Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2014:72
Datum uitspraak:
03-07-2014
Datum publicatie:
03-07-2014
Zaaknummer(s):
13243
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Orthopedisch chirurg wordt onder meer schending van dossierplicht en onterechte doorverwijzing naar acupuncturist verweten alsmede het niet nakomen van afspraken. Dossier is onvoldoende leesbaar. Geen sprake van deugdelijke dossiervoering. Deels gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak: 3 juli 2014

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 15 november 2013 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde mr. A.B. Noordhof te Eindhoven

 

tegen:

 

[C]

orthopedisch chirurg

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. M. Christe te Utrecht

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift en de aanvulling daarop

-         het verweerschrift

-         de repliek

-         de dupliek

-         het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek

-         de brief d.d. 12 mei 2104 met bijlagen van gemachtigde van klager

-         de brief d.d. 21 mei 2014 met bijlagen, waaronder een CD-Rom, van de gemachtigde van klager

-         de pleitnotitie overgelegd door de gemachtigde van klager en de notitie van klager

-         de pleitnotitie overlegd door de gemachtigde van verweerder.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 28 mei 2014 behandeld. Partijen waren aanwezig bijgestaan door hun gemachtigden.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Op 4 september 2008 is klager door verweerder gezien op de polikliniek wegens -al vele  jaren bestaande-  linkerschouderklachten. Verweerder schreef naar aanleiding daarvan in een brief aan de huisarts:

We hebben hier te maken met een instabiliteit van de linkerschouder met SLAP-laesie, waarschijnlijk door de high contact sport. Ik heb met patiënt besproken dat, gezien de langdurigheid van zijn klachten, niet te voorspellen valt of hij geheel van zijn klachten af zal komen, maar dat een stabiliserende procedure zeker tot de mogelijkheden behoort en dat deze wellicht een hoge kans van slagen heeft. Met patiënt is afgesproken om hem op korte termijn te opereren en het effect daarvan af te wachten.

Op 9 september 2008 heeft verweerder klager geopereerd. Daarbij werden twee ankers geplaatst en het labrum werd gefixeerd.

Na deze operatie zijn er contacten geweest tussen verweerder en klager over de bestrijding van pijn bij klager. In het kader daarvan heeft verweerder klager, na de eerste pijnbehandeling, in oktober 2008 naar een medewerker van zijn anesthesieteam verwezen voor acupunctuur. Klager heeft zich na de operatie, ter bestrijding van de pijn, ook tot een aantal anderen gewend voor advies en behandeling. In verband met aanhoudende pijnklachten werd, na consulten van 13 en 16 juli 2009, een kijkoperatie verricht op 4 augustus 2009. Daarbij bleek dat een van de ankers had losgelaten. Verweerder heeft het anker opnieuw geplaatst en vastgezet. Daarna vonden (telefonische) consulten plaats bij verweerder op

7 oktober (door klager heimelijk opgenomen)  en 11 november 2009, en op 6 januari,

27 januari, 24 februari, 8 maart, 10 maart en 31 mei 2010. Daarop is een nieuwe kijkoperatie verricht op 1 juli 2010. Daarbij bleek dat de constructie van de tweede ingreep niet had gehouden. Verweerder heeft de oude hechtingen verwijderd en titanium ankers geplaatst.

De pijnklachten bleven. Op 6 oktober 2010 heeft verweerder met klager een second opinion afgesproken; daarna is hij niet meer bij de behandeling betrokken geweest.

De klachtencommissie van de instelling van verweerder heeft een deel van de daar door klager ingediende klachten gegrond verklaard.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klacht 1:

Verweerder heeft niet voldaan aan zijn dossierplicht doordat hij:

-     niet een goed leesbaar handschrift heeft;

-     onvoldoende notitie heeft gemaakt van pijnklachten na de eerste operatie in 2008;

-     geen notitie heeft gemaakt van de verwijzing voor acupunctuur;

-     geen notitie heeft gemaakt van het resultaat van de acupunctuurbehandeling;

-     geen notitie heeft gemaakt van zijn angst voor naalden;

-     belafspraken niet goed heeft genoteerd;

-     geen notitie heeft gemaakt van het langdurige verlof van [E];

-     geen goede notitie heeft gemaakt van verschillende pijnbehandelingen en verwijzingen voor pijnbehandeling;

-     de uitslagen van de MRI na de derde operatie niet in het dossier heeft genoteerd;

-     geen notitie heeft gemaakt van contactmomenten, die er zouden zijn geweest in de periode tussen de operatie van 9 september 2008 en het consult op 5 maart 2009;

-     het loslaten van de ankers niet heeft genoteerd in het (tweede) operatieverslag; wel echter in het medisch dossier.

Klacht 2:

Verweerder heeft klager ten onrechte doorverwezen naar een acupuncturist, werkzaam in [F].

 

Klacht 3:

Verweerder liet acupunctuurbehandelingen bij klager uitvoeren door een medewerker anesthesie van [F], terwijl daarvoor geen aparte ruimte beschikbaar was.

 

Klacht 4:

Verweerder is afspraken met klager niet nagekomen doordat hij na terugkomst van zijn vakantie geen contact met klager heeft opgenomen, ondanks de toezegging daartoe van de assistente, en ook overigens belafspraken met klager niet is nagekomen.

 

Klacht 5:

Verweerder heeft ten onrechte geïnsinueerd dat klager moedwillig stukken uit het dossier zou hebben weggenomen.

Klacht 6:

Verweerder heeft klager voorafgaand aan de eerste operatie op 9 september 2008 niet geïnformeerd over het risico van loslating van de ankers.

 

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft in het dossier alle relevante gegevens opgenomen. Het enkele feit dat sommige notities niet goed leesbaar zijn, rechtvaardigt niet het oordeel dat sprake is van schending van de dossierplicht. Als de wetgever beoogt de hulpverlener een verplichting op te leggen dat de notities in een dossier ook altijd voor een patiënt leesbaar dienen te zijn, moet de tekst van de wet worden aangepast. Het dossier is in de eerste plaats bedoeld voor de hulpverlener zelf en andere behandelaars. Van collega’s heeft verweerder geen klachten gehad.

Kort na de eerste operatie heeft klager zich gewend tot een neuroloog, een andere orthopedisch chirurg en een anesthesioloog in verband met pijnklachten in de linkerschouder.

Het eerste consult na de operatie bij verweerder vond pas op 5 maart 2009 plaats. Klager zei voornemens te zijn om zich in verband met zijn pijnklachten tot de [G] te wenden. Verweerder verwijst naar de aantekeningen in het dossier op 16 juli 2009, 7 oktober 2009,11 november 2009, 6 januari 2010 en zijn brief aan de huisarts van 23 maart 2010.

De verwijzing naar de acupuncturist -het betrof een medewerker anesthesie- was additief en diende niet ter vervanging van een regulier pijnbehandeling. Het was geen officiële verwijzing. Onder deze omstandigheden was het niet nodig een notitie te maken. Sinds enige tijd maakt verweerder deze aantekening wel.

Verweerder is niet bekend met angst van klager voor naalden.

Verweerder heeft nimmer een notitie van de assistente ontvangen, met de toezegging om klager terug te bellen.

Belafspraken zijn nagekomen.

Voor zover verweerder op de hoogte was van een pijnbehandeling heeft hij deze genoteerd.

Verweerder behoefde klager niet te informeren over het risico van loslaten van een anker, omdat dit risico ten tijde van de eerste operatie verwaarloosbaar was.

De stelling dat verweerder heeft geïnsinueerd dat klager moedwillig stukken uit het dossier heeft weggenomen, is onjuist.

 

 

 

5. De overwegingen van het college

Ad klacht 1

Het college heeft proefondervindelijk vastgesteld dat het dossier voor beroepsgenoten, laat staan voor niet medisch geschoolden, onvoldoende leesbaar is. Het betreft hier niet sommige notities, zoals verweerder stelt, maar een aanmerkelijk deel van de aantekeningen. Dat is niet in overeenstemming met de tekst en de geest van artikel 7:454 BW. Het onderhavige dossier is zonder een transscriptie niet te doorgronden voor anderen. Via getypte brieven aan andere hulpverleners wordt weliswaar soms duidelijkheid gegeven, maar niet in voldoende mate om te kunnen spreken van een deugdelijk dossier. Het college overweegt nog dat ook voor een patiënt het dossier leesbaar moet zijn. Dat betekent niet dat het dossier altijd in voor de patiënt begrijpelijke bewoordingen moet zijn gesteld maar wel dat ook de patiënt, als eerste en belangrijkste betrokkene, in staat moet zijn te lezen wat er staat.

Het college is voorts van oordeel dat in het dossier onvoldoende aantekening is gemaakt over contacten en over de (behandeling van de) pijn bij klager na de eerste operatie. Voldoende is komen vast te staan dat er in oktober 2008 contact is geweest over behandeling door een acupuncturist. Dit is ten onrechte niet in het dossier genoteerd. Ook is geen notitie te vinden over de verwijzing naar de acupuncturist en resultaten van deze behandeling. Aannemelijk is ook dat, zoals wel in het dossier vermeld, op een termijn van zes weken een controleafspraak zou plaatsvinden, waarover verder niets in het dossier is vermeld.

In zoverre is klacht 1 gegrond. Voor het overige zijn de onder klacht 1 genoemde klachten wegens betwisting door verweerder niet komen vast te staan, dan wel worden zij als feitelijk onjuist geoordeeld.

 

Ad klacht 2 en 3

Het college heeft onvoldoende gronden om te oordelen dat de verwijzing naar een acupuncturist in dit geval tuchtrechtelijk valt te verwijten. Ook de gestelde inrichting van de ruimte waar de behandeling heeft plaatsgevonden levert geen grond op voor een klacht tegen verweerder. Deze klachten zijn daarom ongegrond.

 

Ad klacht 4

Niet is komen vast te staan dat verweerder door zijn assistente op de hoogte was gesteld van de belafspraak. Daarmee is niet komen vast te staan dat hem ter zake een tuchtrechtelijk verwijt treft. Dat verweerder meerdere belafspraken niet zou zijn nagekomen, is, mede vanwege het gebrek aan concrete onderbouwing van de klacht, niet komen vast te staan.

Ad klacht 5

Verweerder heeft, blijkens een door klager van de klachtencommissie ontvangen stuk             -productie 15 bij het klaagschrift- geschreven:

Antidateren van dossier? Ik heb nadat hij verder bij […] onder behandeling kwam en na zomer 2010 het dossier niet meer in handen gehad. Deze uitspraak moet [klager] staven met bewijzen. Wel mis ik onderdelen dossier, heeft [klager] die er willens en wetens uit verwijderd, ik weet het niet.

Het college vindt deze uitspraak bepaald niet chic; zij had achterwege gelaten moeten worden, maar nu het in de vorm van een vraag wordt opgeworpen en gegeven het feit dat aan verweerder een zeer ernstig verwijt werd gemaakt, acht het college de uitlating van onvoldoende gewicht voor een tuchtrechtelijke veroordeling.

 

Ad klacht 6

Het risico van loslaten van ankers was zodanig gering dat verweerder daar niet voor behoefde te waarschuwen, voordat de eerste operatie plaatsvond.

 

Conclusie en maatregel

De klacht is deels gegrond, als hiervoor omschreven. Het college acht een waarschuwing een passende  maatregel.

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart de klacht deels gegrond als in de rechtsoverwegingen omschreven;

-         legt verweerder ter zake op de maatregel van waarschuwing;

-         wijst de klacht voor het overige af.

 

Aldus beslist door mr. H.P.H. van Griensven als voorzitter, mr. P.J.M. van Wersch als lid-jurist, dr. P.H. Wiersma, A. de Jong en dr. O.J. Repelaer van Driel als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

3 juli 2014 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens