Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2018:52
Datum uitspraak:
26-03-2018
Datum publicatie:
28-03-2018
Zaaknummer(s):
170279
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtDe advocaat privé
Beslissingen:
Onvoorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:
De gedragingen die de advocaat worden verweten - brandstichting en vernieling van een woning - hebben zich in de prive sfeer voorgedaan. Met de raad is het hof van oordeel dat de verweten gedraging in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moeten worden geacht. De verweten gedragingen raken de integriteit van een advocaat. De verweten gedragingen zijn daarmee vatbaar voor een tuchtrechtelijke toetsing. De raad acht bewezen dat door toedoen van verweerder brand heeft gewoed in de vakantiewoning van klaagster en dat hij ook overigens vernielingen heeft aangebracht in die woning. In zijn beroepschrift heeft verweerder slechts aangegeven dat de raad van onjuiste feiten is uitgegaan, dat de weergave van zijn verklaring door zijn voormalig werkgever onjuist is en dat de politie hem niet heeft staande- noch aangehouden. Verweerder verzuimt echter zijn stellingen nader te onderbouwen danwel te concretiseren. Hij geeft geen verklaring hoe de brand zou kunnen zijn ontstaan en de vernielingen zijn verricht. Klacht gegrond. Onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken. Bekrachtiging.

Rotterdam

Beslissing

van 26 maart 2018

in de zaak 170279

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster sub 1

klager sub 2

       

hierna gezamenlijk: klagers

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 4 september 2017, gewezen onder nummer 16-353/DH/RO, aan partijen toegezonden op 4 september 2017, waarbij klagers niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun klacht, voor zover deze ziet op hetgeen voorafging aan de aankomst van verweerder bij de woning van klagers, en waarbij de klacht van klagers jegens verweerder voor het overige gegrond is verklaard. Verweerder is de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 26 weken opgelegd, met de veroordeling van verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,00 en van de proceskosten van € 25,00 aan klagers en van de kosten van de behandeling van de zaak van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2017:150.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 4 oktober 2017 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg, en

-    de antwoordmemorie van klaagster sub 1 van 19 november 2017, ontvangen ter griffie van het hof op 21 november 2017.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 8 december 2017, waar klagers (met bericht van afwezigheid) noch verweerder zijn verschenen. De behandeling van de zaak stond gepland om 12.15 uur. Verweerder heeft telefonisch meegedeeld dat hij pas om 13.45 uur aanwezig zou kunnen zijn wegens het nemen van de verkeerde trein. Vervolgens heeft verweerder telefonisch laten weten dat hij ook dat tijdstip niet zou halen. Verweerder zou om 14.30 uur aanwezig kunnen zijn. Het hof heeft aangegeven met de behandeling van de zaak tot dat tijdstip te wachten. Tijdens dit tweede telefoongesprek heeft verweerder tevens om aanhouding van de behandeling gevraagd. De griffier van het hof heeft verweerder te kennen gegeven dat hij dit verzoek ter zitting zou kunnen doen. Echter, ook om 14.30 uur was verweerder nog altijd niet aanwezig, waarna de behandeling is aangevangen. Het telefonische verzoek om aanhouding van de behandeling is afgewezen bij gebreke aan onderbouwing van het belang bij aanhouding. Aan verzoeker is enkele dagen na de zitting meegedeeld dat op 2 februari 2018 uitspraak in de zaak zou volgen. Per e-mailbericht van 11 december 2017 heeft verweerder zijn verzoek om aanhouding herhaald. Reden voor aanhouding is gelegen in het feit dat er op 22 december 2017 door de carabinieri bevestigd zou kunnen worden dat er in Italië geen zaak tegen verweerder loopt. Het hof heeft geen aanleiding gezien dit verzoek alsnog te honoreren omdat het voor de beoordeling van de door klagers ingediende klacht niet van belang is of in Italië al dan niet een strafzaak tegen verweerder aanhangig is .

2.4    Klager heeft vervolgens op 12 december 2017 het hof gewraakt. Bij beslissing van 9 maart 2018 is deze wraking afgewezen.

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder dat hij brand heeft gesticht in de woning in Italië. Daarnaast heeft verweerder (andere) vernielingen aangebracht in die woning.

4    FEITEN

Het volgende is komen vast te staan:

4.1    In juni 2015 is verweerder te gast geweest in de woning van klaagster sub 1 in Toscane, Italië (hierna: de woning). Klager sub 2, destijds de partner van klaagster, was ook aanwezig. Klagers en verweerder hebben op de avond van 24 juni 2015 in een restaurant gegeten en zijn daarna naar de woning gegaan.

4.2    In de nacht van 24 op 25 juni 2015 heeft brand gewoed in de keuken van de woning. De politie is ’s nachts in of bij de woning geweest en heeft verweerder naar een hotel gebracht.

4.3    Op 25 juni 2015 heeft klaagster aangifte gedaan van brandstichting bij de politie in Italië.

4.4    Klaagster heeft ten overstaan van de Italiaanse politie een verklaring afgelegd op 25 juni 2015. Het in het Nederlands vertaalde proces-verbaal heeft, voor zover in deze zaak relevant, de volgende inhoud:

“(…) In de avond van 24 06 2015 ben ik met een landgenoot, [verweerder], een pizza gaan eten, samen met mijn vriend [klager sub 2] en onze vriendin uit [plaats] (…). Om ongeveer 11.30(23.30) ben ik weer naar huis gegaan. Samen met [verweerder] en [klager sub 2]. (…)

Eenmaal  thuis zijn we naar bed gegaan, mijn verloofde en ik in de slaapkamer op de eerste verdieping van de woning, [verweerder] in de logeerkamer op de begane grond dichtbij de keuken.

Tijdens de nacht maakte mijn verloofde mij wakker zeggende dat hij iets vreemds rook dat van beneden kwam. Er kwam zwarte en dikke rook uit de keuken. Meteen ging hij de brand blussen met water en zei tegen mij naar buiten te gaan omdat de lucht binnen niet in te ademen was.

Ik heb meteen de politie gebeld na het blussen en om tussenkomst gevraagd omdat ik [verweerder] als dader verdacht in een moment van verbijstering aangezien hij veel gedronken had gedurende de avond. Tijdens het wachten op de politie constateerden we dat de brand ontstaan was in de haard waar zeven stoelen in verdwenen waren.

In de brand zijn o.a. ook mijn portemonnee met mijn rijbewijs, bankkaarten, ziekteverzekeringsbewijs en identiteitskaart verloren gegaan. (…)”

    4.5    In haar e-mail van 7 juli 2015 aan de voormalig werkgever van verweerder heeft klaagster het volgende geschreven: 

“(…) Ik maak u er bij deze op attent dat [verweerder], bij u werkzaam, een Ipad van kantoor in mijn huis in Italië heeft achtergelaten na door de politie van zijn bed te zijn gelicht wegens brandstichting in bovenstaand, mijn huis, waar hij te gast was.

Ik heb aangifte gedaan tegen hem bij de politie van [plaatsnaam] wegens moedwillige schade aan mijn huis van meer dan tienduizend euro.

(…)”

    4.6    Op 8 juli 2015 is verweerder door zijn werkgever op non-actief gesteld. Hij is vervolgens op 16 juli 2015 op staande voet ontslagen.

4.7    In zijn brief van 11 augustus 2016 aan de deken heeft de werkgever van verweerder verklaard over de problemen die hij met verweerder heeft ondervonden als gevolg van zijn grensoverschrijdend gedrag binnen en buiten kantoor en zowel privé als in zakelijke context, telkens als gevolg van het (problematische) middelengebruik (alcohol en cocaïne) van verweerder. Het gedrag van verweerder heeft uiteindelijk geleid tot zijn ontslag, waarbij het incident in de woning van klaagster de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen. De werkgever bevestigt in zijn brief ook dat hij de hiervoor in 4.5 weergegeven e-mail van 7 juli 2015 van klaagster heeft ontvangen. 

4.8     Uit de brief van 11 augustus 2016 van de werkgever van verweerder aan de deken blijkt dat de werkgever contact heeft opgenomen met klagers naar aanleiding van de e-mail van 7 juli 2015 van klaagster. De werkgever heeft hierover het volgende geschreven: 

        “(…)

        mededelingen [klagers]

Mede gezien bovenstaande incidenten, nam ik meteen na de ontvangst van bovengenoemde mail (dd 7 juli 2015) contact op met [klaagster].

        

Zij en haar partner [klager] vertelden mij in een notendop het volgende:

-    enkele dagen na aankomst van [verweerder] in Italië, zijn [klaagster], [klager], een vriendin van [klaagster] en [verweerder] bij een pizzeria gaan eten;

-    [verweerder] heeft toen de nodige alcohol genuttigd;

-    later die avond, toen [klagers] inmiddels op bed lagen, is [verweerder] volgens [klager] ([klaagster] sliep deels) tot drie keer toe hun slaapkamer binnengekomen

o    de ene keer vroeg hij om sigaretten

o    de andere keer om drank

o    en de derde keer vroeg hij om naar de bar te worden gebracht, desnoods zou hij wel te voet terugkomen.

-    hij was in de woorden van [klager] toen “niet voor rede vatbaar” en “buiten zinnen”

-    [klager] verzocht hem dan ook steeds dringend om de slaapkamer te verlaten, onder andere met de woorden “wegwezen je hebt hier niets te zoeken”;

-    om een uur of 2 ’s nachts hoorde [klager] een vreemd geluid en rook hij een vreemde geur;

-    toen hij beneden kwam, zag hij vlammen van een meter hoog, die hij meteen is gaan blussen;

-    de brand had plaatsgevonden zowel in de open haard als buiten de open haard (in de keuken);

-    na de brand bleken alle flessen in de woning waar alcohol in had gezeten leeg, hetgeen niet het geval was toen [klagers] naar bed gingen;

-    nadat de brand geblust was, bleek dat onder andere de navolgende voorwerpen in het vuur waren gegooid

o    7 stoelen;

o    de inhoud van een de tas van [klaagster], waaronder autosleutels, een identiteitskaart en verschillende bankpassen van [klaagster];

o    geld uit de portemonnee van [klaagster];

o    een hamer;

o    kleding, oa. een dure bikini, een jas en slippers;

o    een lamp;

o    een theepot;

o    een glazen pot met spaghetti;

o    een zonnebril;

o    houtstukken;

-    tevens bleek dat een hoek van de natuurstenen open haard eraf geslagen was, kennelijk met de hamer die vervolgens in het vuur was gegooid;

-    ook waren er verschillende lichtknoppen kapot geslagen, kennelijk eveneens met de hamer;

-    [klagers] hebben meteen na het blussen van het vuur de politie gebeld, waarna [verweerder] werd afgevoerd; (…)”

4.9    De werkgever schrijft in de brief van 11 augustus 2016 dat op 15 juli 2015 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen hem, verweerder en de advocaat van verweerder. Tijdens dat gesprek heeft de advocaat van verweerder volgens de werkgever verklaard dat het slechts zou gaan om het in brand steken van en (koop)overeenkomst.

4.10    Klagers hebben bij hun klachtbrief van 15 juli 2015 zeventien foto’s overgelegd. Op de vijfde foto is een bruine houten stoel te zien waarvan de poot linksachter zwartgeblakerd is. Op de tiende foto is een verbrand (deel) van een tas of kledingstuk met een rits te zien. Op de elfde foto is een autosleutel te zien waarvan de bovenkant gesmolten en vervormd is. Op de twaalfde foto is een verbrande portemonnee met een (gedeeltelijk) verbrand bankbiljet te zien.

4.11     Op de tweede foto zijn stukken marmer te zien. Op de veertiende, de vijftiende en de zestiende foto zijn beschadigde lichtschakelaars te zien.

5.    BEOORDELING

5.1    Verweerder is op 4 oktober 2017 op nader aan te voeren gronden in hoger beroep gekomen van de beslissing van de raad onder de mededeling dat hij de gronden van het beroep zo spoedig als mogelijk nader zou indienen. Bij brief van 11 oktober 2017 is verweerder door de griffier van het hof meegedeeld dat op grond van artikel 56 lid 1 Advocatenwet het beroepschrift met gronden binnen de beroepstermijn diende te worden ingediend en dat geen uitstel van die termijn kon worden gegeven en dat op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet en volgens vaste rechtspraak van het hof geen beroep op nader aan te voeren gronden kan worden ingediend. Voorts is meegedeeld dat de beoordeling in appel wordt bepaald door de omvang van het beroep dat is aangegeven in het beroepschrift en dat diepgaandere argumenten wel tijdens de behandeling naar voren kunnen worden gebracht, maar dat deze wel dienen te zijn gebaseerd op de gronden in het beroepschrift.

5.2    In het beroepschrift stelt verweerder dat de raad in de bestreden beslissing is uitgegaan van onjuiste feiten omdat deze afkomstig zijn van klagers. Verweerder noemt de verklaringen die klagers hebben afgelegd inconsequent en incoherent. Verweerder ontkent dat hij bij zijn voormalig werkgever heeft verklaard dat hij een koopovereenkomst in brand heeft gestoken. Hij heeft nooit een koopovereenkomst gehad. Verweerder ontkent voorts dat hij ooit met zijn werkgever over dit voorval heeft gesproken. Hij merkt op dat hij een lopend conflict heeft met de werkgever en dat er met terughoudendheid naar de getuigenis van de werkgever dient te worden gekeken. Tot slot merkt verweerder op dat de politie die destijds in Italië ter plekke is geweest hem noch staande heeft gehouden noch aangehouden. De politie heeft hem naar een hotel gebracht en later naar het treinstation.

5.3    Verweerder is noch ter zitting van de raad, noch ter zitting van het hof verschenen, zodat het hof de klacht zal beoordelen aan de hand van de in het beroepschrift vervatten gronden en de stukken van de eerste aanleg.  

5.4    Vaststaat dat de gedragingen die verweerder worden verweten (brandstichting en vernieling in een woning in Italië) zich in de privésfeer hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de verweten gedragingen heeft de raad in de beslissing van 4 september 2017 een juist uitgangspunt gehanteerd door te overwegen dat ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, voor hem het advocatentuchtrecht blijft gelden. Indien hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Verder geldt dat privégedragingen van een advocaat alleen dan tuchtrechtelijk van belang zijn indien er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht.

5.5    Met de raad  is het hof van oordeel dat de verweten gedragingen voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moeten worden geacht. De verweten gedragingen raken aan de integriteit van een advocaat en betreffen aldus de kernwaarden die gelden voor een advocaat. De verweten gedragingen zijn daarmee vatbaar voor tuchtrechtelijke toetsing.

5.6    De raad is op basis van het door klagers in de onderhavige procedure aangeleverde materiaal, waaronder een aangifte-verklaring ten overstaan van de Italiaanse politie, de onweersproken verklaring van klagers dat verweerder in de nacht van de brand toen hij na het arriveren van de politie werd gewekt heeft gezegd: “mag ik soms geen vuurtje maken”,  Whatsappberichten, diverse foto’s van de brand en vernielingen en een verklaring van de voormalig werkgever van de verweerder tot de slotsom gekomen dat verweerder onder invloed van alcohol de brand in de woning moedwillig heeft veroorzaakt, althans moedwillig heeft gevoed en dat hij daarnaast vernielingen heeft aangebracht in de woning. De raad heeft daaraan toegevoegd dat het door verweerder tegen het verwijt van brandstichting gevoerde verweer neerkomt op een blote betwisting en dat verweerder in zijn antwoord met geen woord rept over de brand in de woning en ook bij dupliek heeft verweerder tegen het verwijt van brandstichting geen (gemotiveerd) verweer gevoerd. Voorts is door de raad meegewogen dat de voormalig werkgever heeft verklaard dat verweerder eerder grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond als gevolg van (problematisch) middelengebruik en verweerder door de raad bij beslissing van 24 november 2014 voorwaardelijk is geschorst (ECLI:NL:TADRSGR:2014:313) vanwege, zakelijk weergegeven, wangedrag onder invloed van verdovende middelen.

5.7    Zoals hiervoor in 5.2 overwogen heeft verweerder in zijn memorie slechts aangegeven dat de raad in zijn beslissing van onjuiste feiten is uitgegaan, dat de weergave van zijn verklaring door zijn voormalig werkgever, met wie hij een lopend conflict heeft evenmin juist is en dat de politie hem niet heeft staande- noch aangehouden. Verweerder verzuimt echter zijn stellingen nader te onderbouwen dan wel te concretiseren. Hij geeft geen verklaring voor hoe de nacht van 24 op 25 juni 2015 volgens hem zou zijn verlopen, hoe de brand zou kunnen zijn ontstaan en de vernielingen zijn verricht.

5.8    Gelet op het vorenstaande heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad, waarmee het hof zich verenigt.

5.9    Het hoger beroep van verweerder tegen de beslissing van de raad wordt verworpen. De beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd.    

5.10    Nu de klacht gegrond is verklaard en een maatregel is opgelegd zal het hof overeenkomstig artikel 48ac, eerste lid, onder b, Advocatenwet bepalen dat de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak door verweerder aan de Nederlandse Orde van Advocaten worden vergoed. Deze kosten moeten binnen vier weken na heden worden betaald.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 september 2017, gewezen onder nummer 16-353.

veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten te betalen binnen vier weken na deze uitspraak door overmaking op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hoger beroep zaaknummer HvD 170279”.

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, en mrs. M.L. Weerkamp, M. Pannevis, J.A. Schaap en G.R.J. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Oorburg-Hundscheid, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2018.

   

griffier is buiten staat te tekenen    voorzitter    

De beslissing is verzonden op 26 maart 2018.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens