Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2016:164
Datum uitspraak:
12-04-2016
Datum publicatie:
13-04-2016
Zaaknummer(s):
c2015.041
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Psychotherapeut
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De aangeklaagde psychotherapeut, heeft op verzoek van de ex-partner van klaagster een rapportage opgesteld in het kader van een “second opinion” m.b.t. een eerdere rapportage over de dochter van klaagster, uitgevoerd door een organisatie gespecialiseerd op het terrein van de geestelijke gezondheid. Klaagster verwijt de psychotherapeut: 1.dat zij klaagster geen toestemming heeft gevraagd en derhalve ook niet heeft gekregen om uitspraken over persoonlijkheid en/of ernstige psychopathologie te doen en/of rapportages over haar aan derden te verstrekken; 2. dat zij uitspraken over klaagsters persoonlijkheid c.q. ernstige psychopathologie heeft gedaan zonder daartoe noodzakelijk onderzoeken te hebben uitgevoerd, zij ook geen contact met klaagster heeft gehad en haar bevindingen uitsluitend heeft gebaseerd op onderzoeksverslagen die van anderen afkomstig zijn en die deels aantoonbare onjuiste informatie bevatten; 3.dat zij haar onderzoeksbevindingen heeft doorgestuurd zonder die vooraf in concept aan klaagster voor te leggen en naar klaagsters reactie en zienswijze, laat staan instemming te informeren;4. dat zij klaagster door haar handelswijze ernstig heeft beschadigd.Voorts heeft klaagster gesteld dat deze klachten ook betrekking hebben op haar dochter. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen gegrond bevonden en legt de psychotherapeut de maatregel van berisping op en gelast de publicatie na het onherroepelijk worden.Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de psychotherapeut en gelast/verzoekt de publicatie.

 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.041 van:

A., psychotherapeut, werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. H.W.P.B. Taminiau, advocaat te Breda,

tegen

C., wonende te D., verweerster, klaagster in eerste aanleg.

1.        Verloop van de procedure

C. - hierna klaagster - heeft op 3 juni 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen psychotherapeut A. - hierna de psychotherapeut - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 december 2014, onder nummer 097/2014 heeft dat College de psychotherapeut de maatregel van berisping opgelegd en - zakelijk weergegeven - bepaald dat de beslissing na het onherroepelijk worden zal worden gepubliceerd.

De psychotherapeut is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 maart 2016, waar zijn verschenen de psychotherapeut, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.W.P.B. Taminiau alsmede klaagster vergezeld door haar moeder, E..

De zaak is over en weer bepleit aan de hand van pleitnota’s die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.        Beslissing in eerste aanleg

2.1           De in eerste aanleg vastgestelde feiten.

“2.   FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster is gehuwd geweest met de heer F.. Uit dit huwelijk is in 2008 een dochter geboren, G.. Klaagster heeft op 22 maart 2011 met G. de huisarts bezocht in verband met het vermoeden van seksueel misbruik door vader. De huisarts heeft op 29 maart 2011 een melding gedaan bij het AMK. Diverse (gerechtelijke) procedures betreffende gezagen bezoekregeling volgden. Gesproken kan worden van een ‘vechtscheiding’.

Verweerster heeft op 31 maart 2014 op verzoek van vader een, wat zij noemt, second opinion gegeven ten aanzien van een eerdere rapportage betreffende G., opgesteld door H., een organisatie die gespecialiseerd is op het terrein van de geestelijke gezondheid.

Verweerster noteerde in de rapportage:

“Cliënt, F., vader van G., wordt verwezen door de huisarts naar verweerster wegens PAS (Parental Alienation Syndrome) problematiek. Er is het verzoek om een second opinion t.a.v. eerdere rapportage betreffende cliënt’s dochter G..”

Verweerster heeft de ‘hulpvraag’ als volgt omschreven:

“Cliënt is op zoek naar iemand die vanuit zijn expertise iets kan zeggen over de door hem meegebrachte stukken, in het bijzonder over het onderzoek van zijn dochter G. bij H.. Hij is van mening dat de problematiek eenzijdig wordt belicht nl. alleen vanuit het perspectief van het “mogelijk seksueel misbruik”, waarvan hij door zijn ex-partner naar zijn mening onterecht is beschuldigd en waarvan hij bij herhaling door het AMK en de Raad is vrijgesproken.

Er is sprake van een OTS. G. is verwezen door BJZ naar H. voor spelobservaties. Het betreft de rapportage van de spelbegeleiding van september 2013 tot november 2013.”

 […]"

Verweerster geeft vervolgens aan op welke stukken haar rapport is gebaseerd, namelijk een stuk van het AMK van 30 juni 2011, van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 augustus 2011, gerechtelijke onderzoeken uit 2012/2013, een brief van de basisschool van 6 november 2013 aan de rechtbank en een samenvatting van de spelcontacten van H..

Verweerster schrijft over de samenvatting van H.:

“Uit de samenvatting van de 11 spelcontacten bij H. komt naar voren dat G. zich tijdens de sessies diverse malen zeer negatief heeft uitgelaten over het gedrag van vader en voor hem belastende uitspraken heeft gedaan. “vader is stout en vader stopt zijn vinger in mijn kont.”

Deze uitspraken hebben betrekking op het op 2-jarige leeftijd “mogelijk seksueel misbruik”.

De onderzoekster van H. geeft aan in haar conclusie dat het meisje geen psychiatrische problematiek laat zien en ook dat de voor vader belastende uitspraken van G. niet behoeven te betekenen dat er ook inderdaad grensoverschrijdend gedrag van vader is geweest. Er wordt een voor een vijfjarige te grote verantwoordelijkheid naar de moeder toe gesignaleerd. Tevens wordt vastgesteld dat G. te lijden heeft onder de spanningen tussen de ouders en er wordt gewaarschuwd voor het gevaar dat de emotionele ontwikkeling van G. stagneert en er schade kan optreden in de identiteit- en persoonlijkheidsontwikkeling bij voortdurende conflicten.”

Als overwegingen noteert verweerster:

“De hypothese van het “mogelijk seksueel misbruik” door vader is in het onderzoek van H. en de conclusie steeds het uitgangspunt, maar G.s belastende woorden zijn volgens de onderzoekster geen bewijs voor dit misbruik.

De reden waarom dit niet als bewijs kan worden gezien wordt echter niet gegeven: namelijk dat de geheugenfunctie van een 2-jarige nog zeer weinig ontwikkeld is en dus niet kan leiden tot coherent herhaalde voor vader belastende uitspraken 3 jaar later zoals zij in de spelobservaties deed.

Ook de vraag waar deze voor vader belastende uitspraken van G. dan wel een uiting van kunnen zijn, blijft in het rapport onbeantwoord.

De hypothese dat G.s uitspraken samenhangen met moeders waandenkbeelden, die het verhaal van misbruik actueel houden en het gevaar op de emotionele ontwikkeling en de geestelijke schade daarvan, wordt niet aangegeven. Door de op irreële gronden gecreëerde  haatgevoelens ten opzichte van vader ontstaat er een spanningsveld waarin G. haar vader niet meer zonder angst kan bezoeken. Ook de ontwikkeling van een normalerealiteitszin wordt daardoor geschaad.

De persoonlijkheidsproblematiek bij de moeder wordt aannemelijk door diens grensoverschrijdend gedrag zoals uit de overige bovengenoemde rapporten naar voren komt, bijvoorbeeld:

-       Nalatig gedrag door geen onderzoek door de huisarts te laten verrichten en geen melding te doen bij het AMK, bij verdenking van seksueel misbruik bij haar destijds 2-jarige dochter. Opmerkelijk juist omdat zijzelf bij de recherche werkt.

-       Het zich niet houden aan de gerechtelijke uitspraken aangaande de omgangsregeling.

-       Het mijden van contacten en samenwerking bij het ouderschap maar wel juist het stalken van vader en het inschakelen van leerkrachten en ouders van de basisschool om vader te observeren.

Tevens zijn de notities van het AMK dd. 30-06-2011 niet meegenomen:

-       “Moeder kwam in de gesprekken over als een niet makkelijk toegankelijke vrouw. Bij doorvragen ontstond er weerstand. Moeder lijkt perfectionisme voortdurend na te streven. Ze wil continu controle uitoefenen”.

-       “Vader kwam over als een rustige betrokken man, die zich coöperatief opstelde.””

Verweerster concludeert:

“G. toont duidelijke kenmerken van het ontwikkelen van een ernstige vorm het zogenaamde PAS-syndroom.

Persoonlijkheidsproblematiek bij de moeder is vanuit de rapportage aantoonbaar en de projecties van haar waanideeën (paranoia) op haar dochter G. worden duidelijk in het verslag van H.. De uitlatingen van G. in het onderzoek van H. zijn letterlijk onbegrepen citeringen: een uiting van het overnemen van de paranoia van de moeder. G. toont daarover geen schuldgevoelens, hetgeen erop wijst dat de realiteitszin reeds is aangetast en geeft aan dat er reeds sprake is van een eigen actieve bijdrage van het kind. Daarnaast wordt er een te grote verantwoordelijkheid jegens moeder gesignaleerd, hetgeen wijst op een te grote binding ofwel symbiotische relatie met moeder.

Ook dit is een gevaar voor de emotionele ontwikkeling.”

Verweerster adviseert:         

“Een in het kader van de OTS verplicht persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder, een heroverweging van de omgangsregeling op grond van de uitkomsten en verplichte opvoedingsbegeleiding om zo de bedreigde ontwikkeling van G. te voorkomen en haar te “deprogrammeren”.

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.

“3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster, samengevat weergegeven:

-                 dat zij klaagster geen toestemming heeft gevraagd en derhalve ook geen toestemming heeft gekregen om uitspraken over persoonlijkheid en/of ernstige psychopathologie te doen en/of rapportages over haar aan derden te verstrekken;

-                 dat zij uitspraken over klaagsters persoonlijkheid c.q. ernstige psychopathologie heeft gedaan zonder daartoe noodzakelijk onderzoeken te hebben uitgevoerd, zij ook geen contact met klaagster heeft gehad en haar bevindingen uitsluitend heeft gebaseerd op onderzoeksverslagen die van anderen afkomstig zijn en die deels aantoonbare onjuiste informatie bevatten.

-                 dat zij haar onderzoeksbevindingen heeft doorgestuurd zonder die vooraf in concept aan klaagster voor te leggen en naar klaagsters reactie en zienswijze, laat staan instemming te informeren.

-   dat zij klaagster door haar handelswijze ernstig heeft beschadigd.

Voorts heeft klaagster gesteld dat deze klachten ook betrekking hebben op haar dochter G..

4.  HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat, op grond van het feit dat er sprake is van ernstige systeemproblematiek en op basis van de beschikbare rapporten, het mogelijk is om te constateren dat er sprake is van problematiek bij moeder zonder haar gezien te hebben. Wat de oorzaak en de aard van die problematiek zijn, vraagt nader onderzoek en dat heeft verweerster geadviseerd. Zonder inzicht in klaagsters eigen emoties en handelen en zonder begeleide communicatie tussen de ouders zullen de spanningen alleen maar toenemen. Dat er geen communicatie met klaagster is geweest, hangt samen met het feit dat alle communicatie via de rechtbank loopt. Dat klaagster zich beschadigd voelt, is onterecht, al erkent verweerster dat de diagnose PAS pijnlijk en confronterend is. Impliciet voert verweerster aan dat de tegen haar ingediende klacht ongegrond is. “

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

De kern van de zaak is dat klaagster van oordeel is dat verweerster onzorgvuldig ten opzichte van klaagster en haar dochter heeft gehandeld met het uitbrengen van haar rapportage van 31 maart 2014.

5.3

Vooropgesteld wordt dat, anders dan in het kader van gerechtelijke procedures door daartoe benoemde deskundigen, het ongebruikelijk is dat een psychotherapeut een rapportage uitbrengt zoals verweerster dat heeft gedaan, waaraan niet afdoet dat deze door haar wordt aangeduid als een ‘second opinion'. Dat verklaart mogelijk ook waarom er in de richtlijnen van de beroepsgroep van psychotherapeuten met betrekking tot het afgeven van een dergelijke rapportage en/of ter zake van de financiering daarvan niets is geregeld. Dat neemt niet weg dat verweerster zich had moeten afvragen, en zich zo nodig hiervan op de hoogte had moeten stellen, aan welke basale eisen een dergelijke rapportage ten minste moet voldoen en welke grenzen vanuit professioneel oogpunt daarbij in acht moeten worden genomen.

5.4

Temeer nu de opdrachtgever van verweerster, verder: de vader, in een echtscheiding met klaagster was verwikkeld, was uiterste voorzichtigheid en terughoudendheid geboden. Een 'papieren onderzoek', zoals verweerster heeft verricht, op basis van een

– door de vader overgelegde – selectie van documenten en zonder zich te verstaan met klaagster en dochter G. en zonder te beschikken over hun medische dossiers, had, voor zover verweerster zich daarvoor al had moeten lenen, beperkt moeten blijven tot het plaatsen van vragen en kanttekeningen bij de onderbouwing en de methodologie van het door H. uitgevoerde onderzoek. In geen geval had verweerster mogen overgaan tot het stellen van diagnoses over de geestestoestand van klaagster (persoonlijkheidsproblematiek, paranoia) en dochter G. (PAS-syndroom), zoals zij in de betreffende rapportage heeft gedaan.

5.5

De omstandigheid dat verweerster de situatie van G. - begrijpelijk - als zeer ernstig inschatte maakt dit niet anders. Verweerster heeft, zo bleek uit haar - herhaalde -  toelichting ter zitting, zich bewust stellig over klaagster uitgelaten omdat zij tegenwicht wilde bieden tegen de niet bewezen beschuldiging aan het adres van vader. Zij heeft daarmee, zo heeft verweerster ter zitting verklaard, de hulpverleners van G. in beweging willen krijgen. Zij heeft zich, zo verklaarde verweerster ter zitting, feitelijk als belangenbehartiger van G. opgesteld in een situatie die ernstig en buitengewoon gecompliceerd was. Verweerster wist dat de vader de rapportage die zij zou opstellen, zou inbrengen in een gerechtelijke procedure bij het gerechtshof tussen hem en klaagster. Verweerster had zich dan ook de gevolgen die dit voor klaagster en G. zou kunnen hebben, moeten realiseren. Dat verweerster zich dat heeft gerealiseerd, is niet gebleken. Verweerster heeft ter zitting wel blijk gegeven over mogelijke effecten te hebben nagedacht, doch heeft daarbij haar eigen mogelijkheden in deze ingewikkelde en uiterst precaire situatie overschat. Op grond van één en ander komt het college tot de conclusie dat het tweede klachtonderdeel gegrond is.

5.6

Nu verweerster de rapportage niet had mogen uitbrengen in de vorm zoals zij dat heeft gedaan, behoeven het eerste en het derde klachtonderdeel strikt genomen geen bespreking meer. De gebreken die aan de rapportage kleven hadden immers niet kunnen worden geheeld door de toestemming van klaagster en evenmin door de onderzoeksbevindingen vooraf aan klaagster voor te leggen. Vast staat intussen dat noch toestemming is gevraagd aan klaagster (zowel voor haarzelf als voor dochter G. waarover zij – mede – het gezag had) noch de rapportage in concept aan klaagster is voorgelegd. In feite is de rapportage geheel achter de rug van klaagster om tot stand gekomen. Daarom acht het college ook deze twee klachtonderdelen gegrond.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de klacht in zijn geheel gegrond te worden verklaard. Het college dient derhalve een maatregel op te leggen. Gelet op de ernst van het verwijt dat verweerster kan worden gemaakt, met name dat zij zonder klaagster en G. gezien te hebben verregaande uitspraken heeft gedaan over de persoonlijkheid en mogelijke psychopathologie van klaagster en G., terwijl zij bovendien wist dat die rapportage in een gerechtelijke procedure zou worden gebruikt, alsmede het feit dat zij ook ter zitting er geen blijk van heeft gegeven het foutieve van haar handelwijze in te zien, acht het college een berisping op zijn plaats. Om redenen van algemeen belang zal het college bepalen dat deze beslissing wordt gepubliceerd als vermeld in het dictum.

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1  De psychotherapeut heeft in beroep vijf grieven ingediend waarmee de beoordeling van de klacht ten volle aan het Centraal Tuchtcollege wordt voorgelegd. Zij concludeert – zakelijk weergegeven - tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot afwijzing van de klacht zo nodig met verbetering van de gronden.

4.2  Klaagster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt om handhaving van de bestreden beslissing.

4.3.  Deze zaak vindt zijn oorsprong in het verzoek van de ex-partner van klaagster aan de psychotherapeut om een second opinion uit te brengen over een rapportage die door H. was opgesteld over dochter G. in het kader van een echtscheidingsprocedure. Duidelijk was dat de ex-partner van klaagster het door de psychotherapeut op te stellen rapport zou inbrengen in het kader van deze echtscheidingsprocedure. Er was sprake van een vechtscheiding. In deze omstandigheden acht het Centraal Tuchtcollege het uitbrengen van een second opinion door een onafhankelijke beroepsbeoefenaar geoorloofd.  Hierbij is echter, vanwege het precaire karakter van een dergelijke situatie, de aan de orde zijnde belangen en het feit dat het verzoek afkomstig is van slechts een van de bij de vechtscheiding betrokken partijen, terughoudendheid geboden. Die terughoudendheid had er in de gegeven omstandigheden uit kunnen bestaan dat de psychotherapeut zich had beperkt tot het plaatsen van kanttekeningen bij het rapport van H.. De psychotherapeut heeft zich niet tot een dergelijke terughoudende opstelling beperkt.

4.4 Het rapport dat de psychotherapeut heeft opgesteld dient te worden aangemerkt als een rapportage als bedoeld in CTG 30 januari 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:17. In deze uitspraak worden aan een dergelijke rapportage de volgende eisen gesteld:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de

voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4.  Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Naar de mening van het Centraal Tuchtcollege voldoet de rapportage van de psychotherapeut op een aantal belangrijke punten niet aan deze vereisten. Anders dan de psychotherapeut heeft betoogd stelt zij in de visie van het Centraal Tuchtcollege in haar rapportage wel degelijk diagnoses ten aanzien van zowel klaagster als de dochter van klaagster. De door de psychotherapeut gebruikte methode van onderzoek vormt daarvoor een volstrekt onvoldoende basis (norm 2). Zo baseert de psychotherapeut zich uitsluitend op de door ex-partner aangeleverde stukken en gegevens en heeft zij klaagster en haar dochter niet zelf gesproken of onderzocht. Een dergelijk ‘papieren onderzoek’, slechts op basis van een selectie van relevante gegevens, kan geen grond vormen voor het stellen van diagnoses op de wijze zoals de psychotherapeut dat in haar rapportage heeft gedaan. Haar conclusies ter zake voldoen mede daarom ook niet aan de vereisten van inzichtelijkheid en consistentie (norm 3). De nadere toelichting van de psychotherapeut ter zitting, namelijk dat zij haar conclusies heeft gebaseerd op “het hele verhaal” is bepaald niet toereikend.   

4.5. De psychotherapeut heeft verklaard dat zij grote zorgen had over de gevolgen van de echtscheidingsprocedure en de daarmee gepaard gaande situatie voor de dochter van klaagster en haar ex-partner. De door haar gekozen bewoordingen van haar rapportage hadden tot doel de risico’s voor en de belangen van de dochter te accentueren, in de hoop dat daarvoor bij anderen, onder wie de hulpverleners van de dochter, meer aandacht zou ontstaan. Dat de psychotherapeut zich met name het belang van de dochter heeft aangetrokken, vindt het Centraal Tuchtcollege te prijzen, maar dat kan geen rechtvaardiging bieden voor de opzet en de bewoordingen van de door haar opgestelde rapportage. Niet alleen voldoet de rapportage niet aan de hiervoor genoemde vereisten, door te concluderen zoals zij heeft gedaan, heeft de psychotherapeut ook onvoldoende oog gehad voor de te verwachten negatieve impact van haar rapportage op klaagster en haar dochter, en op de dynamiek tussen beide ouders.

4.6. Gelet op het vorenstaande moeten de grieven van de psychotherapeut tegen de beslissing in eerste aanleg worden verworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de argumenten die het college in eerste aanleg noemt om de psychotherapeut een berisping te geven en ziet derhalve geen aanleiding op het punt van de opgelegde maatregel anders te beslissen.

4.7 Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing worden bepaald.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie,  De Psycholoog en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter; prof. mr. J. Legemaate en mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en prof. dr. M.J.M. van Son en

mr. drs. R. Zuijderhoudt, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 12 april 2016.

                        Voorzitter   w.g.                                Secretaris  w.g.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens