Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:213
Datum uitspraak:
29-10-2019
Datum publicatie:
29-10-2019
Zaaknummer(s):
2019/250
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Verpleegkundige
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Klager verwijt verweerster (verpleegkundige) dat zij 1) achter klagers rug contact zou hebben gehad met de Jeugdbescherming, 2) eenzijdig klagers ambulante zorg thuis heeft beëindigd met letselschade als gevolg, 3) klager heeft uitgescholden voor 'paranoïde gek' en 4) dat zij klager zonder enige reden heeft laten afvoeren met een psycholance naar het crisicentrum van een GGZ-instelling. Verweerster heeft verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 19 juni 2019 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a g e r,

 

tegen

 

C,

verpleegkundige,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. A.M. van der Knaap, verbonden aan L.             

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     het proces-verbaal van het op 28 augustus 2019 gehouden vooronderzoek;

-                     de brief van 6 september 2019 van (de gemachtigde van) verweerster.

 

De klacht is in raadkamer behandeld.

 

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      In november 2018 is klager, na een klinische opname bij een ggz-instelling, aangemeld bij het D (D), waar verweerster werkzaam is als verpleegkundige. Het doel van de behandeling door het (multidisciplinaire) D-team was het bieden van overbruggingszorg gedurende de periode dat klager op de wachtlijst stond voor een ambulante ggz-behandeling. Verweerster had gemiddeld ééns per week contact met klager.

 

2.2.      Op 13 december 2018 is er telefonisch contact geweest tussen klager en verweerster. Verweerster heeft haar zorgen omtrent de verslechtering van het toestandsbeeld van klager aan de regiebehandelaar voorgelegd. In de aantekening in het medisch dossier van die dag is (onder andere) opgenomen:

“D/13-12-2019

Iom met [naam regiebehandelaar]

Pt belt. Hij wil niet naar de 1e ch komen. Durft ook zijn huis niet uit is te angstig denkt dat zijn partner dan in huis komt om spullen van hem te doorzoeken. Tevens heeft hij een traumatische ervaring met de kliniek en politie. Pt is niet over te halen om toch te komen. De setting geeft teveel stress.

 

Overleg:

Gezien de afgelopen dagen lijkt er een verslechtering te ontstaan van het beeld waarbij, als de verslechtering nog meer doorzet, pt mogelijk uit zijn huis kan worden gezet en zijn kinderen dreigt te verliezen. Om juist hem hiervoor te beschermen zal pt opnieuw beoordeeld moeten worden of een IBS toch nodig is.

 

Overleg:

Politie+psycholance ingeschakeld.

Samen met psycholance + politie naar pt gegaan. (…)

(…)

C/Geen aanwijzingen voor een (manisch) psychotisch toestandsbeeld. Patient geeft drugsgebruik toe. Heeft vrijdag 7 december crystal meth gebruikt, mogelijk heeft het gebruik bijgedragen aan verslechtering van het beeld wat de afgelopen dagen is geobserveerd.

 

B/IBS is niet aangevraagd. Pt is naar huis. D contuineerd HB. Morgen Hb om half 4.

(…)”.

 

2.3.      Naast het D-team was de Jeugdbescherming B bij klager en zijn ex-partner betrokken vanwege zorgen over de twee kinderen. Het D-team, dat als doel heeft ondersteuning op alle levensgebieden, heeft klager aangeboden te bemiddelen in het herstellen van de communicatie tussen klager en de Jeugdbescherming. Op 19 december 2018 heeft een collega van verweerster, samen met klager, telefonisch contact opgenomen met de Jeugdbescherming. In het verslag van dat telefoongesprek in het medisch dossier van klager staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“[naam collega verpleegkundige], 19-12-2018

(…)

Samen Jeugdzorg gebeld (…)

Pt kan tijdens het telefoongesprek goed zijn verhaal doen. Jeugdzorg gevraagd om de afgelopen gesprekken schriftelijk te versturen aan pt. [naam medewerker Jeugdzorg] geeft aan dat zij niets heeft bijgehouden en alleen het telefoongesprek van vandaag kan mailen. Is op dit moment aan het typen.

[naam medewerker jeugdzorg] vraagt per sms of wij elkaar kunnen spreken, niet over de inhoud, maar over de samenwerking.

(…)”.

 

2.4.      Vervolgens heeft verweerster op 21 december 2018 telefonisch contact opgenomen met klager om hem een datum voor een gezamenlijke afspraak tussen D, Jeugdzorg en klager door te geven. Om 16:08 uur die dag heeft verweerster een e-mail gestuurd met de schriftelijke bevestiging van die afspraak. Naar aanleiding daarvan heeft klager telefonisch contact gezocht met verweerster omdat die e-mail van 16:08 uur naar een oud e-mailadres van klager was gestuurd. In de aantekening in het medisch dossier die dag staat (onder andere) vermeld:

rapportage telefonisch contact 21-12-2018 (…)

Pt belt wederom op. Uit zijn ongenoegen over de mail (waar hij zelf om heeft gevraagd). Zegt dat [naam] een strafbaar feit heeft gepleegd. Ook zijn wij allemaal niet te vinden in het BIG-register en hij stelt mij persoonlijk aansprakelijk voor het feit dat hij straks zijn kinderen kwijt is. Geprobeerd rustig het gesprek in te gaan. Bij bedreigingen werd ik ook boos en heb toen aangegeven dat wij vanaf dag 1 alleen maar ons best hebben gedaan om pt te ondersteunen en dat hij dit nu zo anders ziet dit vreemd op mij overkomt. Geprobeerd om weer het contact te zoeken wat niet lukte. Aangegeven dat ik vond pt snel praatte en dat alle ideeën paranoïde op mij overkomen.

 

Aangegeven dat we voor nu even het gesprek laten rusten en dat we maandag voor het huisbezoek contact hebben om te beoordelen of pt dan wel in staat is om rustig het huisbezoek in te gaan. Patiënt gaf meteen aan dat dit niet gaat lukken. Hij is nu te boos.

 

C/Komt achterdochtig over en heeft ideeën die paranoïde getint zijn. Moeilijk blijft om te beoordelen of dit psychotisch is of dat pt echt het idee heeft dat de hele wereld tegen hem is, wat ook een beetje zo is.

(…)”.

 

2.5.      Op 24 december 2018 heeft klager een e-mail gestuurd naar verweerster en naar de regiebehandelaar van het D-team, waarin hij (onder meer) aangeeft dat het D-team de zorg éénzijdig heeft opgezegd. In reactie daarop heeft de regiebehandelaar klager op 31 december 2018 per e-mail geantwoord. In die e-mail staat (onder andere) vermeld:

“Beste meneer [naam klager],

Graag wil ik reageren op uw email om toch nog eens te benadrukken dat het D met de beste intentie zorg aan u probeert te verlenen. Tijdens onze afspraken proberen wij ons een beeld te vormen van uw psychiatrisch toestandsbeeld en proberen wij met u te kijken wat er nodig is om herstel zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen. Wij denken van u te hebben begrepen dat de zorg voor uw kinderen één van uw prioriteiten is. Om die reden hebben wij aan Jeugdzorg voorgesteld met elkaar in gesprek te gaan.

Iets waar we u zeker niet toe willen dwingen, maar ook helemaal niet toe kunnen dwingen (…).

 

U schrijft in uw mail dat de zorg aan u door het D is beëindigd. Ik denk dat er een misverstand is. Wat het D betreft, kan zorg geleverd worden en daar zou ik dan ook graag een volgende afspraak voor plannen (…).

 

Ik heb plek in de agenda van mij en [naam collega] gereserveerd op [datum en tijdstip]. Ik hoop dat u op mijn uitnodiging in wilt gaan. Zullen we kijken wat een geschikte locatie zou kunnen zijn voor dit gesprek?

(…)”.

 

2.6.      Op 28 februari 2019 heeft een gesprek met klager en de verschillende behandelaren plaatsgevonden om terug te kijken op de D-periode.

 

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

1.   achter klagers rug om contact zou hebben gehad met de Jeugdbescherming, regio B;

2.   klager heeft uitgescholden voor ‘paranoïde gek’;

3.   eenzijdig klagers ambulante zorg thuis heeft beëindigd met letselschade als gevolg;

4.   klager op 13 december 2018 zonder enige reden heeft laten afvoeren met een psycholance naar het crisiscentrum van een ggz-instelling.

 

Voor zover nodig wordt hieronder op het standpunt van klager ingegaan.

 

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

5.1.      De vraag die beantwoord moet worden is of verweerster ‘binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening’ is gebleven. Of anders gezegd: of zij voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld.

 

5.2.      Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt het college als volgt. Volgens klager werd met zijn afwijzing op het aanbod van verweerster te bemiddelen in het contact met de Jeugdzorg geen genoegen genomen. Op 19 december 2019 werd de collega van verweerster gebeld door Jeugdzorg; de telefoon stond op de speaker en opeens moest hij deelnemen aan een gesprek waar hij niet op voorbereid was. Verweerster daarentegen voert aan dat zij klager meerdere keren heeft uitgelegd dat het contact met Jeugdzorg niet verplicht was, maar hem wel heeft gezegd dat zij van mening was dat het gesprek met Jeugdzorg in zijn belang was. Volgens verweerster is zij altijd transparant geweest richting klager over de contacten die zij met Jeugdzorg had.

 

5.3.      Naar het oordeel van het college mocht verweerster uitgaan van ‘veronderstelde toestemming’ van klager contact te hebben met Jeugdzorg, nu klager heeft deelgenomen aan een telefoongesprek met Jeugdzorg en een collega van verweerster. Zelfs wanneer klager overvallen werd door dit gesprek, zoals hij aangeeft, had het op zijn weg gelegen bezwaar te maken tegen het gesprek en het gesprek te beëindigen. Ook op 21 december 2018 had klager (nogmaals) te kennen kunnen geven geen gezamenlijke gesprek te willen met Jeugdzorg en het D, in plaats van (kennelijk) te vragen om een schriftelijke bevestiging van de gezamenlijke afspraak. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

 

5.4.      Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel merkt het college het volgende op. Volgens klager heeft verweerster hem 21 december 2018 telefonisch uitgescholden voor ‘paranoïde gek’. Verweerster geeft aan dat het bewuste telefoongesprek onprettig verliep en dat  zij tijdens dat gesprek heeft aangegeven dat klager snel praatte en dat zijn ideeën paranoïde op haar overkwamen.

 

5.5.      Niet is komen vast te staan dat verweerster klager voor ‘paranoïde gek’ heeft uitgescholden. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet zo is dat aan het woord van verweerster meer geloof wordt gehecht dan aan het woord van klager. Daar gaat het namelijk niet om. Voor het oordeel dat een gedraging tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar is, moeten de feiten die zijn voorgevallen worden vastgesteld. Dat kan het college hier niet, omdat de lezing van partijen over hetgeen is voorgevallen, uiteenloopt. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond.

 

5.6.      Het derde klachtonderdeel behelst het verwijt dat verweerster éénzijdig de behandelrelatie met klager op 21 december 2018 heeft beëindigd. Volgens verweerster was het aan de regiebehandelaar te reageren op klagers e-mail van 24 december 2018 waarin hij aangeeft dat de behandelrelatie door verweerster is beëindigd. Zij heeft op 21 december 2018  aangegeven het gesprek voor dat moment even te willen laten rusten, het niet verantwoord te vinden op dat moment alleen op huisbezoek te gaan en voor het volgende huisbezoek eerst contact te willen hebben met klager ter beoordeling van de vraag of een huisbezoek dan wel mogelijk zou zijn. Zij betwist de behandelrelatie opgezegd te hebben.

 

5.7.      Naar het oordeel van het college mist het derde klachtonderdeel feitelijke grondslag en is het om die reden reeds ongegrond. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster op 21 december 2018 de behandelrelatie met klager éénzijdig heeft opgezegd. Dat klager dat kennelijk zo heeft opgevat, doet daar niet aan af.

 

5.8.      In het vierde klachtonderdeel verwijt klager verweerster tot slot dat zij hem op 13 december 2018 – naar aanleiding van een melding van zijn ex-echtgenoot met wie hij in een vechtscheiding was verwikkeld - zonder enige reden met een psycholance heeft laten afvoeren naar het crisiscentrum van een ggz-instelling. Verweerster betwist dat de melding van de ex-echtgenoot van klager de enige aanleiding was, maar dat ook de verslechtering van klagers situatie de dagen ervoor in combinatie met zijn voorgeschiedenis en het niet meer opnemen van de telefoon, ertoe heeft geleid dat zij haar zorgen met betrekking tot klager heeft voorgelegd aan de regiebehandelaar. De regiebehandelaar, een psychiater, heeft vervolgens de indicatie gesteld voor een IBS-beoordeling. Zij heeft geprobeerd klager te motiveren naar de beoordelingslocatie van de kliniek te komen, maar omdat klager hiertoe niet was over te halen, is zij met de politie en de psycholance naar zijn huis gegaan, aldus verweerster.

 

5.9.      Hoewel het college onderkent dat het voor klager een ingrijpende gebeurtenis moet zijn geweest met een psycholance te worden overgebracht naar een crisiscentrum, kan verweerster van het besluit daartoe geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het college is van oordeel dat verweerster voldoende aanleiding had haar zorgen omtrent klager voor te leggen aan een psychiater, die vervolgens een eigen professionele verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid heeft iemand al dan niet te laten beoordelen in het kader van een IBS. Het vierde klachtonderdeel is ongegrond.

 

5.10.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

 

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist op 29 oktober 2019 door:

P.J. van Eekeren, voorzitter,

E.M. Vink-de Goeij, en P.A. Arnold, leden-verpleegkundige,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.









WG  secretaris                                                                                      WG   voorzitter

Meer informatie

Acties

Meta gegevens