Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2017:21
Datum uitspraak:
07-03-2017
Datum publicatie:
07-03-2017
Zaaknummer(s):
2016/403P
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Psychotherapeut
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Klaagster verwijt verweerster onprofessioneel gedrag. Klaagster en haar ex-echtgenoot zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De ex-echtgenoot van klaagster is bij verweerster onder behandeling. Verweerster heeft ten behoeve van de ex-echtgenoot een verklaring opgesteld die in de echtscheidingsprocedure is ingebracht. Ook heeft verweerster aan de ex-echtgenoot een geldbedrag geleend.  Verweerster voert verweer.  Deels gegrond, waarschuwing.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 27 oktober 2016 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

 

tegen

 

C,

klinisch psycholoog,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. A.H. Wijnberg, advocaat te Groningen.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het aanvullend klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de brief van klaagster van 9 november 2016;

-                     de aanvullende producties van klaagster zoals bij het College binnengekomen op 10 januari 2017;

-                     de e-mail van klaagster van 16 januari 2017;

-                     de brief van mr. Wijnberg van 19 januari 2017;

-                     de brief van mr. Wijnberg van 20 januari 2017;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

De klacht is op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door mr. A.H. Wijnberg, advocaat te Groningen. Mr. Wijnberg heeft een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekeningen die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.

 

 

 

2.         De feiten

2.1       Verweerster is al geruime tijd bevriend met de echtgenoot van klaagster.

 

2.2.      Klaagster en haar echtgenoot bevinden zich in een echtscheidingsprocedure.

 

2.2.      Tijdens de echtscheidingsprocedure heeft klaagster de rechtbank (onder meer) verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning.

 

2.3.      In het kader van die procedure heeft verweerster, op 22 september 2016, op briefpapier van haar praktijk, een ‘rechtbankverklaring’ afgegeven die inhoudt:

            “RECHTBANKVERKLARING

Tot mij wendde zich mijn cliënt (de echtgenoot van klaagster, college), met het verzoek informatie te verstrekken ten behoeve van diens echtscheidingsprocedure bij de Rechtbank B.

            Ik kan hierover als diens psycholoog -in het belang van de procedure- het volgende verklaren:

            In april 2014 nam de D contact met mij op met de vraag hoe hij het beste zijn

            3 zoons (nu 22, 20 en 16 jaar) kon begeleiden in het proces van de scheiding van zijn vrouw.

            Cliënt wilde er alles aan doen om zijn kinderen buiten het gevecht van de scheiding te houden.

            Dit bleek gaandeweg de gesprekken hierover een moeilijke taak omdat, zoals hij meermaals

            vertelde, van zijn kinderen begreep dat zij zich voor scheidingsdilemma’s geplaatst zagen en        dat hem duidelijk werd dat zijn kinderen daardoor in een ernstig loyaliteitsconflict raakten.

            Client vertelde dat zijn kinderen van de moeder dingen over hem hoorden die niet juist/waar

            waren. Volgens mijn cliënt werd er zo voor de kinderen een vijandige onveilige sfeer gecreëerd    waarbij de kinderen bang werden om hun vertrouwde veilige woonomgeving te verliezen als zij          zich niet loyaal aan moeder zouden tonen.

            Het werd mij in de gesprekken duidelijk dat cliënt in deze periode bijna al de zorgtaken op zich     nam, zoals het doen van inkopen, koken. het huishouden verzorgen, en al de andere verzor    gende en ondersteunende taken met betrekking tot school en andere sociale relaties.

            Cliënt heeft naar mijn beste weten zich er uitermate voor ingezet dat de veilige vertrouwde

            woonomgeving voor al de drie kinderen werd gecontinueerd. Hoofdoel was daarbij de kinderen     niet in de scheiding te betrekken, ze niet voor dilemma’s te plaatsen, ze geen keuzes te laten    maken. De scheiding betrof hem en zijn vrouw en niet de kinderen.

            De gesprekken die ik met cliënt voerde hadden bovenstaande tot onderwerp en dienden voor       hem als steun in het moeizame proces van de scheiding. Door deze gesprekken hield cliënt het           vol om zijn kinderen zoveel mogelijk buiten de scheidingsperikelen te houden.

            Mijn cliënt vertelde dat tot zijn ontsteltenis hij van zijn kinderen begreep dat zij iedere keer          weer in een loyaliteitsconflict betrokken raakten.

            Uit de verhalen die mijn cliënt over het functioneren van zijn kinderen vertelde komt het mij

            voor dat de kinderen, ondanks alle ruis en met de zorgsteun van hun vader, tot nu toe hun           eigen sociale en schoolse leven een positieve invulling hebben gegeven.

C

            Klinisch Psycholoog,

            Kinder- en Jeugdpsycholoog Specialist”

 

2.4.      Tussen verweerster en de echtgenoot van klaagster heeft nooit een behandelrelatie bestaan.

 

2.5.      De echtgenoot van klaagster heeft op 6 december 2016 verklaard, voor zover hier van belang:

           “(..) Toen mijn echtgenote een voorlopige voorziening startte, om mij mijn woning uit te zetten,    heb ik C verzocht een rechtbankverklaring op te stellen. (..) Aangezien C en ik al jaren goede vrienden zijn en C heeft gehoord wat de hele situatie met mij en mijn kinderen doet          was zij, als vriendin, bereid mij te helpen. (..)”

 

2.6.      Verweerster heeft op 23 januari 2012 een overeenkomst van geldlening gesloten met de echtgenoot van klaagster, op grond waarvan de echtgenoot een bedrag van 15.000,00 heeft geleend van verweerster.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster in haar hoedanigheid van psycholoog een verklaring heeft afgegeven aan de rechtbank, waarmee zij het vertrouwen van de samenleving in de onafhankelijke en objectieve beroepsuitoefening van psychologen wezenlijk heeft aangetast. Zij heeft immers opgeschreven dat zij de verklaring aflegt als psycholoog van haar cliënt (de echtgenoot van klaagster), terwijl dit niet waar is. Tussen haar en de echtgenoot van klaagster bestond immers een vriendschapsrelatie, geen behandelrelatie. Verweerster had bovendien een zakelijk belang bij het afleggen van deze verklaring nu zij aan de echtgenoot van klager een aanzienlijk bedrag heeft geleend en ook was zij chantabel omdat zij de echtgenoot van klaagster inzage heeft gegeven in geheime psychologische tests. Door het handelen van verweerster is aan klaagster grote schade berokkend.

 

4.           Het standpunt van verweerster

Verweerster erkent dat zij door de afgifte van de verklaring niet conform de professionele standaard heeft gehandeld. Volgens haar betrof dit een ‘slip of the pen’ en betreurt zij zeer dat zij deze verklaring heeft afgegeven. Zij wilde een vriend helpen en heeft, omdat zij in zware privé-omstandigheden verkeerde, niet goed nagedacht toen zij de verklaring aflegde. Zij refereert zich aan het oordeel van het college voor zover de klacht betrekking heeft op de afgifte van de verklaring. Zij bestrijdt dat zij een zakelijk belang had bij de afgifte van de verklaring. Ook betwist zij dat zij inzage heeft gegeven in psychologische tests en dus chantabel was. Dit deel van de klacht dient dan ook ongegrond te worden verklaard, aldus verweerster.

 

5.         De beoordeling

5.1.      De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47 eerste lid, onder a en b Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm), maar ook ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Tussen partijen is niet in geschil dat verweerster zelf geen zorg verleende aan klaagster en dat het verweten handelen onder de tweede tuchtnorm valt. Het college zal daarom hierna ingaan op de vraag of verweerster die norm heeft geschonden.

 

5.2.      Niet in geschil is dat verweerster ten onrechte heeft doen voorkomen dat zij handelde in de hoedanigheid van beroepsbeoefenaar. In de rechtbankverklaring heeft verweerster immers op briefpapier van haar praktijk geschreven dat haar ‘cliënt’ (de echtgenoot van klaagster) zich tot haar wendde met het verzoek informatie te verstrekken ten behoeve van diens echtscheidingsprocedure en dat zij daarover als ‘diens psycholoog’ kon verklaren. Na het afleggen van de verklaring heeft zij de brief bovendien ondertekend met haar naam en daarachter de vermelding ‘klinisch psycholoog’.

 

5.3.      Voor toepassing van de tweede tuchtnorm dient het handelen ook in strijd te zijn met het belang van een goede gezondheidszorg. Het college is van oordeel dat daarvan sprake is. Verweerster heeft erkend dat zij niet heeft gehandeld conform de professionele standaard. De professionele standaard voor psychologen, die ten tijde van het verweten handelen gold, is neergelegd in de Beroepscode van het Nederlands Instituut voor Psychologen (2007). In die code wordt uitgegaan van vier basisprincipes, waaronder verantwoordelijkheid en integriteit. Een uitwerking van die principes is dat psychologen eerlijkheid betrachten en duidelijkheid scheppen tegenover de betrokkenen over de rol die zij vervullen. Ook dienen zij zich te onthouden van gedragingen waarvan zij weten of redelijkerwijs kunnen voorzien dat deze het vertrouwen in de wetenschap van de psychologie, de psychologiebeoefening of in collega’s kunnen schaden. Verweerster heeft in strijd met deze code gehandeld. Zij is niet eerlijk geweest over de rol die zij vervulde, door onvermeld te laten dat tussen haar en ‘cliënt’  geen behandelrelatie bestond, maar enkel een vriendschappelijke relatie. Zij heeft haar hoedanigheid van psycholoog misbruikt voor privédoeleinden en heeft gedurende de hele inhoud van de verklaring doen voorkomen alsof de verklaring het resultaat was van gesprekken die zij als psycholoog met haar cliënt had gevoerd. Zij had dan ook kunnen voorzien dat haar handelen het vertrouwen van de samenleving in de psychologiebeoefening of haar collega’s kon schaden. Het handelen wordt om die reden in strijd geacht met het belang van een goede gezondheidszorg.

 

5.4.      De conclusie is dat de klacht, voor zover het de afgifte van de verklaring betreft, gegrond is. Het college acht het opleggen van de maatregel van waarschuwing daarvoor passend en overweegt daaromtrent het volgende. Door het handelen van verweerster is het vertrouwen in de beroepsgroep van psychologen aangetast. Verweerster heeft echter het boetekleed aangetrokken. Zij heeft uitdrukkelijk erkend dat zij in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld en dat dat nooit had mogen gebeuren. Het college stelt ook vast dat aan haar nooit eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en zij vertrouwt er dan ook op dat verweerster dit nooit meer zal laten gebeuren.Bij de beoordeling van het tuchtrechtelijk verwijt en het opleggen van de maatregel zijn de gevolgen die het handelen van verweerster voor klaagster zou hebben gehad, niet bepalend. Het college gaat hierop dan ook niet nader in.

 

5.5.      Voor zover klaagster erover heeft geklaagd dat de tweede tuchtnorm ook is geschonden omdat verweerster een zakelijk belang had bij de afgifte van de verklaring en omdat zij chantabel was, is dit gezien de betwisting door verweerster niet komen vast te staan. Daarom is dit deel van de klacht ongegrond.

 

5.6.      Ten slotte wijst het College erop dat zij de door verweerster op 10 januari 2017 ingediende stukken niet heeft betrokken bij de beoordeling, zodat de zijdens verweerster opgeworpen vraag of deze stukken rechtmatig zijn verkregen niet hoeft te worden beantwoord.

 

6. De beslissing

 

Het college:

-         verklaart de klacht voor zover het betreft de afgifte van de rechtbankverklaring gegrond;

-         legt op de maatregel van waarschuwing;

-         wijst de klacht voor het overige af.

 

Aldus beslist door:

mr. P.E. van Eekeren, voorzitter,

drs. W.C.B. Hoenink, drs. E.S.J. Roorda en drs. L.J.J.M. Geertjens, leden-beroepsgenoot,

mr. S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door mr. M.G. Verkerk, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 7 maart 2017 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. secretaris                                                                       w.g. voorzitter

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens