Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2016:86
Datum uitspraak:
16-11-2016
Datum publicatie:
16-11-2016
Zaaknummer(s):
1697
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Psychotherapeut
Beslissingen:
Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:
 Psychotherapeute wordt onzorgvuldig handelen, onzorgvuldige communicatie, onheuse bejegening, schending beroepsgeheim, beperkte beschik- en bereikbaarheid en onzorgvuldige klachtafhandeling verweten. Gedeeltelijk gegrond. Onprofessionele wijze van  communiceren. De wijze waarop de boodschap ontvangen wordt, dient gepeild en professioneel beoordeeld te kunnen worden. Schending beroepsgeheim gelet op contact met echtgenoot. Geen inzicht in eigen handelen. Onvoldoende regie en verantwoordelijkheid genomen en op onderdelen niet professioneel gehandeld. Niet op tijd aangeven en handhaven van professionele grenzen. Berisping en publicatie.

 

Uitspraak: 16 november 2016

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 31 mei 2016 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde mr. L.A.A.W. Dirkx te Berkel-Enschot

 

tegen:

 

[C]

psychotherapeut

werkzaam te [D]

verweerster

 

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         de brief van verweerster d.d. 18 augustus 2016

-         de brief van de gemachtigde van klaagster d.d. 23 augustus 2016

-         de e-mails van de gemachtigde van klaagster d.d. 20 en 22 september 2016

-         de pleitnotitie overgelegd door klaagster

-         de pleitnotitie overgelegd door verweerster

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 5 oktober 2016 behandeld. Partijen waren aanwezig, klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Begin 2010 zijn partijen een behandelrelatie aangegaan. Medio 2015 is de behandelrelatie beëindigd. In de periode 2010 tot maart 2012 zag de behandeling op klachten van depressie en een burn-out.

Tijdens een zwangerschap vanaf maart 2012 ontstonden bij klaagster post traumatisch stress-klachten. Klaagster is gedurende haar zwangerschap begeleid door de POP polikliniek (Psychiatrie, Obstetrie (verloskunde) en Pediatrie) van het ziekenhuis waar zij voor de zwangerschap onder behandeling was. Verweerster en klaagster hebben in deze periode via de e-mail contact gehouden. In haar e-mail van 8 juni 2012 om 08:06:20 uur heeft verweerster geschreven:

“(…)

Ik vind het prima om een afspraak te maken, maar dan om richting afronding van de therapie te gaan. Onze doelen waren al bereikt, en als je in de toekomst een nieuwe hulpvraag hebt, kan je je altijd weer opnieuw aanmelden.

Afspraak kan op woensdag 27 juni om 16:00 uur. (…)

Klaagster reageerde daar per e-mail van 8 juni 2012 om 10:49 uur op met:

(…)

Doelen zijn idd bereikt, moet wel zeggen dat als je het dan hebt over afsluiten ik wel schrik. Snap het heus wel maar niet iets om via de mail mede te delen. (…)”

Tot een daadwerkelijke beëindiging van de behandelrelatie is het vervolgens niet gekomen. Tussen klaagster en verweerster is afgesproken dat met EMDR-therapie gestart zou worden. Halverwege 2013 stagneerde dit plan en manifesteerden zich klachten die geduid werden als dissociatie.

In maart 2014 verwees verweerster klaagster per brief voor behandeling naar een Top Referent Trauma Centrum (TRTC) van een GGZ-instelling. Na een intakegesprek is de behandeling daar niet verder opgepakt.

In januari 2015 schreef verweerster naar aanleiding van een aan haar gezonden brief van klaagster:

(…)

Ik snap dat een vangnet-idee prettig voor je is. Alleen: ik heb je eerder in een brief laten weten dat het een soort “mee-vermijden” is als ik aanwezig ben, ook al is het op de achtergrond. Het is ook geen psychotherapie. Ik wil het dus afronden, zoals we samen al hadden besproken. Ik begrijp dat dit moeilijk voor je is.”

Tijdens een consult bij verweerster op 12 maart 2015 deed zich een paniekaanval bij klaagster voor. In het medisch dossier over dit consult heeft verweerster geschreven – voorzover voor de beoordeling relevant - :

“[Klaagster] vertelt ook dat [echtgenoot van klaagster] nogal tegen de GGZ is. Het helpt haar niet, maar ze vindt het ergens ook veilig dat ze zich hier achter kan verschuilen. Ze zou het mogelijk helpend vinden als ik er met [echtgenoot van klaagster] over zou praten, waarop ik aangeef dat ik het ook fijn vond in haar brief te lezen dat ik met [echtgenoot van klaagster] mag overleggen.

We praten verder nog over het hier en nu, en aan het einde van de sessie (…) schiet [klaagster] weer weg. Ze wil naar huis, maar durft de trap niet af te lopen. Ik probeer haar in het hier en nu te houden door met haar te praten, maar ze vraagt of ik mijn mond wil houden. Ze gaat bij de vensterbank staan en blijft daar ongeveer 20 minuten staan. (…) Uiteindelijk gaat het weer en lopen we naar beneden en vertrekt [klaagster].”

Het contact tussen verweerster en de echtgenoot van klaagster over dit voorval staat in het medisch dossier van verweerster bij 16 maart 2015:

“[Echtgenoot van klaagster] heeft bericht ingesproken en ik bel terug. (…) Ik geef op mijn beurt aan dat ik hier erg van schrik! Ze was weer op orde toen ze naar buiten ging, nadat ze hier al 20 minuten “weg” was. Ze was weer bij toen ze naar buiten ging!

Goed dat [echtgenoot van klaagster] dus aan de bel trekt; dit is echt onverantwoord. Ik geef aan over de GGZ en [echtgenoot van klaagster] vertelt zijn weerstand hiertegen. (…)”

Voorts staat er bij 16 maart 2015 in het medisch dossier:

“Telefonisch contact met huisarts (…). Uitgelegd over de zorgelijke gebeurtenis van afgelopen donderdag waarover [echtgenoot van klaagster] mij heeft geïnformeerd. Zij was het eerder al eens met verwijzing naar de GGZ. Huisarts neemt mijn verslag ter kennisgeving aan en bedankt me “voor de update”.”

Rond 25 maart 2015 vond er contact plaats tussen klaagster, verweerster en de echtgenoot van klaagster waarin de relatie tussen klaagster en verweerster escaleerde.

Op 29 april 2015 vond een intakegesprek plaats van klaagster bij de GGZ-instelling waarnaar verweerster klaagster heeft verwezen. De daarbij aanwezige medewerker van de GGZ-instelling was een oud-collega van verweerster. Vanwege deze reden heeft die medewerker van de GGZ-instelling klaagster niet (verder) behandeld. Later is de behandeling bij de GGZ-instelling wel opgestart.

 

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

De klacht kent de volgende onderdelen:

Verweerster 

1.            heeft onzorgvuldig gehandeld door:

a)   de behandelrelatie in stand te houden terwijl de vereiste deskundigheid ontbreekt;

b)  de grenzen tussen amicale en professionele onvoldoende in acht te nemen;

c)   klaagster in dissociatieve toestand na de therapie op 12 maart 2015 naar huis te laten gaan;

d)  per e-mail (2012) en per brief (2014) aan te kondigen dat de therapie zal worden afgerond;

e)   klaagster in crisissituatie doorverwijzen naar de GGZ zonder melding te maken van vriendschap met de intaker.

2.            heeft op onzorgvuldige wijze met klaagster gecommuniceerd door:

a)   ondanks andersluidende afspraken, toch steeds per brief, sms of voicemail te communiceren;

b)  het vlak voor of in het weekend versturen van brieven.

3.            heeft op onheuse wijze klaagster bejegend tijdens het telefoongesprek van 25 maart 2015;

4.             heeft haar beroepsgeheim geschonden door:

a)   zonder toestemming van klaagster contact op te nemen met de echtgenoot;

b)  zonder toestemming van klaagster contact op te nemen met de huisarts

c)   de casus van klaagster in een intervisiegroep te bespreken zonder anonimiteit;

5.             is onvoldoende beschikbaar en bereikbaar geweest;

6.             heeft niet zorggedragen voor een zorgvuldige klachtafhandeling.

 

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster reageert - zakelijk weergegeven - als volgt op de klachtonderdelen:

 

Ad 1a

De klacht is niet terecht. Verweerster heeft met betrekking tot de dissociatie kenbaar gemaakt dat ze geen specialist is op het gebied van de behandeling van de vorm van dissociatie die zich bij klaagster voordeed en dat ze het raadzaam vond klaagster te verwijzen. De weerstand die klaagster had tegen de verwijzing heeft de verwijzing volgens verweerster vertraagd en gecompliceerd. Het blijven begeleiden van klaagster ook na momenten waarop verweerster aangegeven had dat het beter was te verwijzen, heeft verweerster bewust gedaan vanwege de zorgelijke problematiek van klaagster.

 

Ad 1b

De klacht is niet terecht en onvoldoende onderbouwd. De ter zitting gegeven nadere specificering wordt door verweerster nadrukkelijk weersproken.

 

Ad 1c

Verweerster ontkent dat klaagster in dissociatieve toestand verkeerde toen zij na het consult van 12 maart 2015 haar praktijk verliet.

 

Ad 1d

Verweerster geeft aan dat er geen regels zijn aangaande in welke communicatieve vorm behandelingen dienen te worden afgesloten maar dat dit het prettigst is indien het in een face-to-face gesprek gebeurt. Omdat in 2012 er echter geen reguliere face-to-face contacten waren tussen klaagster en verweerster en de contacten op dat moment via de e-mail verliepen heeft verweerster ervoor gekozen de beëindiging per e-mail te communiceren. De verwijzing in 2014 heeft verweerster per brief gedaan omdat klaagster in gesprekken over de verwijzing dissocieerde. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

 

Ad 1e

De klacht is ongegrond. Verweerster heeft niet doorverwezen naar een specifieke medewerker maar naar de GGZ-instelling.

 

Ad 2a

Face-to-face communicatie heeft de voorkeur van verweerster maar bij klaagster heeft zij bewust gekozen voor communicatie per brief in verband met de omstandigheid dat klaagster bij face-to-face gesprekken en telefonische gesprekken vaak in een dissociatieve toestand terecht kwam. Verweerster gaf aan dan niet zeker te weten wat klaagster van het besprokene had onthouden.

 



Ad 2b

 

Verweerster heeft zoveel mogelijk geprobeerd rekening te houden met de wensen omtrent communiceren van klaagster. Als klaagster aangaf een bepaalde manier of moment niet prettig te vinden, heeft verweerster daar gehoor aan gegeven.

 

Ad 3

Verweerster herkent zich niet in de feiten zoals weergegeven door klaagster.

 

Ad 4a

Verweerster had toestemming om contact te hebben met de echtgenoot van klaagster.

 

Ad 4b

Klaagster heeft op het intakeformulier aangegeven dat informatie verstrekt mocht worden aan de huisarts.

 

Ad 4c

Verweerster verwijst naar artikel III 3.2.1.1. van de Beroepscode waarin opgenomen is dat een psychotherapeut zonder toestemming informatie kan uitwisselen in het kader van intervisie. Verweerster heeft de casus van klaagster anoniem besproken.

 

Ad 5

Verweerster herkent zich niet in het beeld dat ze slecht bereikbaar en vaak afwezig zou zijn.

 

Ad 6

Verweerster meent dat de klacht ongegrond is.

 

5. De overwegingen van het college

Het college zal hierna de klachtonderdelen behandelen.

 

Ad 1a, 1d, 2a en 2b.

Deze klachtonderdelen, die in de kern handelen over de wijze waarop verweerster is omgegaan met beëindigingen en verwijzingen binnen de behandelrelatie, lenen zich voor gezamenlijke bespreking en beoordeling.

Het tuchtcollege is van oordeel dat deze klachtonderdelen gegrond zijn.

Gedurende de behandelrelatie zijn er nagenoeg vanaf het begin maar zeker vanaf eind 2013 meer momenten geweest waar verweerster –na een professionele afweging- zelf heeft aangestuurd op een verwijzing of beëindiging van de behandelrelatie. Nadat klaagster echter aangaf niet open te staan voor een verwijzing of beëindiging is de voorgestelde verwijzing of beëindiging niet geëffectueerd. Naar het oordeel van het college is verweerster met deze handelwijze niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm of standaard was aanvaard. Verweerster heeft op deze momenten onvoldoende regie in de behandelrelatie getoond.

Daarnaast acht het college de wijze waarop het beëindigen van de behandelrelaties werd medegedeeld, in 2012 via e-mail en in 2014 bij brief, niet de manier waarop een professioneel handelend beroepsgenoot wijzigingen in de behandelrelatie aankondigt of bespreekbaar maakt. Verweerster onderkent dit ook waar zij als uitgangspunt aangeeft deze onderwerpen in een face-to-face contact te willen bespreken. De omstandigheden die verweerster aanvoert ter rechtvaardiging van het communiceren van de beëindiging en verwijzing per e-mail en brief maken dit uitgangspunt echter niet anders. Integendeel is -gelet op die omstandigheden alsmede het ziektebeeld van klaagster- van groot belang dat het communiceren op een zodanige manier gebeurt dat de wijze waarop de boodschap ontvangen wordt, gepeild en professioneel beoordeeld kan worden. Dit wordt niet anders omdat verweerster, zoals zij aangeeft, zorgen had over de vraag of de in een gesprek verstrekte informatie door klaagster onthouden werd. Zonodig kan immers na afloop van een gesprek de gegeven informatie schriftelijk worden bevestigd.

Verweerster heeft met het vorenstaande tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

 

Ad 1b, 1c, 3

Van belang bij de beoordeling van deze klachtonderdelen is dat de lezingen die partijen presenteren fundamenteel uiteenlopen. Ze lenen zich daarom voor gezamenlijke bespreking en beoordeling.Het tuchtcollege acht deze klachtonderdelen ongegrond.

In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.

 

Ad 1e.

Het tuchtcollege is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Niet is komen vast te staan dat verweerster klaagster heeft verwezen naar een oud-collega, waarmee het risico zou zijn ontstaan op het niet behandelen van klaagster door die oud-collega. Verweerster heeft klaagster verwezen naar een GGZ-instelling, waarbij de keuze van de daadwerkelijke behandelaar bij die instelling berust. Dat die keuze is gevallen op een oud-collega van verweerster kan daarmee verweerster niet verweten worden.

 

Ad 4a, b en c.

Deze klachtonderdelen hebben alle betrekking op een gestelde schending van het beroepsgeheim.

Wat betreft het contact opnemen met de echtgenoot van klaagster merkt het college allereerst op dat in de klachtbrief niet geheel duidelijk is op welk moment dit ziet. Verweerster heeft vervolgens in haar verweer aangegeven ervan uit te gaan dat deze klacht ziet op het voorgevallene op 25 maart 2015, hetgeen door klaagster verder niet weersproken is. Het college zal daarom het handelen op 25 maart 2015 nader beoordelen.

Het college stelt vast dat klaagster op 25 maart 2015 -bij sms-bericht van 14:09 uur zoals zij onweersproken heeft gesteld-  heeft aangegeven dat verweerster geen contact mocht opnemen met de echtgenoot van klaagster. Verweerster blijkt die dag wel contact te hebben opgenomen. Dat er op eerdere momenten wellicht wel toestemming is gegeven voor contact met de echtgenoot van klaagster maakt niet dat er voor dit contact wel toestemming bestond. Daarmee is sprake van een schending van het beroepsgeheim. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Wat betreft overleg met de huisarts is door verweerster onweersproken verwezen naar de toestemming die bij aangaan van de behandelovereenkomst zou zijn opgenomen. Daarnaast is er geen sprake van schending van een beroepsgeheim bij gegevensuitwisseling tussen artsen die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandelovereenkomst (artikel 7:457 lid 2 BW), zodat dit klachtonderdeel moet worden afgewezen

Wat betreft overleg met de intervisiegroep is door verweerster onweersproken verwezen naar de geldende beroepscode waar deze mogelijkheid is opgenomen. Voorts stelt verweerster de casus van klaagster enkel anoniem ingebracht te hebben. Waar dit weersproken wordt door klaagster is er sprake van een verschillende lezing van de feiten, waarvan hiervoor reeds is overwogen dat een verwijt dat dan gebaseerd is op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond wordt bevonden. Het college verwijst naar haar overwegingen onder ad 1b, 1c, 3. De conclusie is dan dat ook dit niet tot een tuchtrechtelijk verwijt kan leiden. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

 

Ad 5.

Het tuchtcollege acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Het college heeft kunnen vaststellen dat verweerster op veel verschillende manieren en momenten voor klaagster bereikbaar was. Waar wellicht gesteld zou kunnen worden dat verweerster zich daarin teveel heeft laten leiden door de wensen van klaagster en niet door haar eigen professionele grenzen, kunnen de feiten in ieder geval niet een klacht over een te beperkte beschik- of bereikbaarheid dragen.

 

Ad 6.

Het tuchtcollege acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Wat er verder van de klachtafhandeling ook moge zijn, leidt dit niet tot een aan verweerster persoonlijk te maken tuchtrechtelijk verwijt.

 

Resumerend leidt het vorenstaande tot de conclusie dat de klacht deels gegrond is, hetgeen het college brengt tot haar overwegingen omtrent een op te leggen maatregel.

Het college is niet gebleken van een eerder gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Anderszins heeft verweerster gedurende de procedure geen blijk gegeven de onjuistheid van haar handelen in te zien. Integendeel heeft zij ter zitting desgevraagd aangegeven in gelijke omstandigheden weer zo te handelen. De klachtonderdelen die gegrond zijn raken een fundamenteel onderdeel van de hulpverlener-patiënt-relatie, te weten de professionele regie die steeds betracht moet worden. Het college stelt vast dat verweerster kennelijk onvoldoende regie en verantwoordelijkheid heeft durven nemen en bovendien op onderdelen niet professioneel heeft gehandeld, getuige ook de hoeveelheid e-mails die verweerster is blijven ontvangen en beantwoorden terwijl verweerster tot het professioneel oordeel was gekomen de behandelrelatie te moeten beëindigen. Verweerster had haar professionele grenzen eerder dienen aan te geven en te handhaven. Gelet hierop zal aan verweerster de maatregel van berisping opgelegd worden.

 

 

6. De beslissing

Het college:

-     verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

-     legt op de maatregel van berisping;

-     wijst de klacht voor het overige af;

-     bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, de beslissing, zodra zij onherroepelijk is geworden, zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift “Tijdschrift voor Psychotherapie”.

 

Aldus beslist door mr. A.H.M.J.F. Piëtte als voorzitter, mr. C.D.M. Lamers als lid-jurist,

P. Citroen, dr. R.J. Takens en W.C.B. Hoenink als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

16 november 2016 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens