dank je wel Heel veel plezier op de Veluwe!

Dat gaat vast lukken

Dank je voor je vertrouwen

            Jij bedankt Of u Ha ha

Jij is prima En nu naar bed

            Oke vanaf nu jij

Beloofd?!

            Hahaha zometeen Jaa Weltrusten alvast

Jonge meisjes hebben slaap nodig

            Hahaha ik ben al best oud Toch

Oud? Waarvoor?

            [leeftijd cliënte X]

Oud genoeg waarvoor bedoel ik?

            Om later te slapen

Hahahaha

Moet je lekker thuis regelen        

            Haha ga ik doen! Komt helemaal goed

Vast     

            Weltrusten alvast

Ik lig er al in

            O hahahah dan weltrusten

Slaap zacht

            Trusties[einde chatbericht]

(…)

24 februari

(…)

 

[begin chatbericht 24 februari 2019 om 21:54 uur, college]

Hee. Slaap lekker

            Haai Weltrusten!

Komt vast goed

Lekker met je gezwommen vanmorgen

            Ja! Was gezellig

Ben je ook!

            Haha dankje

Alstublieft Leuke dingen doen hè deze week En de bikini was een goeie keuze. Staat mooi!

            Ja ik ga morgen even kijken wat ik de rest van de week ga doen

Goed plan!

            Hahaha thnx

Tot snel!

            Tot vrijdag Denk ik

? ik heb late dienst vrijdag

            Oh ja dan zie ik u vrijdag wel

Gezellig!

            Tot dan![einde chatbericht]

 

[begin chatbericht 25 februari om 16:05 uur, college]

Hee hoe is het?

            Heei Ja gaat opzich wel, beetje

Je hebt nog een geheim…

            Geheim? Nog een? Nee hoor

Hahahaha gisteren in gesprek met [naam collega verweerder], niet over [..] maar wat anders, wel gedeeld met groepsgenoot

Niks aan de hand hè lieverd

Maar misschien je ook dingen delen met hulpverleners

            Ohhh ja Ik weet het weer Maar dat is niks hoor

Hahaha vertel

            Er is niks Echt niet Geloof me

Ik geloof je Ik vertrouw je

            Dank je haha

En ik vertrouw erop dat je m’n vertrouwen niet beschaamd

            Nee doe ik niet Beloofd

Goed zo

            Hoe is uw dag geweest vandaag Naja het is nog middag dus de dag is nog niet voorbij

Uw of jouw?

            Jouw hahaha

Dan is het goed? Hee als het niks is: vertel eens dan Ik ben nieuwsgierig

            Ja maar, als het niks is, dan kan ik niks vertellen

Waar had je het dan over met [naam collega verweerder]? Eerlijk!

            Uhm Ik weet het niet meer

Het is via app dus ik vertel niks door Beloofd

En nu echt net als met het hoofdbonken…

            Ik zat er niet zo lekker in, maar ik weet niet zo goed hoe dat kwam. Ik denk door alles gewoon. Heb ik ook niks van gezegd

Wat heb je dan gedeeld met je groepsgenoot?

            Uh niets

Hahahaha Onzin maar goed Jouw geheim

            Ja… ik weet ’t niet Laat maar

Het is goed

            Sorry

Geen sorry Lijkt me nergens voor nodig

            Oh Okee

Hahaha Volgende keer gaan we samen in hokje omkleden als exposure

            Nou nee hahahahaha

Niet??? Wat dan?

            Nou u bent een man ha ha

Ach een ouwe dikke

            En u bent ouder dan mij

En dus? Jij in plaats van u

            Oh ja jij haha Ha maar jij bent ouder en een man

En dus?

            En dan omkleden in een hokje Dat gaat toch niet samen

Wel gezellig

            Is dit een grapje?

Jazeker Hoezo? Wil je echt?

            Nee

Schijterd

            Snotneus

Hahahah maar was dus een geintje

            Gelukkig maar

Ja inderdaad

            Heeft u trouwens zondagochtend weer dienst?

Nee hoezo? We kunnen best afspreken in een hokje hoor Nee, gewoon vraagje omdat dan zwemmen is en je dat altijd leuk vind

            Hahahahaha Nou nope

Ja klopt vind ik ook Is zoooooo leuk om te zwemmen Maar [bijnaam cliënte X]? Ik maak maar een geintje hè

            Ja snap ik Lijkt me niet dat dit  in ’t echt gebeurd

Nee precies

            Het is echt een geintje he?

Ja tuurlijk Doe niet zo gek Ik heb niets gezegd Wis alles maar Doe ik het ook

            Ja sorry ik was heel veel aan het nadenken

Waarover?        

            Over wat u zei    Sorry

Geen sorry en jij

            Oja hahahah Ik vergeet dat steeds

Hahahaha Al gewist?

            Nee, ik weet niet hoe dat moet

Hahaha

            Ik ben niet heel slim met dit ding

In het overzicht van privéberichten erop blijven drukken en dan verwijderen kiezen

            Ik ga ffies kijken Klaar

Zo moeilijk is het niet

            Nee eigenlijk niet Dan weet ik het gelijk voor de volgende keer hoe het moet

Graag gedaan

(…)

(…)

Doe je goed!

            Dankee

[einde chatbericht].”

 

2.11.    Per brief van 14 maart 2019 is aan verweerder medegedeeld dat zijn schorsing werd verlengd met nogmaals een week en is hem gevraagd inhoudelijk te reageren op het gespreksverslag van 7 maart 2019, zoals verweerder dat op 12 maart 2019 aangegeven had te zullen doen.

 

2.12.    Per e-mail van 14 maart 2019 heeft verweerder zijn opmerkingen op het gespreksverslag van 7 maart 2019 doorgeven.

 

2.13.    Naar aanleiding van de twee gevoerde reconstructiegesprekken heeft de Onderzoekscommissie de directie van klaagster geïnformeerd. Op basis van het onderzoek door de Onderzoekscommissie heeft klaagster verweerder op 25 maart 2019 een officiële waarschuwing gegeven.

 

2.14.    Drie dagen later, op 28 maart 2019, is het klaagster bekend geworden dat cliënte X aan een behandelaar heeft verteld dat verweerder haar meerdere malen een kus op haar voorhoofd heeft gegeven en dat hij op haar schoot is gaan zitten. Daarnaast hebben zich twee andere minderjarige vrouwelijke cliënten (cliënte Y en cliënte Z) gemeld in het kader van grensoverschrijdend (lichamelijk) contact door verweerder. Hierop heeft klaagster verweerder op 29 maart 2019 voor de tweede maal geschorst.

 

2.15.    Naar aanleiding van deze nieuwe beschuldigingen heeft de Onderzoekscommissie op 3 april 2019 nogmaals met cliënte X gesproken, diezelfde dag ook met cliënte Y en een week later, 10 april 2019, nog met cliënte Z.

 

2.16.    Op 8 april 2019 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen een directielid, een P&O-adviseur en de in 2.4. genoemde ambulant begeleider naar aanleiding van het gebeuren in de avond van 27 februari 2019. Laatstgenoemde verklaart daarin onder meer dat de telefoon van cliënte X een tijd lang kwijt was op de bewuste avond, dat meerdere collega’s vergeefs zochten naar de telefoon en dat toen de telefoon opeens weer in de kamer lag en zij [de ambulant begeleider] vroeg wie de telefoon had gevonden niemand hier een antwoord op had.

 

2.17.    In het kader van hoor en wederhoor heeft op 8 april 2019 ook een gesprek met verweerder met de directeur Bedrijfsvoering G en een P&O-adviseur plaatsgehad. Klaagster heeft de schorsing van verweerder opnieuw verlengd en hem per brief uitgenodigd voor een (laatste) gesprek met de Onderzoekscommissie op 11 april 2019.

 

2.18.    Per e-mail van 10 april 2019 heeft verweerder nog aan de directie uiteengezet waarom hij het bericht van 17 februari 2019 via social media niet geïnitieerd kan hebben.

 

2.19.    De volgende ochtend, 11 april 2019, heeft verweerder zich ’s ochtends afgemeld voor het reeds geplande gesprek met de Onderzoekscommissie en klaagster laten weten zich te laten vertegenwoordigen door zijn jurist.

 

2.20.    Op 12 april 2019 is verweerder – na een afsluitend gesprek – op staande voet ontslagen door klaagster. Klaagster heeft daarvan een melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Uiteindelijk is tussen partijen op 31 mei 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In artikel 14 van die vaststellingsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen, inhoudende:

“14.      Partijen betrachten geheimhouding jegens derden ten aanzien van de inhoud van onderhavige beëindigingsregeling, de wijze van totstandkoming, alsmede over enige kwestie in verband met deze regeling, behoudens voor zover een wettelijke verplichting een van de partijen tot mededelingen noodzaakt.”

 

2.21.    Sedert half juni 2019 is verweerder werkzaam als planner/administratief medewerker bij een organisatie die huishoudelijke ondersteuning aanbiedt.

 

2.22.    In de periode van 27 augustus 2019 tot en met 5 september 2019 is de telefoon van verweerder op zijn verzoek onderzocht door een bedrijfsrecherchebureau.

 

2.23.    Bij brief van 9 september 2019 heeft de politie de raadsman van verweerder bericht dat er een melding bij de politie is binnengekomen van verweerder inzake een hack van zijn Instagram tussen 17 februari 2019 om 17:46 uur en maandag 25 februari 2019 om 16:05 uur, en dat hij daarbij onder meer heeft gezegd dat hij niet meer in het bezit is van Instagram en deze op advies van de fraude helpdesk eraf heeft gehaald.

Blijkens een proces-verbaal van aangifte heeft verweerder op 29 september 2019 bij de politie aangifte gedaan van identiteitsfraude tussen 17 februari 2019 om 17:46 uur en maandag 25 februari 2019 om 16:05 uur, en heeft hij onder meer verklaard dat hij ook reeds op 28 februari 2018 telefonisch aangifte had gedaan van cyber crime of hacking van zijn Instagram account.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder een te vergaand (lichamelijk) contact heeft gehad met cliënte X, cliënte Y en cliënte Z – alle drie minderjarige cliënten van de jeugdkliniek van 15 à 16 jaar – gedurende de behandelrelatie.

 

3.1.     Ten aanzien van cliënte X verwijt klaagster verweerder in de kern dat hij:

a.           op 24 februari 2019 ten onrechte alleen met X is gaan zwemmen;

 

b.         haar in het zwembad naar zich toe getrokken heeft (hetgeen cliënte X als een grensoverschrijdende actie heeft ervaren);

in het zwembad een arm om haar heen heeft geslagen;

in de stoomcabine daarna een (seksueel) grensoverschrijdende opmerking heeft gemaakt, namelijk ‘als je naast mij komt zitten, dan word je wel warm’;

op de weg terug van het zwembad naar de jeugdkliniek ongepaste opmerkingen heeft gemaakt over het wel of niet hebben van een vriendje en of zij wel eens gezoend had;

haar zes keer een kus op haar voorhoofd heeft gegeven (de laatste keer na het zwemmen op 24 februari 2019);

hij op zondag 24 februari 2019 (na het zwemmen) heeft plaatsgenomen op haar schoot; en

haar veel zou aanraken;

 

c.         via zijn privé-telefoon (seksueel) grensoverschrijdende chatberichten aan X heeft gestuurd via Instagram op 17, 24 en 25 februari 2019, als weergegeven in het in 2.10. geciteerde gespreksverslag (hierna: de chatberichten).

 

3.2.     Ten aanzien van cliënte Y verwijt klaagster verweerder dat hij

a.         in november 2018 op zijn initiatief zijn privé telefoonnummer via WhatsApp met Y heeft gedeeld;

privé berichten heeft gestuurd aan Y (via Instagram en WhatsApp);

Y bij hem thuis heeft uitgenodigd;

 

b.         haar knuffels heeft gegeven zonder daar vooraf toestemming voor te vragen;

en haar veel zou aanraken (‘prikken’).

 

3.3.     Ten aanzien van cliënte Z verwijt klaagster verweerder dat hij Z zonder inleiding een vijf tot tien minuten durende knuffel heeft gegeven en haar verteld heeft dat hij haar na zijn vakantie graag nog zou willen zien en zou hebben gezegd dat dat ook bij hem thuis zou kunnen plaatsvinden.

 

Voor zover nodig wordt hieronder ingegaan op het standpunt van klaagster.

 

 

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

 

5.         De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.      Verweerder heeft zich als eerste op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht omdat verweerder per 1 februari 2017 in dienst is getreden bij klaagster als sociotherapeut en ten tijde van de verweten gedragingen (februari 2019) als sociotherapeut werkzaam was en geen werkzaamheden heeft verricht in zijn hoedanigheid als (BIG-geregistreerd) verpleegkundige.

 

5.2.      Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat tussen klaagster en verweerder ter beëindiging van de arbeidsrelatie een vaststellingsovereenkomst is gesloten met daarin opgenomen een geheimhoudingsbeding jegens derden – en dus ook ten aanzien van het tuchtcollege. Evenmin bestaat een wettelijke noodzaak, zoals omschreven in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst, om de onderhavige tuchtklacht tegen verweerder in te dienen.

 

5.3.      Deze verweren kunnen niet slagen. Allereerst stelt het college vast dat verweerder sinds 2002 in het BIG-register staat geregistreerd als verpleegkundige. Uit het door klaagster bij haar klaagschrift in bijlage 1 overgelegd formulier ‘Formulier Functiebeschrijving’ voor de functie van sociotherapeut blijkt dat de kandidaat voor het verrichten van verpleegtechnische handelingen diende te beschikken over een verpleegkundige opleiding en een BIG-registratie of middels een specifieke training bekwaam gemaakt om specifieke verpleegkundige handelingen uit te voeren. Daarnaast wordt in het door verweerder bij zijn verweerschrift in bijlage 1 overgelegde ‘formulier functioneringsgesprek’ (van 12 september 2017) opgemerkt ‘Dat wat je meebrengt, je verpleegkundige diploma en kennis en je werkervaring zijn een fijne aanvulling in het team”. Voorts stelt het college vast dat verweerder zich op 27 augustus 2018 heeft laten herregistreren als verpleegkundige op basis van werkzaamheden, uitgevoerd in de individuele gezondheidszorg, en het aantal gewerkte uren in zijn hoedanigheid als verpleegkundige. Op grond daarvan stelt het college vast dat verweerder als verpleegkundige werkzaam is geweest, ook in zijn functie bij klaagster.

Ten slot merkt het college op dat de vaststellingsovereenkomst alleen hen bindt die daarbij contractspartij zijn; het college is dan ook niet gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Wellicht ten overvloede wijst het college, zoals ook door klaagster naar voren gebracht, op de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2016[1] dat een vaststellingsovereenkomst nooit in de weg kan staan aan de bevoegdheid van de tuchtrechter om een zaak in behandeling te nemen. De conclusie van het voorgaande is dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht.

 

Inhoudelijk

5.4.      De vraag waarvoor het college zich gesteld ziet is of verweerder zijn professionele grenzen heeft overschreden.

 

Ten aanzien van cliënte X

5.5.      Wat betreft de verwijten ten aanzien van cliënte X, overweegt het college als volgt.

 

5.6.     Ad 3.1. sub a.Namens klaagster is ter zitting aangegeven dat het protocol ‘Zwemmen, begeleiding bij’ van J van 2015 per 2019 het protocol van klaagster is. Klaagster stelt dat op de eerste pagina van het protocol reeds duidelijk wordt gemaakt dat het ‘in algemene zin niet is toegestaan om als medewerker alleen te gaan zwemmen met kinderen/jongeren (…)”.

Verweerder erkent dat hij alleen met cliënte X is gaan zwemmen op 24 februari 2019, maar acht dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ter zitting heeft hij uitgelegd dat één op één zwemmen vaker gebeurde, niet alleen door hem, maar ook door collega-sociotherapeuten. Volgens verweerder waren zijn collega’s die zondagochtend volledig op de hoogte wat hij ging doen, waar hij naar toe ging en met wie. Het één-op-één gaan zwemmen is nooit als zodanig door klaagster aan de orde gesteld, tijdens intervisie besproken of anderszins onderwerp van gesprek geweest, aldus verweerder.

Het college overweegt als volgt. Klaagster heeft de uitleg van verweerder over de context waarbinnen het één op één zwemmen met cliënte X plaatsvond, als zodanig niet bestreden. Desgevraagd is namens klaagster ter zitting aangegeven dat men nog bezig is met het opstellen van dan wel het aanscherpen van de protocollen met betrekking tot de groepsactiviteit zwemmen, met name wat betreft het één-op-één zwemmen. Nu kennelijk de protocollen omtrent het één-op-één zwemmen ontbraken dan wel onvoldoende duidelijk waren en/of aanscherping behoefden, kan verweerder naar het oordeel van het college geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het één-op-één zwemmen met cliënte X als zodanig.



 

5.7.     Ad 3.1. sub b.

Verweerder betwist de verwijten als weergegeven in 3.1. sub b. Nu partijen elkaar op deze punten tegenspreken en objectieve aanknopingspunten ontbreken, mede in aanmerking genomen het overwogene ten aanzien van de verwijten in 3.1. sub c over de chatberichten, kan het college de feitelijke gebeurtenissen niet vaststellen. Ook dit klachtonderdeel moet dan ook worden afgewezen.

 

5.8.     Ad 3.1. sub c: de chatberichten

Het verwijt van klaagster en het verweer daartegen zijn als volgt onderbouwd.

 

5.9.      Klaagster stelt dat verweerder met zijn privé telefoon via Instagram chatberichten heeft gestuurd aan X en aldus een grensoverschrijdende conversatie met X heeft onderhouden. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij onderschrijft dat de inhoud van de chatberichten grensoverschrijdend is geweest. Hij ontkent echter van meet af aan stellig en consistent dat hij degene is geweest die de chatberichten heeft gestuurd. Volgens verweerder is zijn Instagram-account gehackt. Volgens klaagster kan het alleen maar verweerder zijn geweest die de chatberichten met X heeft gevoerd, omdat in de chatberichten termen en woorden worden gebruikt die verweerder ook gebruikt tijdens behandelingssessies (bijvoorbeeld de bijnaam voor cliënte X) en bovendien verwezen wordt naar informatie die voor derden alleen via het EPD beschikbaar is en naar persoonlijke informatie die herleidbaar is naar verweerder, zoals het zwemmen en de vakantie van verweerder op de Veluwe. Daar komt bij dat verweerder geen veiligheidsmeldingen vanuit Instagram zou hebben gekregen omtrent een verdachte inlogpoging, zijn contactpersonen onbekend waren met de hack, alleen cliënte X berichten zou hebben ontvangen en alleen het Instagram-account van verweerder zou zijn gehackt, terwijl hij verklaard heeft dat hij voor alle sociale media hetzelfde wachtwoord zou gebruiken. Bovendien heeft verweerder volgens een overgelegde verklaring van de ambulant begeleider van X tijdens het onder 2.3 weergegeven gesprek tegen cliënte X gezegd dat hij het chatbericht van 17 februari 2019 wèl zelf aan haar zou hebben gestuurd.

Klaagster heeft bij verweerder steeds het belang benadrukt de gestelde hack te onderbouwen en hem aangeboden zijn telefoon in te leveren bij klaagster voor nader onderzoek door specialisten. Verweerder heeft op geen enkele manier de door hem gestelde hack onderbouwd, aldus klaagster.

 

5.10.    Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij niet is ingegaan op het voorstel van klaagster zijn telefoon aan haar af te geven voor onderzoek, met name omdat de arbeidsrelatie tussen hem en klaagster naar aanleiding van de gesprekken met de Onderzoekscommissie al ernstig verstoord was en ook berichten tussen hem en zijn partner openbaar zouden worden, terwijl de relatie tussen hen beiden (naar aanleiding van de beschuldigingen) op dat moment niet goed verliep.

 

5.11.    Verweerder heeft ter zitting betwist dat hij op de avond van 27 februari 2019 tegen X zou hebben gezegd dat hij het chatbericht van 17 februari 2019 (‘Je doet het goed!’) wel had gestuurd. Volgens verweerder is het wel mogelijk dat hij op 27 februari 2019 tegen X heeft gezegd dat hij dit gezégd heeft, maar niet dat hij deze mededeling op 17 februari 2019 via een chatbericht heeft gestuurd.

 

5.12.    Volgens verweerder kunnen ook anderen dan hijzelf, met name binnen de K en in het bijzonder cliënte X, op de hoogte zijn van de termen en woorden, de verwijzingen naar het EPD en de persoonlijke informatie in de chatberichten. Op 27 februari 2019 heeft hij ontdekt dat zijn telefoon is gehackt. Hij heeft nooit een melding van een verdachte inlogpoging ontvangen en hierdoor wist hij niet dat hij gehackt was. Volgens hem moet er sprake zijn geweest van een (dubbele) hack of dat iemand een vals Instagram-profiel heeft aangemaakt en daarvoor zijn foto heeft gebruikt. Het is mogelijk dat een collega of zelfs dat cliënte X de chatberichten heeft gevoerd op een account dat nep is. Ook X is op de hoogte van de gegevens die de verzendende partij heeft gestuurd. Het is volgens verweerder mogelijk dat X zijn Instagram-account heeft gehackt en vervolgens beide kanten van het gesprek heeft gevoerd door continu in- en uit te loggen. Als zijn telefoon gehackt is, komt er ook geen melding binnen van nieuwe berichten. Dit is op twee telefoons getest: telefoon A is van de hacker, telefoon B is van verweerder. Als de hacker een bericht opent, verdwijnt de melding van het nieuwe bericht ook bij verweerder. Dit is bovendien onderzocht door het bedrijfsrecherchebureau: zij hebben ingebroken op het account van verweerder en dus gehackt; de melding werd inderdaad niet ontvangen.

 

5.13.    Verweerder voert bovendien aan dat de chatberichten blijk geven van een kinderlijke wijze van communiceren, wordt veelvuldig gebruik gemaakt van termen zoals ‘hee’ in een openingsbericht en ‘hahahaha’, hetgeen overeenstemt met de door X zelf verzonden chatberichten.

Klaagster heeft daartegen ingebracht dat blijkens een door haar overgelegd WhatsApp gesprek van verweerder met zijn familie hij dezelfde woorden als hierboven gebruikt en zichzelf ‘L’ noemt.

 

5.14.    Verweerder voert verder aan dat X meerdere Instagram-accounts heeft waarmee zij het desbetreffende chatgesprek gevoerd kan hebben. Door de telefoon van X uit te laten lezen, kan worden vastgesteld met welke IP-adressen in haar account is ingelogd. Op basis van de Algemene Gegevens Verordening (AVG) kan informatie over deze IP-adressen worden verzocht en welke gesprekken op welke tijden zijn gevoerd. Die tijden zijn namelijk niet zichtbaar, wat suggereert dat die berichten over en weer kort na elkaar zijn verstuurd, wat in de richting van cliënte X wijst, aldus steeds verweerder.

Daar komt bij volgens verweerder dat cliënte X niet kritisch aan de tand is gevoeld: het bleef bij oppervlakkige vragen en er zijn geen kritische detailvragen gesteld. X is gehoord en enkel omdat ze haar verhaal ‘zonder haperen’ heeft verteld, zal het volgens de Onderzoekscommissie wel zo zijn geweest. Er is onvoldoende gelegenheid geweest voor verweerder om op het verhaal van X in te gaan. Hij wilde ook de verslagen van de gesprekken met de cliënten lezen, zodat voor hem duidelijk was wat er verklaard was en waar tegen hij zich moest verweren, maar die verslagen zijn pas aan hem verstuurd in het proces rondom de vaststellingsovereenkomst, aldus steeds verweerder.

Desgevraagd heeft klaagster ter zitting erkend dat zij de telefoon van cliënte X niet heeft laten uitlezen en heeft afgezien van het bevragen van cliënte X op basis wat klaagster van verweerder had vernomen. Redengevend hiervoor is dat klaagster de privacy van X wilde respecteren en een en ander een te grote belasting voor deze minderjarige, kwetsbare patiënte zou vormen. Klaagster is van oordeel dat een buitengewoon zorgvuldig en objectief onderzoek heeft plaatsgevonden naar de feiten waarin in ruime mate hoor en wederhoor is toegepast.

 

5.15.    Voorts voert verweerder aan dat in de chatberichten herhaaldelijk wordt verzocht om het verwijderen van de berichten, hetgeen niet strookt met de functionaliteiten van Instagram. Volgens het door verweerder ingeschakelde bedrijfsrecherchebureau zou de chatgeschiedenis na het verwijderen over en weer niet meer zichtbaar moeten zijn. Verweerder had [wanneer hij de chatberichten zou hebben verstuurd zoals klaagster beweert] alleen maar de betreffende berichten kunnen indrukken om volgens ‘verzending ongedaan maken’ te selecteren. Wanneer verweerder daarop had gedrukt, had ook X die berichten niet meer kunnen zien.

Klaagster daarentegen stelt dat het herhaaldelijke verzoek van verweerder de chatberichten te verwijderen juist wel strookt met de functionaliteiten van Instagram. Verweerder zou één voor één op al zijn eigen individuele berichten moeten klikken om deze ongedaan te maken. Weliswaar zouden de berichten van verweerder uit de chatgeschiedenis van beiden verwijderd zijn, maar de berichten van X zouden in het chatgesprek zichtbaar blijven. Om alle berichten op beide accounts te wissen, moesten zowel verweerder als cliënte X het volledige chatgesprek verwijderen.

 

5.16.    Tot slot voert verweerder aan dat op de screenschots van de door klaagster overgelegde chatberichten ‘instagrammer’ staat vermeld en niet zijn accountnaam. Op het moment dat X de screenshots zou hebben gemaakt, had hij zijn account nog niet verwijderd, zodat daar nog zijn accountnaam had moeten staan in plaats van ‘instagrammer’. Op woensdagavond 27 februari 2019 heeft hij zijn Instagram-account laten zien aan de ambulant begeleider van X met een chatgeschiedenis die leeg was.

Volgens klaagster heeft cliënte X de screenshots op 28 februari 2018 om 16:44 uur gemaakt en had verweerder op dat moment zijn Instagram-account verwijderd, hetgeen overeenkomt met zijn verklaring aan (onder andere) klaagster en het bedrijfsrecherchebureau.

Ter zitting heeft verweerder op zijn beurt verklaard dat hij zijn Instagram-account weliswaar op 28 februari 2019 heeft verwijderd, maar ná 16:44 uur. Nadat zijn partner aan het begin van de avond zijn Instagram-account heeft ingezien, heeft hij deze verwijderd, aldus verweerder.

 

5.17.    Het college stelt het volgende voorop. Het komt er in een tuchtrechtelijke procedure op aan dat de verzoekende partij een zodanige toelichting geeft van de door haar gestelde verwijten dat de feitelijke onderbouwing daarvan, ook bezien in het licht van de aangevoerde verweren, ‘aannemelijk’ kan worden geacht door het college. Het belang van een zodanige onderbouwingsplicht klemt temeer naarmate de aard en de ernst van de gevolgen van de verwijten voor verweerder ernstiger zijn; de onderhavige kwestie komt neer op een zwaarwegend tuchtrechtelijk verwijt, te weten (seksueel) overschrijdend gedrag in een professionele vertrouwensrelatie met een kwetsbare, minderjarige cliënte.

Verweerder ontkent dat hij de chatberichten heeft verstuurd aan cliënte X. Hij stelt dat zijn Instagram account is gehackt en voert hiervoor diverse argumenten aan als in 5.12.-5.16. omschreven. Indien de door verweerder aangevoerde hack door een derde inderdaad heeft plaatsgevonden, betekent dit dat het niet verweerder zelf is geweest die de chatberichten heeft verzonden en falen derhalve de aan hem gemaakte verwijten daarover.

In de kern betreft het verweer een alternatief scenario. Dit scenario kan op basis van hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd niet uitgesloten worden geacht door het college. Gelet op de specifieke onderbouwing van dit verweer had een nader gesprek door verzoekster met cliënte X op basis van hetgeen verzoekster had vernomen van verweerder, te weten zijn visie dat sprake is geweest van een hack, alsmede het in dat verband doen uitlezen van haar telefoon, mogelijk meer informatie kunnen opleveren ter beantwoording van de vraag of de verwijten feitelijk aannemelijk kunnen worden geacht. Daarbij is mede van belang dat - naar vaststaat - cliënte X de chatberichten niet heeft gewist, en dat volgens de verklaring van de ambulant begeleider van X de telefoon van X op de avond van 27 februari 2019 een tijd lang kwijt was, zonder dat dit nader wordt toegelicht.

Het college stelt vast dat klaagster om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen hier niet toe over te gaan en ook geen poging heeft gedaan om een en ander te realiseren. Deze keuze, wat daar verder van zij, heeft in de gegeven omstandigheden gevolgen voor de bewijspositie van klaagster.

Het college is van oordeel dat het ontbreken van deze mogelijke bron van nadere onderbouwing van de verwijten ten gunste van de bewijspositie van klaagster dan wel ontlastende informatie ten gunste van die van verweerder, in samenhang bezien met hetgeen voorts over en weer is aangevoerd door partijen, maakt dat de verwijten feitelijk niet voldoende aannemelijk kunnen worden geacht. Hetgeen overigens over en weer is aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel en behoeft dus geen beoordeling. Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel faalt.

 

Ten aanzien van cliënte Y

5.18.   Ad 3.2. sub a.

Klaagster stelt dat op verweerder de ‘Nationale Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden’ (hierna: de beroepscode) van toepassing is. De beroepscode geeft de waarden en normen van de beroepsgroep, die de leidraad behoren te vormen voor het handelen van verweerder. In artikel 2.4. van de beroepscode is opgenomen: “Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht”. De handreiking ‘Hoe gebruik je sociale media op een verantwoorde manier’ (hierna: de handreiking) is een meer specifieke uitwerking van de beroepscode. In hoofdstuk 3 van de handreiking wordt nader toegelicht wat in het kader van artikel 2.4. van de beroepscode als grensoverschrijdend moet worden gezien: wanneer een verpleegkundige via telefoon, internet of e-mail contact zoekt met (voormalige) zorgvragers voor persoonlijke doeleinden, de verpleegkundige al zijn professionele grens al heeft overschreden.

Wat betreft de privé contacten met cliënten heeft verweerder hierover nimmer overleg gepleegd met collega’s, evenmin heeft hij dit gemeld. Ook heeft hij nagelaten hierover te rapporteren in de EPD’s, aldus klaagster. Overeenkomstig paragraaf 4.7. van het ‘Professioneel Statuut’ dient iedere professional taken uit te voeren in relatie tot de cliënt zoals vastgesteld in het individuele behandelplan of voortvloeiend uit de wet- of uit interne regelgeving. Zodra de grens van eigen ‘kennen en kunnen’ bereikt wordt, moet men aantoonbaar actief zijn in het inschakelen van een deskundige collega.

Cliënte Y heeft het privénummer van verweerder een paar keer gebruikt op vragen van verweerder hoe het met haar ging. De toon van die WhatsApp berichten veranderde al snel van een meer zakelijker toon naar een meer gevoelige toon, aldus steeds klaagster.

Verweerder ontkent niet dat hij zijn privé telefoonnummer aan cliënte Y heeft verstrekt, maar betwist dat van grensoverschrijdend contact sprake is geweest. Ter zitting heeft hij uitgelegd dat de moeder van cliënte Y hem op een dag heeft laten weten dat haar dochter hem miste en of hij iets van zich wilde laten horen richting Y. In november 2018 heeft cliënte Y tijdens een nachtdienst van verweerder met de afdelingstelefoon contact opgenomen. Omdat de batterij van die telefoon bijna leeg was en de oplader niet zo snel te vinden was, heeft verweerder zijn privé telefoonnummer via WhatsApp aan haar gegeven om op een later moment (in verband met vakanties) nog afscheid te kunnen nemen. Verweerder betwist dat er over en weer berichten zijn gestuurd, maar erkent wel dat hij in reactie op door Y aan hem gestuurde vakantiefoto’s ‘jaloersmakend’ heeft terug geappt, en geeft aan dat het contact daarbij is gebleven.

 

5.19.    Het college is van oordeel dat verweerder door zijn privé telefoonnummer aan cliënte Y te verstrekken buiten de grenzen is getreden van hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verpleegkundige verwacht mag worden. De normstelling binnen de K was op dit punt duidelijk genoeg en ook voor verweerder kenbaar. De door verweerder geschetste noodsituatie waarbij de batterij van de werktelefoon bijna leeg was, wat daar verder van zij, laat dit onverlet. Het ter zitting aangevoerde argument dat klaagster het mogelijk maakte tegen een kleine maandelijkse vergoeding de werktelefoon ook privé te gebruiken, maakt dat niet anders omdat dit, juist gezien de normstelling, niet impliceert dat het toegestaan was buiten het doel van de behandelovereenkomst contact te onderhouden. Verweerder had direct duidelijk moeten maken aan cliënte Y dat dit een uitzonderingssituatie betrof, haar moeten verzoeken zijn telefoonnummer te verwijderen, en had dit ook dienen te melden binnen de jeugdkliniek. Verweerder heeft evenwel de situatie dat cliënte Y beschikte over zijn privé telefoonnummer laten voortduren zonder enige verdere actie te ondernemen. Dat de moeder van cliënte Y zou hebben opgemerkt dat Y verweerder miste, maakt dat niet anders. Integendeel. Juist door die opmerking had verweerder zich des te meer moeten realiseren dat hij meer afstand in acht behoorde te nemen ten opzichte van cliënte Y, van wie hij vanuit zijn professionele relatie met haar reeds wist dat zij kwetsbaar was.

Dat verweerder aan cliënte Y meer berichten heeft gestuurd behalve het bericht ‘jaloersmakend’ wordt door hem betwist, is niet nader onderbouwd (er zijn geen screenshots meer) en is derhalve niet komen vast te staan. Dit geldt ook voor het verwijt dat verweerder cliënte Y bij hem thuis heeft uitgenodigd om ‘leuke dingen te gaan doen’.

Het klachtonderdeel weergegeven in 3.2. sub a slaagt derhalve voor zover het betrekking heeft op het geven van zijn privé telefoonnummer en het daarmee versturen van één bericht aan cliënte Y door verweerder.  

 

5.20.   Ad 3.2. sub b.

Klaagster geeft aan dat andere sociotherapeuten cliënten ook knuffelen of een arm om iemand heen slaan, maar wel vooraf – in tegenstelling tot verweerder – vragen of dat fijn gevonden wordt. De knuffels van verweerder voelden volgens cliënte Y anders aan; meer vanuit hem zelf en niet in zijn rol als sociotherapeut, aldus klaagster.

Verweerder ontkent niet dat hij fysiek contact had met cliënten, variërend van een schouderklopje, een knuffel en/of een arm om de schouder. Ter zitting heeft hij erkend dat hij inderdaad een ‘klik’ had met cliënte Y, maar dat was op persoonlijk niveau en niet op fysiek niveau. Daarmee is dus niet gezegd dat hij (seksueel) grensoverschrijdend heeft gehandeld, aldus verweerder.

Ook hier geldt dat partijen elkaar tegenspreken en objectieve aanknopingspunten ontbreken. De door klaagster opgevoerde verklaring van cliënte Z dat het haar opviel dat verweerder veel naast cliënte Y zat en haar vaak prikte, wordt betwist door verweerder en is ook overigens te weinig specifiek om te kunnen dienen ter onderbouwing van deze verwijten. Voor het oordeel dat een gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is moeten eerst de feiten die zijn voorgevallen worden vastgesteld. Dat kan het college hier niet. Dit klachtonderdeel moet dan ook worden afgewezen.

 

Ten aanzien van cliënte Z

5.21.    Wat betreft de verwijten omtrent het handelen van verweerder jegens cliënte Z oordeelt het college als volgt.

Klaagster verwijt verweerder dat hij cliënte Z zonder inleiding een vijf tot tien minuten durende knuffel heeft gegeven, die Z als ‘apart’ en ‘ongemakkelijk’ heeft ervaren. Tijdens de knuffel stond cliënte Z stokstijf stil, verweerder wreef wat en was veel te dichtbij; uiteindelijk heeft zij de omhelzing verbroken, omdat zij bijna geen adem kon halen, zo strak hield verweerder haar vast. Daarnaast verwijt klaagster verweerder dat hij tegen cliënte Z heeft gezegd dat hij haar na zijn vakantie graag nog zou willen zien, hetgeen ook bij hem thuis zou kunnen.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij fungeerde als coach, persoonlijk begeleider et cetera van cliënte Z. Z was een meisje voor wie contact en relaties (in algemene zin, niet in romantische zin) ingewikkelde onderwerpen waren en daaruit voortvloeiend ook het onderwerp ‘afscheid’. Volgens verweerder was het ingewikkeld voor cliënte Z om afscheid van hem te nemen. Hij heeft toen gezegd te kijken hoe daar handen en voeten aan gegeven zou kunnen worden wanneer hij van vakantie terug zou zijn. Hij heeft zijn privé telefoonnummer niet gegeven en haar niet bij hem thuis uitgenodigd, aldus steeds verweerder.

 

5.22.    Ook hier geldt dat niet kan worden vastgesteld wanneer, in welk verband en op welke wijze de verweten knuffel heeft plaatsgevonden of wat verweerder precies tegen cliënte Z heeft gezegd over het alsnog afscheid nemen na terugkomst van zijn vakantie. Verweerder heeft de verklaring van cliënte Z immers integraal betwist en een nadere onderbouwing van de verwijten ontbreekt. Dit betekent dat het klachtonderdeel dat ziet op het handelen van verweerder jegens cliënte Z zal worden afgewezen.

 

5.23.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens cliënte Y had behoren te betrachten.

 

5.24.    Het college overweegt als volgt ten aanzien van de op te leggen maatregel.

Verweerder heeft met het delen van zijn privé nummer met cliënte Y en het sturen van een bericht daarmee aan haar onvoldoende afstand gehouden jegens cliënte Y en in die zin grensoverschrijdend gehandeld. Dit is hem aan te rekenen. Dit tuchtrechtelijk verwijt klemt temeer nu het een minderjarige, kwetsbare cliënte betreft.

Het college weegt allereerst de context waarin dit incident heeft plaatsgevonden mee. Het college heeft daartoe enerzijds acht geslagen op hetgeen verweerder heeft aangegeven ten aanzien van de wijze waarop hij zijn functie uitoefende, dus zijn professionele houding en handelwijze, en heeft hem ter zitting daar ook uitvoerig op bevraagd. Verweerder heeft blijkens een terzake niet weersproken, overgelegd verslag van het reconstructiegesprek met verweerder op 13 maart 2019 (2.10.), ten aanzien van het delen van privégegevens aangegeven dat hij het scheef vindt als een cliënt open moet zijn en hij zelf niets vertelt. Ook heeft hij daarin gezegd dat hij zich bewust is van de wijze waarop hij contact heeft met cliënten (’beaamt dat hij erg fysiek is ingesteld, raakt anderen aan’) en hierin probeert te doseren.

Verweerder heeft blijkens een terzake niet weersproken, overgelegd verslag van het gesprek met hem van 8 april 2019 (2.17.), gezegd dat hij (onder meer) met cliënte Y wat had en zij met hem. Ook heeft hij daarin gezegd dat de omgang met cliënten waar hij een klik mee heeft volgens hem niet afwijkt van de omgang met andere cliënten, althans niet bewust. Daarbij heeft hij opgemerkt dat in het algemeen geldt dat wanneer je iets met iemand hebt, je daar tegelijkertijd niet onderuit komt (“In mijn werk heb ik meer met de een dan met de ander. (…) Het is deels de humor, deels de kwetsbaarheid en soms de voorgeschiedenis”.) Tot slot heeft hij in dat gesprek gezegd dat hij altijd aan het werk is geweest met de intentie om zorg te verlenen en niet om grenzen over te gaan.

Anderzijds neemt het college in aanmerking het klimaat binnen de jeugdkliniek. Naar onweersproken staat vast dat noemenswaardige super- of intervisie in de jeugdkliniek niet goed (genoeg) geregeld was en dat het thema van afstand en nabijheid weliswaar kenbaar was in de zin van protocollen en beroepscodes, maar dus onvoldoende ook metterdaad met regelmaat aan de orde werd gesteld binnen de jeugdkliniek. Het onderwerp stond onvoldoende op de kaart binnen de jeugdkliniek. Het college constateert hier een zorgwekkende leemte, nu klaagster zich kennelijk wel bewust is van het vitale belang van afstand en nabijheid, gezien haar bijzondere clientèle.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij alerter had moeten zijn op de grens tussen professionele betrokkenheid en grensoverschrijdende handelen. Hij heeft aangegeven dat hij veel geleerd heeft van de hele gang van zaken. Hij weet nu nog niet of hij zal terugkeren in zijn beroep als verpleegkundige/sociotherapeut. Wel weet hij dat hij in dat geval actief uit eigen beweging zou gaan zorgen voor inter- en supervisie, juist ook op dit punt voor hem persoonlijk.

Uit de hierboven weergegeven toelichtingen die verweerder heeft gegeven op de wijze waarop hij in zijn werk stond en hoe hij zelf tegen zijn handelwijze aankeek, bevroedt het college dat verweerder door zijn persoonlijkheid en houding soms schuurde tegen voornoemde grenzen, zonder dat hij hierover vertrouwelijk in gesprek ging met collega’s of leidinggevenden. Het college meent dat verweerder op dit punt kwetsbaar kan zijn. Gezien het bewustwordingsproces in samenhang met het schrikeffect dat het hele gebeuren bij hem teweeg heeft gebracht en de gevolgen van een en ander voor hem persoonlijk en zijn gezin, acht het college evenwel al met al de kans op herhaling gering.

Het college houdt tot slot rekening met de omstandigheid dat verweerder zijn baan is kwijtgeraakt als gevolg van de verwijten van klaagster.

Alles overziend acht het college de oplegging van een waarschuwing een passende maatregel.

 

5.25.    Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, in het bijzonder het belang van een professioneel debat over de onderhavige kwestie binnen de beroepsgroep, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart het klachtonderdeel weergegeven in 3.2. sub a. met betrekking tot het verstrekken van zijn privé telefoonnummer en het daarmee versturen van één bericht door verweerder aan cliënte Y gegrond;

-         legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-         verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG

in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften ‘Nursing’ en ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’ ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus beslist door:

P.J. van Eekeren, voorzitter,

E.M. Vink-de Goeij, P.A. Arnold en I.M. Bonte, leden-verpleegkundige,

C.E. Polak, lid-jurist,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,



 

en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                           voorzitter

 




[1]Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Kamerbrief over Tussenrapportage over vaststellingsovereenkomsten in de zorg, 29 juni 2016, kenmerk 982982-152359-MC.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens