Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2019:280
Datum uitspraak:
19-11-2019
Datum publicatie:
20-11-2019
Zaaknummer(s):
c2018.488
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen gz-psycholoog die een Pro Justitia-rapportage heeft opgesteld. Klagers zijn de verdachte waarop het rapport betrekking heeft en zijn echtgenote. Klager heeft aan het PJ‑onderzoek geen medewerking verleend (zogenoemd weigerrapport). Het Regionaal Tuchtcollege stelt vast dat de gz‑psycholoog het inzage- en correctierecht heeft geschonden (klachtonderdeel 1) en dat het onderzoek en de rapportage op essentiële punten niet voldoen aan de daarvoor geldende criteria (klachtonderdeel 2) en legt een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat klaagster geen belanghebbende is en derhalve niet-ontvankelijk is in haar klacht. Voorts verklaart het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel 2 alsnog ongegrond. De maatregel van berisping blijft gehandhaafd.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.488 van:

A., gz-psycholoog, domicilie kiezend bij Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht, appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. M.J. de Groot, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

tegen

B. en C., beiden wonende te D., verweerders in beroep, klagers in eerste aanleg.

1.        Verloop van de procedure

B. en C. – hierna onderscheidenlijk klager en klaagster, tezamen ook klagers – hebben op 11 juni 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. – hierna de

gz-psycholoog – een klacht ingediend. Dat college heeft de klacht ter behandeling doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. Dit laatste college heeft bij beslissing van 5 november 2018, onder nummer 18/334, de klachtonderdelen 1 en

2 gegrond verklaard, aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping opgelegd en bepaald dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften De psycholoog, GZ‑psychologie en de Nieuwsbrief forensische zorg ter bekendmaking zal worden aangeboden.

De gz-psycholoog is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klagers hebben een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 3 oktober 2019, waar zijn verschenen de gz-psycholoog, in persoon en bijgestaan door mr. M.J. de Groot, voornoemd, en klagers, in persoon. Partijen hebben ter terechtzitting hun standpunten nader toegelicht.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

2.1       Verweerster is GZ-psycholoog en in het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen voor het deskundigheidsgebied FPPO strafrecht volwassenen geregistreerd.

2.2       Klager is werkzaam als huisarts te D., klaagster is psychotherapeute. Klager en klaagster zijn met elkaar getrouwd. De moeder van klaagster (hierna: mevrouw W.) is op 29 juli 2016 overleden.

2.3       Klager wordt door het Openbaar Ministerie, arrondissementsparket te D., vervolgd (primair) voor moord op mevrouw W., door haar in zijn hoedanigheid als behandelend arts in de periode (vlak) voor haar overlijden bepaalde medicatie voor te schrijven en toe te dienen. Klager heeft in februari 2018 zeventien dagen en van

20 april 2018 tot 4 mei 2018 in voorarrest gezeten. Vanaf 4 mei 2018 werkt hij weer als huisarts. Klager is in afwachting van de verdere strafrechtelijke procedure.

2.4       In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft verweerster in opdracht van de officier van Justitie een psychologisch onderzoek Pro Justitia (hierna: het onderzoek) ingesteld omtrent de persoon van klager en op basis daarvan een Pro Justitia rapport (hierna: het rapport) opgesteld. Het rapport is uitgebracht op

26 mei 2018, nadat verweerster op 23 mei 2018 feedback had gekregen van het NIFP op het conceptrapport van 20 mei 2018.

2.5       Klager heeft niet meegewerkt aan het onderzoek, zodat het rapport moet worden aangemerkt als een zogenoemd ‘weigerrapport’.

2.6       Klaagster is in het strafrechtelijk onderzoek gehoord als getuige. De naam van klaagster komt een aantal keren voor in het rapport.

3.         De klacht en het standpunt van klagers

De klacht houdt in dat verweerster:

1.                 het klager toekomend inzage- en correctierecht heeft geschonden en

2.                 ondeugdelijk onderzoek heeft verricht en een ondeugdelijke rapport heeft opgesteld Ter nadere onderbouwing van dit klachtonderdeel hebben klagers een aantal voorbeelden naar voren gebracht. Deze voorbeelden zijn illustratief en niet uitputtend bedoeld door klagers.

4.                 Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft zich ten aanzien van klaagster primair beroepen op niet‑ontvankelijkheid. Verder heeft zij (subsidiair wat betreft klaagster) de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

De ontvankelijkheid van klaagster

5.1       Verweerster stelt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende is aan te merken. Het handelen van verweerster in het kader van de individuele gezondheidszorg heeft alleen betrekking gehad op klager, aldus verweerster.

5.2       Het college overweegt als volgt. Om aangemerkt te worden als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) dient er aan de zijde van klaagster sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.

Tussen klaagster en verweerster bestaat geen behandelrelatie. Het betreft hier immers een forensisch psychologische adviesrapportage omtrent de persoon van klager tegen de achtergrond van een strafrechtelijk onderzoek. Vaststaat evenwel dat de door klagers opgeworpen - hierna in 5.9 te noemen - voorbeelden 4, 5 en 6 zien op beschouwingen van verweerster, die verweerster heeft geuit in haar hoedanigheid van beroepsbeoefenaar. Het verweten handelen betreft opmerkingen in het rapport over (onder meer) klaagster in persoon, die haar ook treffen in persoon. Klaagster heeft in de gegeven omstandigheden tevens een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, zoals hierna wordt toegelicht in 5.5. Dit brengt mee dat klaagster moet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Dat verweerster, zoals zij stelt, de verweten passages heeft gebaseerd op basis van informatie uit gerechtelijke stukken van (andere) getuigen en klager, doet – wat daar ook van zij – aan deze kwalificatie niet af. Daarmee is ook klaagster ontvankelijk in haar klacht.

Klachtonderdeel 1: Schending inzage- en correctierecht klager

5.3       In de NIFP Richtlijn “Ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht (volwassenen en jeugdigen”), 2007 (hierna “de NIFP richtlijn”) staat vermeld:

“Conform de beroeps- en gedragscodes heeft betrokkene recht op inzage en correctie (maar geen blokkeringsrecht) van het conceptrapport, dus voordat dit naar de opdrachtgever verzonden wordt. Dit houdt in dat betrokkene feitelijke onjuistheden in de auto-anamnestische gegevens mag laten corrigeren. Het correctierecht betreft uiteraard niet het oordeel of het advies van de gedragsdeskundige. Betrokkene moet in de gelegenheid gesteld worden om zijn bezwaren op schrift te stellen en eventueel gelijktijdig met de rapportage naar de opdrachtgever te sturen. Als geen inzage- en correctierecht kan worden geboden of als betrokkene daarvan afziet, dan dient de reden hiervoor in het rapport aangegeven te worden.”

5.4       Verweerster erkent dat zij te snel is geweest in haar aanname dat klager door zijn weigering medewerking te verlenen aan het onderzoek, actief heeft afgezien van zijn inzage- en correctierecht. Daarmee slaagt dit klachtonderdeel.

Klachtonderdeel 2: Ondeugdelijk onderzoek en ondeugdelijk rapport

5.5       De tuchtrechtelijke normen

De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, eerste lid, onder a en b Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm), maar ook ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm).

De relatie tussen verweerster en klager wordt aangemerkt als een behandelrelatie, zodat het college de klachten van klager zal toetsen aan de eerste tuchtnorm.

Ten aanzien van de klacht van klaagster dient het college de vraag te beantwoorden is of deze klachten onder de tweede tuchtnorm vallen en, zo ja, of verweerster in strijd met die norm heeft gehandeld. Daarvoor is bepalend of het handelen van verweerster waarover klaagster klaagt, voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg. In samenhang bezien met het overwogene in 5.2, is het college van oordeel dat het handelen van verweerster waarover klaagster klaagt, voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg.

5.6       Toetsingsmaatstaf deskundigenadvies (onderzoek & rapport)

Bij de beoordeling van de vraag of een deskundigenadvies van een beroepsbeoefenaar voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.7       In de NIFP-richtlijn staat, voor zover van belang:

3.2 Relevante informatie uit gerechtelijke stukken

(…) Wat is relevant in het dossier? De crux is om in zo weinig mogelijk woorden te beschrijven wat er is gebeurd: het ten laste gelegde, wat de aangever tegen de politie heeft gezegd, wat getuigen hebben gezien en wat de verdachte zelf heeft verklaard. Stel uzelf de vraag: kan iemand die niets van de strafzaak weet toch begrijpen wat er heeft plaatsgevonden volgens de aangever, de getuigen en de verdachte zelf? Zolang alle betrokkenen min of meer hetzelfde verklaren, is dit betrekkelijk eenvoudig. Moeilijker wordt het als aangever, getuigen en de verdachte verschillende versies van het ten laste gelegde vertellen. U hoeft niet hele stukken uit het politiedossier over te schrijven, maar probeer juist in uw eigen woorden te vertellen hoe u de gebeurtenissen hebt begrepen.

Naast informatie over het ten laste gelegde die afkomstig is van de politie, wordt door de opdrachtgever ook een kopie verstrekt van de justitiële voorgeschiedenis (het Uittreksel Justitiële Documentatie) (…). Ook deze informatie dient hier kort beschreven te worden. (…)

Ten eerste geeft de rapporteur met het beschrijven van de informatie uit de gerechtelijke stukken aan de opdrachtgever inzicht in de wijze waarop hij deze heeft bestudeerd en geeft hij inzicht in hetgeen hij daarin belangrijk vindt. De rapporteur legt verantwoording af over het wegen van de informatie. (…)

Ten derde dient het rapport zodanig te zijn opgesteld dat het ook zonder dossierstukken gelezen kan worden. (…)

Tot slot is in de gedragscode van het NRGD vermeld dat de deskundige zich toetsbaar dient op te stellen (…)”

3.3 Medewerking aan het onderzoek

Onder deze paragraaf wordt beschreven of en in welke mate de verdachte aan het psychologisch onderzoek heeft meegewerkt. De achtergrond hiervan is dat het voor de opdrachtgever van groot belang is inzicht te verkrijgen in de redenen waarom een verdachte (deels)zijn medewerking weigert. (…) De deskundige schrijft op wat in het (soms zeer korte) onderzoekscontact en in het licht van de beschikbare gerechtelijke stukken gezegd kan worden over de (gedeeltelijke) weigering. (…)”

5.8       Het college zal het klachtonderdeel aan de hand van deze maatstaven (5.6 en 5.7) beoordelen. Daarbij is de motivering ingedeeld als volgt:

-bespreking voorbeelden van klagers ter illustratie van hun klacht,

-overwegingen met betrekking tot hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht naar aanleiding van dit klachtonderdeel,

-conclusie klachtonderdeel 2.

5.9       Voorbeelden van klagers

5.9.1   Voorbeeld 1

Op pagina 5 van het rapport staat: “Later zal de collegae huisarts waarmee betrokkene een praktijk heeft laten weten dat er diverse middelen zoals Dormicum en Morfine uit hun voorraad in de huisartsenpraktijk ontbrak.”

Verweerster bevestigt dat, zoals gesteld door klager, blijkens de hieraan ten grondslag liggende getuigenverklaring van genoemde collega huisarts, dit voorval heeft plaatsgevonden op 11 september 2017, dus na het overlijden van mevrouw W. Verweerster erkent dat zij beter de data had moeten vermelden. Het college is van oordeel dat met deze ongedateerde beschrijving van dit voorval, in samenhang bezien met de daaraan vooraf gaande beschrijving in dezelfde alinea van (sederende) medicatie die mevrouw van W. in de laatste dagen van haar leven heeft gekregen, eveneens zonder nadere datering, de suggestie wordt gewekt dat dit voorval heeft plaatsgevonden in de periode vlak voor het overlijden van mevrouw W. en waarmee – ten onrechte – een verband wordt gelegd met klager dat niet strookt met de werkelijke tijdslijn. Dat merkt het college aan als onzorgvuldig. De overige opmerkingen van klager met betrekking tot de hier bedoelde alinea zijn blijkens het klaagschrift ‘terzijde’, zodat het college deze bij de beoordeling passeert.

5.9.2   Voorbeeld 2

Op pagina 8 van het rapport staat: “Hij (betrokkene in de politieverhoren, college) toont zich cynisch en wantrouwend. Hij wil over zijn sociale omstandigheden niets verklaren. Het eerste verhoor dreigt hij te beëindigen omdat hij de stukken (nog) niet mag ontvangen. (…). Tijdens het tweede verhoor is de advocaat van betrokkene aanwezig. Betrokkene beroept zich op zijn zwijgrecht en blijft dat in alle verhoren doen.”

Klager heeft onweersproken gesteld dat hij tijdens het eerste verhoor geen advocaat had, geen inzage kreeg in het tenlastegelegde en dat hij zich heeft beroepen op zijn beroepsgeheim, alsmede dat hij bij het vierde verhoor (een verhoor bij de rechter-commissaris) wel een korte verklaring heeft afgelegd.

Het college is van oordeel dat deze informatie uit oogpunt van objectiviteit ook (explicieter) opgenomen had moeten worden in het rapport. Daarmee zou immers de wel opgenomen passage in voor klager positieve zin zijn genuanceerd wat betreft zijn houding tijdens de verhoren. Verweerster heeft door het weglaten van deze informatie onzorgvuldig gehandeld.

5.9.3   Voorbeeld 3

Op pagina 6 van het rapport staat: “Betrokkene doet in de door de politie afgeluisterde telefoongesprekken o.a. met zijn vrouw alsof mevrouw H. (afkorting, college) degene is die de diagnose “terminaal” heeft gesteld. Iets wat mevrouw H. absoluut tegenspreekt.”

Verweerster erkent dat de formulering ‘doet alsof’ niet letterlijk afkomstig is uit de gerechtelijke stukken, maar een “feitelijke vaststelling” betreft van haarzelf op basis van weging van de in de gerechtelijke stukken opgenomen inhoud van het desbetreffende afgeluisterde telefoongesprek in relatie tot andere gerechtelijke stukken. Het college beschouwt deze formulering als een (negatieve) waardering van het waarheidsgehalte van een in de gerechtelijke stukken opgenomen citaat van klager. Een dergelijke oordeelsvorming ligt niet op de weg van verweerster. Zij is daarmee buiten de grenzen getreden van haar professie en het doel van het onderzoek.

5.9.4   Voorbeeld 4

Op pagina 8 van het rapport staat: “Hij (klager, college) zegt in de verhoren dat hij zich gevoegd heeft in de wens van zijn vrouw om een kind te krijgen.” Verweerster voert aan dat deze uitspraak, anders dan klager stelt, wél voortvloeit uit een proces-verbaal van verhoor van klager (pagina 1705). Klaagster heeft dit op haar beurt niet nader weersproken, zodat het college het erop houdt dat het standpunt van verweerster juist is. Dit voorbeeld kan dus niet dienen ter onderbouwing van de stelling van klagers dat het rapport op punten geen juiste weergave geeft van de gerechtelijke stukken.

5.9.5   Voorbeeld 5

Op pagina 8 van het rapport staat: “De vrouw van betrokkene zegt tegenover de politie dat er een psychiater op afstand betrokken is geweest bij de zorg rondom haar moeder. Als deze psychiater door de politie verhoord wordt, ontkent zij mevrouw W. te kennen, laat staan dat zij iets met haar te maken heeft gehad. Ook wordt een gz-psycholoog genoemd die ook zegt geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij mevrouw W. (…)”

Klaagster stelt allereerst dat de genoemde psychiater L. betreft, die wel betrokken is geweest bij de zorg rondom mevrouw W. Verweerster acht de in het rapport vermelde ontkenning van de betrokkenheid van de psychiater niet onjuist en verwijst naar een verklaring van deze psychiater op pagina 672 en een verklaring van een GZ-psycholoog op pagina 979. Deze pagina’s zijn niet in de onderhavige procedure overgelegd. Wel heeft het college kennisgenomen van het door klaagster overgelegde tweede verhoor van psychiater L. van 4 april 2018. De psychiater geeft daarin aan door klager geconsulteerd te zijn met betrekking tot mevrouw W., dat ze zich het alleen niet meer kon herinneren en er pas later achter kwam dat de huisarts die haar consulteerde klager was.

Klaagster stelt verder, onderbouwd door overlegging van haar getuigenverhoor van 21 oktober 2017, dat zij het niet heeft gehad over de in het rapport genoemde GZ-psychologe. Zij stelt, dat dit W. betreft en dat die alleen wordt genoemd in het dossier van huisarts. Verweerster heeft dit niet betwist, zodat het college het ervoor houdt dat de stelling van klaagster juist is.

Het college acht deze onvolledige dan wel foute formuleringen van verweerster onzorgvuldig, nu daardoor ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat klaagster niet de waarheid heeft gesproken.

5.9.6   Voorbeeld 6

Op pagina 7 van het rapport staat: “Een ex-collegae huisarts geeft aan zich ernstige zorgen te maken over zowel betrokkene als zijn vrouw als zij zodanig onder druk komen te staan. Zij beschrijft beide partners als onberekenbaar.”

Klaagster stelt dat daarbij (onder meer) niet is vermeld dat deze getuige een door klager in onmin ontslagen waarnemer betreft. Verweerster betwist dit niet, maar voert aan dat het weglaten van deze toevoeging door klaagster de vermelding van de wel genoemde verklaring niet onjuist of suggestief maakt. Het college is met klaagster van oordeel dat het weglaten van deze toevoeging onzorgvuldig is, aangezien dit een omstandigheid is die de verklaring van deze getuige in een mogelijk nuancerende context plaatst in het voordeel van klagers.

5.9.7   Overige voorbeelden genoemd door klagers

Op pagina 1 van het rapport staat een foute weergave van het woonadres van klagers.

Verweerster erkent dit maar geeft aan dat zij dit heeft overgenomen uit het proces-verbaal van de politie, waarin meerdere adressen stonden, en dat zij op die informatie mocht vertrouwen. Het college volgt dit standpunt niet. Nu het proces-verbaal kennelijk niet eenduidig is over het woonadres, had verweerster dit nader moeten onderzoeken, ook vanwege het belang daarvan ten behoeve van het in staat kunnen stellen van de betrokkene tot het inzage- en correctierecht op het conceptrapport (wat hier, als overwogen, niet is gebeurd). Dat zij dit heeft nagelaten, acht het college onzorgvuldig.

Ook staat vast dat op de slotpagina van het rapport als BIG-registratienummer het registratienummer als gerechtelijk deskundige (NRGD) staat vermeld. Verweerster erkent dat dit slordig is. Het college acht dit onzorgvuldig, gegeven het belang dat verweerster in haar hoedanigheid van BIG-beroepsbeoefenaar in kwestie ken- en toetsbaar dient te zijn.

5.10     Overige overwegingen als besproken ter zitting

Voornoemde voorbeelden zijn door klagers bedoeld als illustratief en niet uitputtend. Ter zitting zijn bovendien nog andere aspecten ter zake van dit klachtonderdeel aan de orde gekomen. Op basis daarvan wordt het volgende overwogen.

5.10.1 Contact met klager in verband met medewerking onderzoek en inzage- en correctierecht

In hoofdstuk 1 van het rapport ‘Verantwoordelijkheid onderzoek en onderzoeksopzet’ (pagina 4) wordt weergegeven dat verweerster “na wat zoekwerk” betrokkene telefonisch heeft gesproken en dat in “het telefoongesprek” klager heeft aangegeven dat hij niet aan het onderzoek wil meewerken, hetgeen door zijn advocaat “die een aantal weken later op mijn verzoek terugbelt” wordt bevestigd. Verweerster had, gezien het belang om kennis te nemen van de visie van klager omtrent de eventuele medewerking aan het onderzoek en het inzage- en correctierecht, specifieker verantwoording dienen af te leggen van de datum en het inhoudelijk verloop van deze telefoongesprekken, met name de door klager aangevoerde redenen voor zijn door verweerster genoteerde beslissingen.

Dit klemt temeer gezien de passage: “Aan beiden (klager en zijn advocaat, college) heeft ondergetekende uitgelegd dat er desondanks een rapport opgesteld zal worden op basis van de informatie uit het dossier. Daar betrokkene geen gesprek wil met ondergetekende ziet hij af van zijn inzage- en correctierecht.” Uit de formulering van deze laatste zin, in samenhang bezien met het voorgaande, kan niet worden opgemaakt of klager aan verweerster expliciet heeft meegedeeld dat hij afziet van zijn inzage- en correctierecht of dat dit de interpretatie van verweerster is. Verweerster had hierover geen onduidelijkheid mogen laten bestaan in haar formulering. Zij had dan ook niet zonder meer in het slothoofdstuk 13 “Bespreking met de betrokkene” mogen noteren: “Hij (betrokkene, college) heeft afgezien van inzage- en correctierecht.” Verweerster heeft hier onzorgvuldig gehandeld.

5.10.2 Beschouwingen in hoofdstuk 2 in relatie tot beschikbare en geraadpleegde stukken

Op pagina 3 van het rapport wordt een opsomming gegeven van een zestal “Beschikbare en geraadpleegde stukken”. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 van het rapport (“Relevante informatie uit de gerechtelijke stukken”) terugverwezen naar de in die opsomming genoemde stukken, te weten het “proces-verbaal van de politie” (pagina 4), het “verhoor bij de rechter-commissaris” (pagina 8 en 9) en het “trajectconsult” (pagina 9).

In hoofdstuk 2 wordt echter niet verwezen naar de andere drie in de opsomming genoemde stukken, te weten het “Overzicht aanvraag JD online, overzicht persoonsdossier”, de genoemde stukken van “Rechtbank E.”, de genoemde “Pleitaantekeningen” van een advocatenkantoor en het “Uittreksel justitieel documentatieregister d.d. 21-02-2018”. Het had op de weg van verweerster gelegen in het rapport toe te lichten of zij ook van deze stukken gebruikt heeft gemaakt en zo ja, welke informatie, dan wel waarom niet. In het bijzonder had verweerster in het rapport moeten vermelden dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, klager blijkens het geraadpleegde Uittreksel justitieel documentatieregister geen strafblad heeft. Het college acht het onzorgvuldig dat zij dit heeft nagelaten, nu dit relevante, objectieve informatie betreft aangaande de persoon van klager.

De eerste zin van hoofdstuk van het rapport luidt: “Er is sprake van een zeer omvangrijk politiedossier van ongeveer 2100 bladzijden.” Niet duidelijk wordt echter op welk stuk c.q. welke stukken uit de opsomming zij doelt met de term “politiedossier”, welke niet voorkomt in de opsomming van beschikbare en geraadpleegde stukken. Blijkens de aanhef van de volgende zin “Uit het proces-verbaal van de politie volgt (…)” put verweerster bij haar beschouwingen op pagina 4 tot pagina 9 klaarblijkelijk uit dat proces-verbaal. In deze beschouwingen wordt gedetailleerd ingegaan op onder meer politieverhoren van klager en getuigenverklaringen van derden, onder wie klaagster. Deze stukken zijn echter niet nader geduid. Het moge zo zijn dat ingevolge de NIFP richtlijn het rapport los van de onderliggende stukken gelezen en getoetst moet kunnen worden, maar dat neemt niet weg dat, zoals eveneens vermeld in die richtlijn, de rapporteur verantwoording dient af te leggen over het wegen van de informatie. Dit belang van ken- en toetsbaarheid klemt temeer nu in deze beschouwingen kwalificerende termen worden gebruikt zoals bijvoorbeeld (cursief: college):

-“Voor velen erg onduidelijk waarom betrokkene begonnen is met palliatief sedatie omdat mevrouw W. kort daarvoor fysiek nog in orde was.” (pagina 6),

-“Door meerdere mensen wordt vermeld dat betrokkene de kamer van mevrouw W. binnen is gegaan, de deur afgesloten heeft en duidelijk heeft gemaakt aan het personeel dat er niemand binnen moet komen. Dat is ongebruikelijk in het verzorgingstehuis en heeft vragen opgeroepen.” (pagina 6)

-“In de politieverhoren van betrokkene toont betrokkene zich duidelijk vijandig naar de politie in de zin dat hij termen gebruikt als ‘gluren’ in zijn leven en dat zij hem ‘in studie’ hebben.”(pagina 8)

Verweerster maakt niet duidelijk of zij letterlijk citeert uit de (niet nader geduide) geraadpleegde stukken uit het proces-verbaal of dat zij daarvan een samenvatting geeft, hetgeen zou neerkomen op haar eigen interpretatie daarvan. 

Het rapport vermeldt aldus onvoldoende de bronnen waarop de geformuleerde bevindingen van verweerster berusten en evenmin wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden deze bevindingen steunen. Deze handelwijze is onzorgvuldig uit oogpunt van het belang van ken- en toetsbaarheid van het door verweerster verrichte onderzoek en de geformuleerde weerslag daarvan in het rapport.

Bovendien heeft verweerster desgevraagd ter zitting erkend dat de informatie in de noot (1) onderaan pagina 7 van het rapport (“Betrokkene is in het nieuws geweest in een zaak die veel commotie opleverde. (…)” niet afkomstig is uit de opgesomde ‘Beschikbare en geraadpleegde stukken’, maar dat zij dit zelf heeft gegoogled en “gewoon voor de gelegenheid” heeft opgeschreven in het rapport, bedoeld als “verdieping, niet als beeldvorming”. Ook deze handelwijze is onzorgvuldig te achten, temeer nu de informatie in de noot onmiskenbaar wel kleuring geeft aan de persoon van klager.

5.10.3 “Beantwoording van de vraagstelling”

Dit hoofdstuk 11 van het rapport (pagina 10) begint met de zin “Betrokkene wenst niet mee te werken aan het psychologisch onderzoek. Derhalve is het niet mogelijk te komen tot een beantwoording van vragen.” Verweerster geeft vervolgens weliswaar geen antwoord op de vragen (die zijn geformuleerd op pagina 3 van het rapport onder ‘Vraagstelling’), maar komt wel met de volgende beschouwing:

“In het dossier worden door talrijke getuigen uitspraken gedaan over de persoonlijkheid en het gedrag van betrokkene die mogelijk kunnen wijzen in de richting van (narcistische) persoonlijkheidsproblematiek (hooghartig, eigenwijs, arrogant, niet kunnen reflecteren, alles zelf willen doen, niet op andere deskundigen vertrouwen) en/of van een stoornis in het autisme spectrum (ongepaste opmerkingen, gebrek aan afstemming met zijn omgeving, rigiditeit). Er is veel onduidelijkheid over de motieven van betrokkene om te handelen zoals hij gedaan heeft. Het gaat om ernstige ten laste leggingen.”

Het college overweegt allereerst dat verweerster niet het oordeel toekomt dat klager ‘heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld” en dat het gaat om “ernstige ten laste leggingen”. Dit oordeel is immers aan de rechter. Verweerster overschrijdt hiermee de grenzen van haar deskundigheid en wekt met deze formulering de schijn van vooringenomenheid ten aanzien van de strafrechtelijke verdenkingen jegens klager.

Het college stelt verder vast dat in de geciteerde beschouwing wordt verwezen naar “het dossier” zonder dat duidelijk wordt welk onderdeel van het dossier. Evenmin wordt gerefereerd aan voorafgaande beschouwingen in hoofdstuk 2, waaruit deze bevindingen kunnen worden afgeleid. Het college ziet op pagina 7 van het rapport beschouwingen terug ten aanzien van verklaringen over de persoon van klager van “een ex-collegae huisarts”, een “andere collegae huisarts”, “medewerkers van het verzorgingstehuis” en “de doktersassistenten in de huisartsenpraktijk van betrokkene en zijn collega”. Voor deze beschouwingen geldt echter, zoals ook is overwogen in 5.10.2, dat verweerster niet duidelijk maakt of zij letterlijk citeert uit (niet nader genoemde) geraadpleegde bronnen of dat zij daarvan een samenvatting geeft, hetgeen zou neerkomen op haar eigen interpretatie daarvan. Het college is dan ook van oordeel dat verweerster op basis van “deze uitspraken” in redelijkheid niet kan concluderen dat deze “mogelijk kunnen wijzen in de richting van (narcistische) persoonlijkheidsproblematiek (…) en/of van een stoornis in het autisme spectrum (…)”. Daarvoor zijn de beschouwingen in het rapport waarop deze conclusie kennelijk is gebaseerd te diffuus en daarmee onvoldoende ken- en toetsbaar, temeer nu – gegeven de status van “weigerrapportage” – enige auto-anamnese ontbreekt. Verweerster heeft zich aldus op speculatief terrein begeven, is buiten de grenzen van haar bevoegdheid getreden en heeft zodoende onzorgvuldig gehandeld. De ernst van dit verwijt klemt temeer gelet op de volgende passage in hoofdstuk 11:

“Mocht de rechtbank een beeld van betrokkene wenselijk en/of noodzakelijk achten voor een goede behandeling van het ten laste gelegde adviseert ondergetekende om betrokkene klinisch te laten observeren in het F.. Ook al zou hij het onderzoek weigeren kan er een milieuonderzoek en klinische observatie gedaan worden.”

Dit – ingrijpende en verstrekkende –advies wordt, zo begrijpt het college, door verweerster gegeven op basis van de mogelijkheid van de diagnose zoals hiervoor door haar is verwoord, en moet dan ook worden aangemerkt als een conclusie. Verweerster had, gezien het voorgaande, in redelijkheid niet mogen concluderen tot dit advies, aangezien in het rapport niet op voldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet wordt waarop deze conclusie steunt.

Het college stelt bovendien vast dat verweerster een advies geeft dat niet aan haar opdrachtgever (de Officier van justitie) is gericht maar aan de rechtbank. Daarmee miskent zij het doel van haar rapportage. Daar komt bij dat de formulering “een goede behandeling van het ten laste gelegde” onzorgvuldig is, nu het eerst aan de rechtbank is om zich een oordeel te vormen over het ten laste gelegde. Ook met deze formulering overschrijdt verweerster de grenzen van haar professie en wekt zij de schijn van vooringenomenheid ten aanzien van de strafrechtelijke verdenkingen jegens klager.

5.11     Conclusie klachtonderdeel 2

Met inachtneming van voornoemde maatstaven (5.6 en 5.7) is het college op grond van het voorgaande van oordeel dat dit klachtonderdeel integraal slaagt ten aanzien van beide klagers. Ten aanzien van klager geldt dat de eerste tuchtrechtelijke toetsingsnorm (5.5) is geschonden. Wat klaagster betreft overweegt het college dat nu de door klaagster naar voren gebrachte voorbeelden 5 en 6 slagen ter onderbouwing van klachtonderdeel 2, de tweede tuchtrechtelijke toetsingsnorm (5.5) is geschonden. 

Eindconclusie / Maatregel

5.12.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in haar beide onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klagers had behoren te betrachten.

5.13     Ten aanzien van de vraag welke maatregel gegeven deze gegrondverklaringen passend is, overweegt het college als volgt.

Allereerst heeft verweerster het inzage- en correctierecht van klager geschonden, dat – als niet weersproken – in een zogenoemd ‘weigerrapport’ evenzeer relevant is als in een deskundigenrapport waaraan betrokkene wel medewerking verleent. Verweerster heeft ter zitting weliswaar aangegeven hier lering uit te zullen trekken, echter het kennelijke gemak waarmee verweerster blijkens het rapport en haar in de onderhavige procedure gegeven toelichting ervan is uitgegaan dat klager afstand had gedaan van dit – basale – recht, baart het college niettemin zorgen.

Daar komt bij dat het rapport en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek op essentiële punten niet aan de hiervoor geldende criteria voldoen. Ook is verweerster in het rapport op een aantal punten buiten de grenzen van haar deskundigheid getreden en heeft zij de schijn van vooringenomenheid gewekt. Verweerster heeft ter zitting naar het oordeel van het college tamelijk passief opgesteld naar aanleiding van de vragen die aan haar zijn gesteld. Het college twijfelt daardoor of zij zich werkelijk rekenschap heeft gegeven van de specifieke verantwoordelijkheid die inherent is aan het werk als forensisch psychologisch rapporteur, het belang van punctualiteit, het alert zijn op de wijze van formuleren, het zich bewust zijn van het onderscheid tussen weergave van feiten en de interpretatie/waardering daarvan, de begrenzingen die de professie en het doel van deze rapportage met zich brengen en de noodzaak tot terughoudendheid, juist ook in het stadium waarin –zoals in dit geval – de onderliggende strafzaak nog gaande is en er nog geen rechterlijk oordeel is gevormd over het ten laste gelegde strafbare feit.

Het college is alles overziend van oordeel dat het handelen en nalaten van verweerster dermate ernstig is dat niet met het opleggen van de lichtste maatregel kan worden volstaan. De oplegging van de maatregel van berisping wordt daarvoor passend geacht.”

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, met name gezien de relevantie van het debat over dit onderwerp binnen de beroepsgroep, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       Het beroep van de gz-psycholoog is gericht tegen het oordeel dat:

- klaagster in haar klacht kan worden ontvangen,

- tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 2 (betreffende de deugdelijkheid van het onderzoek en de rapportage),

- tegen de oplegging van de maatregel van berisping.

De gz-psycholoog komt niet op tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 (betreffende de schending van het inzage- en correctierecht).

Zij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2       Klagers voeren hiertegen gemotiveerd verweer en concluderen tot verwerping van het beroep.

            De ontvankelijkheid van klaagster in de klacht

4.3       De gz‑psycholoog betoogt ten aanzien van klaagster primair dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat klaagster kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet BIG en derhalve in haar klacht kan worden ontvangen.

4.4       Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG, zoals deze bepaling tot 1 april 2019 luidde, is een BIG-geregistreerd beroepsbeoefenaar onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van – kort gezegd – zijn patiënt of diens naaste betrekkingen (de zogenoemde eerste tuchtnorm) dan wel enig ander handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de zogenoemde tweede tuchtnorm).

Ingevolge artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet BIG kan een klacht worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Tussen de gz-psycholoog en klaagster is geen sprake van een behandelrelatie. Om als klachtgerechtigd belanghebbende te worden aangemerkt, dient aan de zijde van klaagster sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.

4.5       De passages in het rapport van de gz-psycholoog waarin klaagster wordt genoemd en waarover zij klaagt zijn gebaseerd op informatie uit gerechtelijke stukken van (andere) getuigen en klager. Er is geen sprake van eigen, professionele beschouwingen van de gz‑psycholoog over de persoon van klaagster. De passages zijn alleen relevant in het licht van de professionele beschouwingen van de gz-psycholoog over de persoon van klager. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan niet worden staande gehouden dat klaagster door deze passages in het rapport wordt getroffen in een eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg.

4.6       Gelet hierop, heeft het Regionaal Tuchtcollege klaagster ten onrechte aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van voormeld artikel 65, eerste lid, onder a, en klaagster ten onrechte in haar klacht ontvangen.

Klachtonderdeel 2 (ondeugdelijk onderzoek en ondeugdelijke rapportage)

4.7       Het Centraal Tuchtcollege wijst er op dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van de gz-psycholoog niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om de vraag of de gz-psycholoog bij haar beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm of standaard werd aanvaard.

4.8       De gz-psycholoog heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in opdracht van de officier van justitie een psychologisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van klager en op basis daarvan een Pro Justitia-rapportage opgesteld. De relatie tussen de gz‑psycholoog en klager wordt gelijkgesteld aan een behandelrelatie. Dit betekent dat de klacht van klager moet worden getoetst aan voormelde eerste tuchtnorm.

4.9       Een gz-psycholoog is in de uitoefening van zijn functie als Pro Justitia‑rapporteur gehouden aan diverse richtlijnen, waaronder de NIFP-richtlijn “Ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht (volwassenen en jeugdigen)” (hierna: de richtlijn) en de Gedragscode Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Deze richtlijnen moeten derhalve bij de beoordeling van het onderzoek en de rapportage van de gz‑psycholoog worden betrokken.

.10       Daarnaast wordt volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege een rapportage, zoals door de gz-psycholoog uitgebracht, aan de volgende criteria getoetst:

1.                 Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2.                 Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3.                 In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 

4.                 Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5.                 De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de gz-psycholoog uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

4.11       Klager heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek van de gz‑psycholoog. Er is dus sprake van een zogenoemd weigerrapport. Dit betekent dat de gz-psycholoog bij het onderzoek en bij het opstellen van haar rapportage niet de beschikking had over informatie die zij zelf rechtstreeks van klager heeft verkregen, zoals informatie op basis van gesprekscontacten en testpsychologisch onderzoek. In dit geval heeft de gz-psycholoog moeten volstaan met dossieronderzoek.

4.12       Het feit dat een verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek vormt op zichzelf geen beletsel voor het opstellen van een Pro Justitia‑rapportage. De Pro Justitia-rapporteur moet dan rapporteren op basis van de bevindingen, verkregen uit andere bronnen dan de verdachte. Evident is dat een weigerrapport per definitie niet kan voldoen aan dezelfde eisen als een rapportage die is opgesteld met medewerking van de verdachte. In geval van een weigerende verdachte zullen in het algemeen geen of minder verstrekkende conclusies kunnen worden getrokken en zullen de vragen niet of slechts voor een deel (afhankelijk van de overige beschikbare informatie) kunnen worden beantwoord. Van belang is dat een Pro Justitia-rapporteur in geval van een weigerrapport daarin aangeeft welke beperkingen het onderzoek kende en wat daarvan de gevolgen zijn.

4.13       Ook een verdachte die niet meewerkt aan het onderzoek heeft het recht op inzage en correctie van de conceptrapportage. Het belang van deze rechten is in geval van een weigerrapport des te groter, omdat gebruikmaking van die rechten de enige manier is waarop een verdachte invloed kan uitoefenen op de inhoud van de rapportage. Daarmee kunnen de beperkingen van een weigerrapport enigszins worden ondervangen.

4.14       Klager heeft ter onderbouwing van klachtonderdeel 2 in zijn klaagschrift een aantal (niet limitatief bedoelde) voorbeelden naar voren gebracht, welke voorbeelden ter zitting bij het Regionaal Tuchtcollege zijn besproken en waarover het in de bestreden beslissing een oordeel heeft gegeven. Daarnaast is ter zitting bij het Regionaal Tuchtcollege nog een aantal andere aspecten van dit klachtonderdeel aan de orde gekomen waarover in de bestreden beslissing eveneens een oordeel is gegeven. Tezamen heeft dit het Regionaal Tuchtcollege tot zijn eindconclusie geleid. Anders dan de gz-psycholoog betoogt, is geen sprake van een ongeoorloofde uitbreiding van de klacht door het Regionaal Tuchtcollege. De gz-psycholoog is door deze handelwijze niet in haar verdedigingsbelang geschaad.

4.15       Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege niet in zijn oordeel dat uit de door klager gegeven voorbeelden en de vorenbedoelde andere aspecten blijkt dat de rapportage en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek op essentiële punten niet aan de hiervoor geldende criteria voldoen. Het Centraal Tuchtcollege neemt daarbij – onder meer – het volgende in aanmerking.

4.16       De gz‑psycholoog heeft in haar rapportage vermeld welke beperkingen het onderzoek als gevolg van de weigering van klager om medewerking te verlenen kende en is tot de conclusie gekomen dat het niet mogelijk is om tot een beantwoording van de vragen te komen. Zij heeft vervolgens onder het kopje “3.2 Relevante informatie uit gerechtelijke stukken” een samenvatting gegeven van de volgens haar relevante gerechtelijke stukken. Het feit dat de gz-psycholoog hier bij een aantal nader aangeduide passages in haar rapportage bepaalde informatie niet heeft vermeld, zoals de omstandigheid dat een zekere getuige een door klager in onmin ontslagen waarnemer was, maakt de betrokken passages naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege wellicht minder genuanceerd, maar daarmee nog niet onzorgvuldig of suggestief (voorbeelden 1, 2 en 6). Voorts kan het gebruik van de woorden “doet alsof” (blz. 6 van de rapportage) in dit geval niet worden aangemerkt als een eigen negatieve waardering door de gz-psycholoog van het waarheidsgehalte van een in de gerechtelijke stukken opgenomen citaat van klager. De formulering “doet alsof “  verschilt, naar verweerster in hoger beroep onweersproken heeft gesteld, niet wezenlijk van de in het proces-verbaal van de  politie gebruikte formulering en heeft in ieder geval dezelfde lading (voorbeeld 3). Voor voorbeeld 5 geldt dat de gz-psycholoog kennelijk ten tijde van het opstellen van de rapportage niet beschikte over het door klager in eerste aanleg overgelegde verslag van het tweede verhoor van de desbetreffende psychiater, omdat dit verhoor van een latere datum was. Dat de gz‑psycholoog bij het opstellen van de rapportage de inhoud van dit tweede verhoor niet heeft meegenomen, kan haar dus niet worden verweten.

          4.17       De gz-psycholoog heeft kennelijk in haar rapportage niet het juiste woonadres van klager opgenomen. Niet in geschil is, dat in de stukken die aan de gz‑psycholoog waren verstrekt meer dan één woonadres was vermeld. De gz-psycholoog is naar eigen zeggen afgegaan op het adres dat in de vordering tot inbewaringstelling was vermeld. De vermelding van het verkeerde woonadres had kunnen worden voorkomen wanneer de gz-psycholoog klager de gelegenheid had geboden tot inzage en correctie van de conceptrapportage. In dat geval zou zij – bij twijfel – naar eigen zeggen ook de juistheid van het woonadres hebben geverifieerd. Waar de gz-psycholoog in de rapportage in plaats van haar BIG-registratienummer het nummer behorende bij haar registratie als gerechtelijk deskundige (NRGD) heeft vermeld, is sprake van een kennelijke verschrijving.

          4.18     Het Centraal Tuchtcollege overweegt voorts dat het wellicht beter was geweest als de gz‑psycholoog in de rapportage op een meer gedetailleerde wijze, onder vermelding van data, verslag had gedaan van haar contact met klager en diens advocaat over het verlenen van medewerking door klager aan het onderzoek (alsmede haar pogingen om met hen in contact te treden). De gz-psycholoog heeft echter op de bladzijden 4 en 10 van de rapportage de inhoud van het telefoongesprek met klager en de door hem gegeven redenen om aan het onderzoek geen medewerking te verlenen helder weergegeven. Mede gelet hierop is deze verslaglegging goed te volgen. Dat de gz‑psycholoog vervolgens een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de mededeling van klager dat hij niet meer in gesprek wilde met de gz-psycholoog en ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij afzag van zijn inzage- en correctierecht, is door de gz‑psycholoog in eerste aanleg al erkend en heeft geleid tot de gegrondverklaring van klachtonderdeel 1. Zoals hiervoor overwogen, is tegen het oordeel over dit klachtonderdeel geen beroep ingesteld.

          4.19     Ook de wijze waarop de gz-psycholoog in de rapportage heeft verwezen naar de beschikbare en door haar geraadpleegde stukken had naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege vollediger en gedetailleerder kunnen zijn, gezien ook de omvang van het dossier. Desondanks kan uit de rapportage wel worden afgeleid op welke bronnen de bevindingen van de gz-psycholoog berusten. De kenbaarheid en toetsbaarheid van het door de gz-psycholoog verrichte onderzoek en de door haar geformuleerde weerslag daarvan in de rapportage komen daarmee niet in het gedrang.

         4.20     Al het vorenstaande bijeengenomen, komt het Centraal Tuchtcollege tot de slotsom dat de Pro Justitia-rapportage van de gz‑psycholoog op ondergeschikte en niet wezenlijke  onderdelen een aantal slordigheden en minder gedetailleerde en genuanceerde passages bevat. Deze slordigheden hadden voor een deel kunnen worden voorkomen wanneer de gz‑psycholoog klager in de gelegenheid had gesteld gebruik te maken van het hem toekomende inzage- en correctierecht. De geconstateerde slordigheden en minder gedetailleerde en genuanceerde passages doen echter niet wezenlijk af aan de kwaliteit van de rapportage. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen grond voor het oordeel dat de rapportage suggestief is, dat de gz-psycholoog de schijn van vooringenomenheid jegens klager wekt of dat zij (bijvoorbeeld met formuleringen als “ernstige ten laste leggingen”) niet is gebleven binnen de grenzen van haar deskundigheid. In de rapportage wordt op (voldoende) inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van de rapportage steunen. De rapportage vermeldt ook de bronnen waarop het berust.

4.21     Het Centraal Tuchtcollege is voorts, gezien het vorenstaande, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de gz‑psycholoog, niet in redelijkheid (voorwaardelijk) heeft kunnen adviseren om klager klinisch te laten observeren in het F.. Daarbij twijfelt het Centraal Tuchtcollege er niet aan dat het de gz-psycholoog duidelijk was dat de officier van justitie de opdrachtgever was, zoals uitdrukkelijk vermeld op bladzijde 2 van het rapport, en dat de rapportage ook aan deze was gericht.

4.22     Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het onderzoek voldoende deugdelijk is geweest en dat de Pro Justitia-rapportage voldoet aan de daarvoor geldende criteria en richtlijnen. De onregelmatigheden zijn niet van dien aard dat de gz-psycholoog hiervan een zelfstandig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, naast het verwijt dat het inzage- en correctierecht is geschonden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft derhalve klachtonderdeel 2 ten onrechte gegrond geacht.

 De maatregel

4.23     Het Regionaal Tuchtcollege heeft de oplegging van de maatregel van berisping gegrond op de overweging dat – zakelijk weergegeven – zowel klachtonderdeel 1 als klachtonderdeel 2 gegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege komt tot het oordeel dat klachtonderdeel 2 niet gegrond is. Dit geeft het Centraal Tuchtcollege evenwel geen aanleiding om een minder zware maatregel op te leggen dan in eerste aanleg aan de gz‑psycholoog is opgelegd. Daartoe wordt overwogen dat – zoals hiervoor al aangegeven – het belang van het inzage- en correctierecht in een geval waarin de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek en dus sprake is van een weigerrapport, des te groter is. De schending van deze rechten is in dit geval dan ook dermate ernstig dat niet met de lichtste maatregel kan worden volstaan. Het beroep, voor zover gericht tegen de oplegging van de maatregel van berisping, faalt.

4.24     Het beroep is gegrond voor zover dit is gericht tegen het oordeel dat klaagster kan worden ontvangen in haar klacht en tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 2. Het Centraal Tuchtcollege zal de bestreden beslissing in zoverre vernietigen, klaagster alsnog in haar klacht niet‑ontvankelijk verklaren en klachtonderdeel 2 alsnog ongegrond verklaren. Voor zover het beroep is gericht tegen de oplegging van de maatregel van berisping dient het te worden verworpen.

4.25     Om redenen aan het algemeen belang ontleendgelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij klaagster is ontvangen in haar klacht en klachtonderdeel 2 gegrond is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht;

 

verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;

verwerpt het beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, De Psycholoog, GZ-psychologie en de Nieuwsbrief forensische zorg, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; Y. Buruma en

Y.A.J.M. van Kuijck, leden‑juristen en E.D. Berkvens en L.C. Mulder, leden‑beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2019.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens