Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2015:66
Datum uitspraak:
20-07-2015
Datum publicatie:
20-07-2015
Zaaknummer(s):
1537b
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Psychotherapeut
Beslissingen:
Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie:
 Verweerder (zowel psychiater als psychotherapeut) wordt verweten dat hij een persoonlijke (seksuele) relatie met een patiënte is aangegaan. College stelt vast dat gedurende een lange periode sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag jegens kwetsbare patiënte die daardoor is beschadigd. Verweerder toont onvoldoende inzicht in zijn handelen en miskent de ernst van het hem gemaakte verwijt. Schorsing voor de duur van een jaar in beide hoedanigheden.

 

Uitspraak: 20 juli 2015

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 4 maart 2015 binnengekomen klacht van:

 

Stichting [A]

gevestigd te [B]

klaagster

gemachtigde mr. E. Oosterveer te ’s-Gravenhage

gemachtigde ter zitting mr. H.J. Hangelbroek te ’s-Gravenhage

 

tegen:

 

[C]

psychotherapeut

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. C. van der Kolk-Heinsbroek te Eindhoven

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         het zorgdossier

-         een brief met bijlage van de gemachtigde van klaagster ontvangen op 2 juni 2015

-         een groot aantal WhatsApp-berichten ontvangen van de gemachtigde van klaagster op

4 juni 2015

-         de pleitnotities overgelegd door de gemachtigden.

 

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen. 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 10 juni 2015 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. De door klaagster aangezegde getuige is, na daartoe strekkend verzoek van klaagster, onder ede gehoord in een besloten zitting. Voor het overige is de zitting in het openbaar gehouden. De zaak is behandeld gelijktijdig met de zaak tegen verweerder onder nummer 1537a, waarin verweerder is aangeklaagd in zijn hoedanigheid van psychiater.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klaagster is een instelling die ambulante geestelijke gezondheidszorg aanbiedt. Verweerder was bij klaagster aangesloten door middel van een raamovereenkomst van opdracht. In het kader van deze overeenkomst kreeg verweerder opdracht zorg te leveren voor [E], hierna: de patiënte.

Patiënte was in eerste instantie via een ander contract in zorg geweest bij verweerder. De zorg is gestart in januari 2011 waarna bij klaagster een DBC is geopend op 24 mei 2012 en afgesloten op 23 mei 2013. In het zorgtraject bij klaagster was verweerder hoofdbehandelaar.

Op 14 oktober 2014 diende patiënte een klacht in bij klaagster over verweerder omdat verweerder met haar een seksuele relatie had gehad tijdens en na de behandeling. Zij gaf aan dat vanaf begin februari 2012 de contacten met verweerder persoonlijk en vervolgens intiem/seksueel waren geworden. De contacten vonden volgens patiënte plaats tijdens de behandelsessies en later bij verweerder thuis, in zijn vakantiewoning en in de woning van verweerder. In de periode van 6 september 2012 tot en met 21 augustus 2014 zijn tussen partijen naar schatting een paar duizend WhatsApp-berichten gewisseld.

Naar aanleiding van de klacht is klaagster een intern onderzoek gestart. Op 13 november 2014 is verweerder bij klaagster op gesprek geweest om zijn visie op het gebeurde te geven. Van dit gesprek is een verslag gemaakt. Op 28 november 2014 heeft klaagster een melding gedaan bij de IGZ.

De ter zitting gehoorde getuige heeft, onder ede, zakelijk weergegeven het volgende verklaard.

De behandeling begon in februari 2011. In februari 2012 kreeg het een wending. Er kwamen knuffels tijdens sessies en we kregen contact buiten de behandeling om. Het contact bestond uit sms’en, skypen, bellen en later, toen verweerder over WhatsApp beschikte, WhatsAppen. We zagen elkaar ook buiten de behandelpraktijk. Voor mij was er geen onderbreking in de behandeling door verweerder., die van februari 2011 tot februari 2014 onafgebroken heeft geduurd. Er is geen time-out geweest of een cooling-down periode. Ik blijf geheel bij de in deze procedure overgelegde schriftelijke verklaring die ik naar aanleiding van het verweer heb opgesteld.” Aldus de getuige.

In de genoemde schriftelijke verklaring geeft zij het navolgende beeld van het verloop van de relatie.

De eerste knuffel werd ongevraagd gegeven. Daarna werd de behandeling steeds afgesloten met een knuffel. De eerste keer was dat in de behandelkamer, maar later stelde verweerder voor de knuffels in de wachtruimte te geven, omdat de behandelkamer uitkeek op de woonruimte van verweerder, waardoor zijn vrouw het mogelijk zou kunnen zien. Na een paar weken betastten verweerder en patiënte elkaar. Bij de eerste knuffel had verweerder al een erectie, zoals hij patiënte later heeft verteld. Het eerste sms’je kwam na de eerste knuffel. De eerste keer dat verweerder haar borsten aanraakte, heeft zij afgeweerd, evenals de drie of vier keer daarna. Er was geen sprake van verkenning van haar grenzen maar van seksualiteit.

Wat in het verweerschrift staat over de tijdsmarkering en de seksuele handelingen klopt niet. De seksuele handelingen waren al lang gaande. Zij waren gestart op initiatief van verweerder en zijn kort daaraan wederkerig geweest.

Er is nooit een afspraak gemaakt om elkaar niet te zien. Verweerder is ongeveer vier à vijf keer bij haar thuis geweest (een keer tot 05.00 uur) en al deze keren is sprake geweest van seksueel contact. Diverse keren is zij op zondagmorgen naar de woning van verweerder gegaan, omdat hij dan alleen thuis was. Zijn vrouw was dan naar de kerk, met de kinderen. Er is nooit geslachtsgemeenschap geweest, wel manuele en orale seks. De seksuele momenten waren onderdeel van een door haar als wederkerig liefdevol ervaren relatie. Veel feiten worden in het verweer verdraaid. Dit getuigt volgens haar van onvoldoende mate van reflectie en zelfkennis. Zij betreurt het dat verweerder de contacten nu weergeeft als zonder seksuele betekenis.

 

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij een persoonlijke (seksuele) relatie is aangegaan met een patiënte, aan wie hij in opdracht van klaagster zorg verleende.

4. Het standpunt van verweerder

De gang van zaken, zoals patiënte schetst, is een niet geheel juiste weergave van de werkelijkheid. Patiënte kwam via een verwijzing door de huisarts bij verweerder in zorg in januari 2011. Zij was toen 24 jaar. Zij was bekend met paniekaanvallen en depressieve klachten en was tevens suïcidaal. Na een emotionele sessie in januari 2012 vroeg verweerder haar of zij mogelijk een troostende knuffel van hem wilde. Enigszins tot zijn verbazing gaf zij aan dat zij dat wel wilde en klemde zich stevig en langer dan verwacht aan verweerder vast.

Daarna wilde zij na een sessie steeds geknuffeld worden. Dit was een doorbraak in de therapeutische behandeling. Verweerder heeft daar nooit seksuele intenties of ervaringen bij gehad. Na de knuffels is patiënte gebruik gaan maken van het eerder door verweerder gegeven mobiele telefoonnummer. Op dat moment had verweerder een grens moeten trekken. De relatie werd vriendschappelijk maar niet seksueel. Ter inventarisatie van haar grenzen heeft verweerder op zeker moment gevraagd of zij het zou toelaten als hij haar borsten zou aanraken. Zij reageerde daar heel fel op en gaf daarmee tot geruststelling van verweerder haar grenzen aan. Ze zei dat ze wel eens graag orale seks bij een man zou willen toepassen. Verweerder heeft daarop gezegd dat hem dat geen goed idee leek. Toen patiënte op enig moment zelf tot seksuele handelingen wilde overgaan bij verweerder heeft hij dit afgehouden en heeft haar uiteindelijk doorverwezen naar een andere behandelaar, waar begin mei 2013 de intake plaatsvond. Patiënte ging daarmee akkoord onder de voorwaarde dat ze zo nodig contact kon opnemen met verweerder. In die periode werd de afstand beduidend groter, maar er was wel regelmatig telefonisch en WhatsApp-contact. In augustus 2013 liet patiënte op een avond telefonisch weten dat het slecht met haar ging. Zij wilde niet dat verweerder de crisisdienst inschakelde en hij is toen zelf naar haar toegegaan;zij vroeg toen of hij wilde blijven slapen maar hij heeft dat niet gedaan.

Na de cooling-down periode van mei 2013 tot november 2013 verkeerde verweerder in relationele problemen. Verweerder heeft toen eenmalig seksueel contact gehad met patiënte. Dit bestond uit manueel en oraal contact van patiënte jegens verweerder.

Verweerder ontkent niet dat hij te ver is gegaan. Zijn grootste fout is dat hij zichzelf in het proces heeft betrokken. Hij zal dat nooit meer doen. Er is geen sprake geweest van een seksuele relatie, maar van een eenmalig seksueel contact na de cooling-down periode van zes maanden.

Verweerder is in therapie gegaan met betrekking tot het stellen van grenzen; in al die jaren dat hij als psychotherapeut werkzaam is, is hem iets dergelijks nooit overkomen.

 

5. De overwegingen van het college

Ingevolge artikel 65 lid 1, aanhef en sub b van de wet BIG is klaagster als opdrachtgever van verweerder gerechtigd een klacht tegen verweerder in te dienen.

Het college stelt voorop dat verweerder zich jegens patiënte grensoverschrijdend heeft gedragen. Dat gedrag is begonnen in februari 2012, toen hij haar na afloop van een behandelsessie een knuffel gaf. Deze knuffels werden een vast patroon na de behandelsessies en zijn zodoende vele malen herhaald. Zij dienden, zoals overigens erkend, geen therapeutisch doel. Het college acht het tekenend dat, zoals onweersproken is gesteld, de knuffels op zeker moment plaatsvonden in de wachtruimte in plaats van in de behandelruimte, omdat op de wachtruimte geen zicht bestond vanuit de woning van verweerder. In verband met de grensoverschrijding moeten ook genoemd worden de bezoeken van de patiënte aan/bij de woning van verweerder op de zondagmorgen, als de echtgenote en kinderen van verweerder naar de kerk waren. Verder staat vast dat verweerder tijdens een behandeling heeft gevraagd of zij het erg vond als hij haar borsten zou aanraken, zonder dat dit, naar verweerder ter zitting ook erkende, een therapeutische bedoeling had. Verder is er een aantal sms’en en telefonen geweest, waarover niets in het dossier vastligt en die alleen al daarom geacht moeten worden niet therapeutisch en daarom grensoverschrijdend te zijn. Ronduit onthutsend zijn de ontelbare WhatsaApp-berichten, niet alleen vanwege het aantal, maar ook vanwege het feit dat ze bij nacht en ontij werden gewisseld en ten slotte soms ook vanwege de inhoud. Het college noemt enkele voorbeelden uit de pleitnota van klaagster:

27-01-13, 09:36:52: verweerder: Hi ik ben wellicht groot deel van de dag alleen thuis. Ik voel me ook niet echt lekker. Ik wil alleen maar knuffelen. Kom aub even langs

27-01-13, 09:52:53: verweerder: ?

27-01-13, 10:24:18: verweerder: Wakker worden

27-01-13, 11:33:06: S: Kom er zo aan, weet je al of ze zeker wegblijven?

27-01-13, 11:34:25: verweerder: Al onderweg?

27-01-13, 11:33:40: S: Nee

27-01-13, 11:43:52: S: Ben er over 10 min

27-01-13, 17:36:41: verweerder: Goed thuis geraakt?

27-01-13, 17:36:26: S: Ja :)

27-01-13, 17:37:30: verweerder: Ik ben nog aan het nagenieten ;)

27-01-13, 17:37:52: Voel

27-01-13, 17:36:56: S: Foei!

27-01-13, 17:38:13: verweerder: Jij nog een beetje ok?

27-01-13, 17:37:35: S: Redelijk

27-01-13, 17:39:38: verweerder: Ik voel me echt stukken beter als de voorbije dagen

27-01-13, 17:38:54: S:  :)

27-01-13, 17:40:06: verweerder: Hoe zou dat komen?

27-01-13, 17:40:08: S: De pizza?

27-01-13, 17:41:39: verweerder: Hmm

27-01-13, 17:41:55: S: ;) nee?

27-01-13, 17:44:01: verweerder: Eerlijk gezegd denk ik dat we dit echt nodig hebben en dan bedoel ik niet de pizza

27-01-13, 17:44:34: verweerder: :-)

27-01-13, 17:43:44: S: Ja, denk het ook. Maar toch was het waarschijnlijk niet zo slim…

27-01-13, 17:45:41: verweerder: Ach, wat is slim?

27-01-13, 17:46:17: verweerder: Ik denk dat we het allebei heel hard nodig hadden

27-01-13, 17:46:34: verweerder: Regelmatig

27-01-13, 17:45:44: S: Ja…

27-01-13, 17:47:38: verweerder: Ik wil me hier absoluut niet schuldig over voelen

27-01-13, 17:47:10: S: Willen en doen zijn twee verschillende dingen…

27-01-13, 17:52:11: verweerder: Ik geloof dat we moeten doen wat goed is voor onze gezondheid, geluk en welbevinden

27-01-13, 17:55:35: verweerder: Ik ben gek op jou

 

Gelet op de inhoud van (onder andere) deze WhatsApp-berichten kan, mede gelet op de overige hiervoor weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden, de stelling van verweerder dat er pas zes maanden na het einde van de behandeling een seksuele handeling plaatsgevonden heeft, niet worden aanvaard. Er mag geredelijk van worden uitgegaan dat, zoals patiënte aangeeft, er al veel eerder gedurende de behandeling sprake was van een seksueel getinte relatie. Overigens merkt het college op dat het verbod van seksueel gedrag en het verbod een seksuele relatie aan te gaan in de beroepscode voor psychotherapeuten meer omvat dan het verbod om seksuele handelingen te plegen. Er geldt een verbod om een andere relatie aan te gaan dan een behandelingsrelatie (art. II.1.1.1), hetgeen onder meer inhoudt het verbod om de cliënt zodanig verbaal en/of non-verbaal te bejegenen dat, naar redelijke verwachting, de cliënt deze bejegening als seksueel zal ervaren (art. 5.1.2). Verweerder heeft in strijd hiermee gehandeld.

Tot slot merkt het college op dat het verweerder niet, zoals hij veronderstelt, vrijstond om precies zes maanden na het einde van de behandeling over te gaan tot seksuele handelingen. Weliswaar kan na verloop van tijd na afloop van een behandeling een situatie ontstaan waarin van afhankelijkheid van een cliënte geen sprake meer is, maar in dit geval waarin aansluitend aan het einde van de behandeling een intensieve persoonlijke relatie is blijven bestaan, was ook na zes maanden nog sprake van afhankelijkheid. Er was ook op dat moment bepaald geen vrijbrief voor seksueel handelen.

Het college acht de klacht gegrond en is van oordeel dat een zware maatregel dient te worden opgelegd. Daartoe overweegt het college als volgt.

Er zijn, gedurende een lange periode, in de vorm van knuffels, bezoeken op de zondagochtend en de ontelbare WhatsApp-berichten zeer vele grensoverschrijdende gedragingen van verweerder geweest; zij dienden geen enkel therapeutisch belang maar hebben integendeel de kwetsbare patiënte  beschadigd. Verweerder had beter moeten weten en wist ook beter. Desondanks is het lange tijd doorgegaan, met alle gevolgen van dien, niet alleen voor de patiënte  maar ook voor hemzelf. Verweerder toont geen, althans onvoldoende, inzicht in zijn handelen. Hij probeert zijn eigen rol ten koste van patiënte te bagatelliseren, waarmee hij de patiënte opnieuw onrecht doet en wijst ter verdediging ook op “de omstandigheden”. Hij heeft, zoals hij ter zitting zei, een “dreun” gekregen, niet door het einde van de relatie met de patiënte  maar door het indienen van de onderhavige tuchtklacht. Hij heeft naar het oordeel van het college niet zozeer oog voor de schade van de patiënte als wel voor zijn eigen schade. Hij verwijt zichzelf slechts dat hij bij het proces betrokken is geraakt en miskent daarmee de ernst van het hem gemaakte verwijt.

Hij zegt dat hij in therapie is gegaan en dat dit grensoverschrijdend gedrag hem niet meer zal overkomen, maar het college is van dit laatste niet overtuigd. Het is naar het oordeel van het college voorlopig niet voldoende veilig om toe te staan dat verweerder cliëntrelaties aangaat. Verweerder zal meer doordrongen moeten raken van de oorzaken en de gevolgen van zijn gedrag, bij voorkeur met professionele hulp.  Het college zal verweerder daarom een schorsing opleggen voor de duur van een jaar, teneinde verweerder in staat te stellen om tot een veilige grensafbakening te komen.

 

6. De beslissing

Het college:

-         legt aan verweerder op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van een jaar.

 

Aldus beslist door mr.H.P.H. van Griensvenals voorzitter,L.M. Gualthérie van Weezel

en jhr.A.M. van Nispen tot Pannerdenals leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

mr.C.W.M. Hillenaarals secretaris en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens