Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2017:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 16200a

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2017:79
Datum uitspraak: 17-07-2017
Datum publicatie: 17-07-2017
Zaaknummer(s): 16200a
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:   Psychotherapeut. Klacht: weigeren hulp (1), klager bestempelen als agressief (2), niet verteld verkeerde veiligheidshuis ingeschakeld (3), nemen beslissingen die dochter, moeder van klager en klager ernstige schade toebrachten (4), gelogen in mediationgesprekken (5). College: klachtonderdeel 1 gegrond, andere klachtonderdelen ongegrond. Verweerster merkte dat klager emotioneel aan plafond zat, wist van situatie klager, ex-vrouw en hun dochter. Verweerster had niet mogen volstaan met afspraak voor volgende dag. Feitelijke hulpvraag gemist en klager hulp ontzegd die hij nodig had. Verweerster heeft klager niet agressief genoemd. Waarschuwing.

Uitspraak: 17 juli 2017

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 4 oktober 2016 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

psychotherapeut

werkzaam te [D]

verweerster

gemachtigde mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          de repliek en de aanvulling daarop

-          de dupliek

-          proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek d.d. 10 april 2017.

De klacht is ter openbare zitting van 28 juni 2017 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerster bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is in de periode 2010/2011 individueel in behandeling geweest bij de instelling waar verweerster in 2013 werkzaam was als leidinggevende van de afdeling persoonlijkheidsstoornissen.

Van 15 februari 2012 tot 1 december 2012 hebben klager en zijn inmiddels ex-vrouw relatietherapie gehad bij de instelling.

In 2013 was de ex-vrouw van klager (hierna: ‘de ex-vrouw’) nog bij de instelling onder behandeling in verband met haar borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS).

Enkele dagen voor 3 april 2013 hebben klager en zijn ex-vrouw te horen gekregen dat hun dochter van achttien terminaal ziek was. Haar levensverwachting was op dat moment twee tot zes maanden. De dochter wilde in deze laatste maanden door klager worden begeleid.

Op 3 april 2013 waren de escalaties binnen het gezin buiten proportie. Die dag had de ex-vrouw een afspraak met haar therapeute (sociaal psychiatrisch verpleegkundige). Klager en de ex-vrouw hadden afgesproken dat klager mee zou gaan, maar de ex-vrouw heeft zich bedacht. Klager is zijn vrouw nagereisd naar de instelling. Toen klager deze therapeute vroeg om hulp om de zaak te de-escaleren, eventueel door het vertrek van zijn ex-vrouw uit hun huis, wilde zij niet met klager in gesprek gaan en heeft zij hem verwezen naar de huisarts voor een verwijsbrief.

Klager is daar niet mee akkoord gegaan aangezien de wachttijd voor een intake op dat moment meer dan twee maanden bedroeg en heeft aangegeven de leidinggevende van de therapeute, te weten verweerster, te willen spreken. Klager heeft daarbij duidelijk gemaakt dat hij het gebouw niet zou verlaten voordat hij de kans had gekregen om zijn hulpvraag te stellen.

Verweerster heeft klager daarop gedurende tien minuten te woord gestaan en heeft voorgesteld om de volgende dag een gesprek te hebben met iemand van het Veiligheidshuis erbij. Zij heeft vervolgens in aanwezigheid van klager contact opgenomen met het Veiligheidshuis te [D].

Op 4 april 2013 vond een gesprek plaats met klager, verweerster, een medewerker van het Veiligheidshuis, de ex-vrouw en haar therapeute. Na enkele minuten verbleven de ex-vrouw en haar therapeute in een andere kamer. Besloten werd dat de ex-vrouw bij de moeder van klager zou gaan wonen.

Op 4 april 2013 is voor verweerster en de medewerker van het Veiligheidshuis duidelijk

geworden dat gezien de woonplaats van klager en zijn gezin het Veiligheidshuis uit een andere regio had moeten worden ingeschakeld.

Klager heeft verschillende klachten ingediend bij de klachtencommissie van de instelling. De klachtencommissie heeft deze klachten gedeeltelijk gegrond verklaard.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerster:

1.      het weigeren van hulp;

2.      dat zij tijdens en na het gesprek met klager hem demoniseerde met opmerkingen over agressie;

3.      dat zij niet heeft verteld dat zij het verkeerde veiligheidshuis had ingeschakeld;

4.      dat zij tijdens het gesprek beslissingen nam die de dochter van klager, zijn moeder en hemzelf ernstige schade toebrachten;

5.      zij in de mediationgesprekken, waarin klager om duidelijkheid vroeg, heeft gelogen.

Ter toelichting heeft klager - in chronologische volgorde - nog het volgende aangevoerd.

Ad 1.

De therapeute van de ex-vrouw heeft klager na overleg met verweerster naar de huisarts verwezen voor een verwijzing. Klager heeft haar uitgelegd dat er echt sprake was van een noodsituatie en dat hij acuut hulp nodig had.

Nadat klager weigerde weg te gaan totdat hij de leidinggevende van de therapeute, zijnde verweerster, had gesproken, heeft hij tien minuten met haar gesproken. Klager heeft haar uitgelegd hoe de situatie was.

Klager is van mening dat zelfs als hij zijn hulpvraag niet expliciet tegenover verweerster kenbaar zou hebben gemaakt, deze duidelijk had moeten zijn. Hij was een wanhopige vader van een stervend kind, en de escalaties met zijn ex-vrouw hadden dusdanige vormen aangenomen dat een gesprek tussen hen niet meer mogelijk was.

Klager heeft voorgesteld degene die eerder een second opinion had gegeven, te vragen met hem en zijn ex-vrouw het gesprek aan te gaan. Omdat de ex-vrouw echter niet met klager in gesprek bleek te willen gaan, stelde verweerster voor om een medewerker van het Veiligheidshuis in te schakelen.

Ad 3.

Verweerster heeft vervolgens het verkeerde Veiligheidshuis ingeschakeld. De medewerker

heeft later tegenover klager verklaard dat hij hem best had willen helpen, als hij in zijn regio had gewoond. Verweerster heeft dit echter nooit aan klager kenbaar gemaakt. Daardoor heeft hij nooit het goede Veiligheidshuis kunnen inschakelen.

Ook was de medewerker pas een half uur voor het gesprek uitgenodigd en was hij niet voorgelicht over de casus.

Ad 2.

In de reactie van verweerster voor de klachtencommissie heeft ze klager agressief genoemd. Dit terwijl klager nooit agressief is geweest in haar bijzijn. Verweerster heeft deze term overgenomen van de therapeute van de ex-vrouw. Deze dacht gehoord te hebben dat klager zijn ex-vrouw iets zou aandoen. Als hulpverlener moet je naar de mening van

klager voorzichtigheid betrachten met beweringen over de partners van je patiënten. Het klinkt nu als een diagnose, terwijl hij zelf de therapeute slechts enkele minuten heeft gezien. Daarbij was het juist de angst van klager dat zijn ex-vrouw zichzelf iets zou aandoen en hem daarvan de schuld zou geven zodat zij hun dochter in haar laatste levensfase kon begeleiden. Klager was wanhopig en in de war, maar niet agressief.

Ad 4.

Tijdens het gesprek heeft verweerster beslissingen genomen waarmee klager het niet eens was. Verweerster stelt dat deze in gezamenlijkheid zijn genomen, maar dat is niet het geval. Eén van deze beslissingen was dat de ex-vrouw bij de moeder van klager zou gaan wonen.  Verweerster wilde niet voldoen aan het verzoek van klager om contact op te nemen met zijn huisarts en heeft klager alle hulp geweigerd.

Ad 5.

Tijdens de mediation die heeft plaatsgevonden om een beeld te krijgen van de gebeurtenissen op en na 3 april 2013, heeft verweerster onder andere de verkeerde naam genoemd van degene die de intake zou doen en gezegd dat het aan die persoon lag dat er geen contact met de vorige behandelaar werd opgenomen. Voorts heeft verweerster de medewerker van het Veiligheidshuis er de schuld van gegeven dat aan klager hulp werd geweigerd.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster stelt dat er nooit een behandelrelatie is geweest tussen haar en klager. Het eerste contact met klager was op 3 april 2013. Als zij wordt aangesproken als leidinggevende, moet er ten aanzien van haar handelen of nalaten sprake zijn van voldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg en daarvan is in casu geen sprake.

Ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen heeft verweerster het volgende aangevoerd.

Ad 1.

Klager heeft aan verweerster geen hulp gevraagd. Evenmin heeft verweerster klager hulp geweigerd of gezegd dat het Veiligheidshuis klager niet zou willen helpen. Volgens verweerster vroeg klager geen hulp voor zichzelf. Verweerster wist iets van de situatie van klager af. Zij wilde het echtpaar juist helpen en in eerste instantie in het veiligheidsvraagstuk. Verweerster heeft een afspraak gemaakt al voor de volgende dag.

Ad 2.

Verweerster heeft klager nimmer als agressief bestempeld. De behandelaar van de ex-vrouw heeft verweerster geroepen omdat zij vond dat klager zich agressief opstelde. Klager wilde toegang tot de ruimte waar de ex-vrouw en zij in gesprek waren. In het verslag dat verweerster en de therapeute van de ex-vrouw hebben gemaakt van 3 april 2013 staat genoteerd dat klager zich in staat achtte om zijn vrouw iets aan te doen. Verweerster vond klager wel geladen en gespannen.

Ad 3.

Omdat verweerster de situatie op 3 april 2013 als gespannen ervoer, heeft zij direct contact gezocht met het Veiligheidshuis in de regio van de instelling. Daarbij verloor zij even uit het oog dat klager in een andere regio woont en dus in beginsel onder een ander Veiligheidshuis ressorteert. Verweerster heeft het Veiligheidshuis overigens gebeld in aanwezigheid van klager. Hij had haar dus op de vergissing kunnen wijzen.

Verweerster heeft wel aan klager laten weten dat zij het verkeerde Veiligheidshuis had ingeschakeld. Bovendien is het niet relevant omdat het ingeschakelde Veiligheidshuis de casus heeft doorverwezen naar het goede Veiligheidshuis en de vergissing geen consequenties heeft gehad.

In  haar verslag van het gesprek op 4 april 2013 heeft zij genoteerd dat de medewerker van het Veiligheidhuis contact op zou nemen met het juiste Veiligheidshuis. Daaruit volgt dat al op die datum duidelijk was dat niet het juiste Veiligheidshuis was ingeschakeld.

Het is evident dat er geen uitvoerige gesprekken konden plaatsvinden tussen verweerster en de medewerker van het Veiligheidshuis omdat pas de dag tevoren werd besloten de samenkomst te houden.

Ad 4.

Verweerster heeft geen beslissingen genomen. Zij kan ook niet een beslissing nemen voor klager of zijn ex-vrouw. Zij heeft slechts de samenkomst op 4 april 2013 georganiseerd, waarbij de betrokkenen samen tot beslissingen zijn gekomen. Klager vond de op die dag gekozen oplossing de beste en heeft zich daarbij neergelegd.

Ad 5.

Verweerster stelt dat zij niet heeft gelogen tijdens de mediationgesprekken. Zij heeft niet iemand de schuld willen geven voor het feit dat er geen intakegesprek is geweest met klager.

Ten aanzien van de beslissing van de klachtencommissie merkt verweerster ten slotte nog op dat voor zover de klacht gegrond is verklaard dat klager niet is gezien als hulpvrager, dit niet op verweerster kan zien nu klager haar nimmer om hulp heeft gevraagd.

5. De overwegingen van het college

De ontvankelijkheid

Klager klaagt over het weigeren van hulp door verweerster op 3 april 2013 en verschillende zaken die daar direct mee samenhangen. Naar het oordeel van het college valt dit onder artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de Individuele Gezondheidszorg en is klager daarmee ontvankelijk in zijn klacht. Dat verweerster wellicht in eerste instantie als leidinggevende van de therapeute van de ex-vrouw bij de situatie op 3 april 2013 werd geroepen, doet daar niet aan af.

De inhoudelijke beoordeling

Ten aanzien van klachtonderdeel 1 overweegt het college als volgt.

Gebleken is dat partijen het er over eens zijn dat op het moment dat klager op 3 april 2013 verweerster sprak, hij niet agressief was, maar wel emotioneel aan zijn plafond zat, verweerster dit heeft gemerkt en dat verweerster van de situatie van klager, zijn ex-vrouw en hun dochter op de hoogte was.

Naar het oordeel van het college had verweerster op dat moment niet mogen volstaan met een afspraak voor de volgende dag, zonder klager en zijn vrouw nader te horen. Voor verweerster was immers wel duidelijk dat er snel iets moest gebeuren, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zij reeds voor de volgende dag een gesprek met het Veiligheidshuis heeft geregeld.

Door de hulpvraag niet verder uit te vragen en te concretiseren, heeft verweerster de feitelijke hulpvraag gemist en een verkeerde inschatting gemaakt door te volstaan met een afspraak voor de volgende dag waar een acute oplossing was vereist. Verweerster heeft klager daarmee de hulp ontzegd die hij op dat moment nodig had.

Dit klachtonderdeel is gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2 overweegt het college als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat klager tijdens het gesprek met verweerster niet agressief was. Verweerster heeft klager noch tijdens, noch na het gesprek als agressief bestempeld.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

De klachtonderdelen 3, 4 en 5 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling .

Klager en verweerster verschillen ten aanzien van deze klachtonderdelen van mening over de feiten. In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.

Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

De maatregel

Nu het eerste klachtonderdeel gegrond is, zal het college verweerster een maatregel opleggen. Mede gezien het door verweerster ter zitting getoonde inzicht in haar eigen handelen, meent het college te kunnen volstaan met het opleggen van een waarschuwing.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

-          legt op de maatregel van waarschuwing;

-          wijst de klacht voor het overige af.

Aldus beslist door mr. C.D.M. Lamers als voorzitter, dr. R.J. Takens en W.C.B. Hoenink als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. K. Hoebers-Provoost als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017 in aanwezigheid van de secretaris.