Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2014:16 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch L 177 - 2013

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2014:16
Datum uitspraak: 27-01-2014
Datum publicatie: 28-01-2014
Zaaknummer(s): L 177 - 2013
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klager niet-ontvankelijk in zijn klachten vanwege het tijdsverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht. Klager niet-ontvankelijk in zijn klacht vanwege het ontbreken van een eigen belang. Klacht niet-ontvankelijk

Beslissing van 27 januari 2014

     in de zaak L177-2013

naar aanleiding van de klacht van:

A.

klager

tegen:

1.   B.

2.   C.

verweerders

                                                                                                                                       1       Verloop van de procedure

 1.1   Bij brief aan de raad van 31 mei 2013 met kenmerk DOK 7191 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

 1.2   Ter zitting van 25 november 2013 is klager verschenen. Namens verweerders is verschenen de heer mr. E.. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

 1.3     De raad heeft kennis genomen van:

-De brief van de deken d.d. 31 mei 2013 en de daarbij gevoegde stukken;

-De nagekomen stukken van klager d.d. 6 november 2013.

2        FEITEN

          Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

 2.1     Op 11 november 2003 heeft klager verweerster sub 2 aansprakelijk gesteld middels een aan verweerder sub 1 gerichte brief. De aansprakelijkstelling zag op het optreden van mr. C vanaf 1987 in een procedure waarin deze de advocaat was van de ex-echtgenote van klager. Mr. C was tot 1991 werkzaam bij een vestiging van het kantoor van verweerster sub 2.

 2.2     Verweerder sub 1 heeft de claim op 17 november 2003 aangemeld bij de assurantietussenpersoon en vervolgens doorgeleid naar N. Verzekeringen. Bij brieven d.d. 14 juni 2006 en 21 februari 2007 heeft N. Verzekeringen aan klager laten weten dat de claim werd afgewezen omdat de vordering was verjaard ex artikel 3:310 BW.

 2.3     Klager heeft in 2005 de bemiddeling van de deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam ingeroepen, aan welke interventie in 2007 een einde is gekomen.

 2.4     Bij brief d.d. 4 juni 2007 heeft verweerster sub 2 aan klager bericht dat het kantoor in 1987 niet was verzekerd bij N. Verzekeringen, maar bij X, zodat klager de kwestie desgewenst bij X. kon melden, hetgeen klager heeft gedaan. Ook X. heeft de claim afgewezen.

2.5       In de periode van 1989 tot 1995 was verweerster sub 2 voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij V, thans W. . Bij e-mailbericht d.d. 28 december 2007 heeft W. aan verweerster sub 2 bericht dat moest worden beoordeeld wanneer de schade aan het licht was gekomen. W. heeft de claim onderzocht, in welk kader is gecorrespondeerd met klagers advocaat en gesprekken hebben plaatsgevonden. W. heeft aan klager in het kader van een minnelijke regeling een vergoeding tegen finale kwijting aangeboden, welk aanbod klager blijkens de brief van zijn advocaat aan W. d.d. 26 januari 2012 niet heeft geaccepteerd.

2.6       Op 5 juli 2012 heeft klager tegen verweerders een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam. Bij beslissing d.d. 31 mei 2013 van de voorzitter van het Hof van Discipline is voor indiening van de klacht aangewezen de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg en voor de behandeling van de klacht de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch.

3        KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet doordat:

1.      verweerder sub 1 heeft getalmd met het doorgeleiden van de schadeclaim naar de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar;

2.      verweerder sub 1 de zaak heeft doorgeschoven naar de vestiging Maastricht;

3.      verweerders niet zelf contact met de verzekeraar hebben opgenomen, maar dit hebben overgelaten aan klager zelf;

4.      verweerders zich niet hebben ingespannen om de nodige informatie aan de verzekeraar door te geven;

5.      de vermelding C. niet overeenstemt met de werkelijkheid.

4        VERWEER

 4.1     Klager behoort in zijn klacht niet te worden ontvangen wegens overschrijding van de redelijke termijn. In 2005 heeft klager de bemiddeling van de deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam ingeroepen, aan welke interventie in 2007 een einde is gekomen.

 4.2     Klager heeft de schadeclaim ingediend in 2003. De vermeende oorsprong van de onderliggende zaak dateert van juni 1987, terwijl klager vanaf 8 februari 1991 bekend kon zijn met een mogelijke beroepsfout van mr. C. Verweerster sub 2 is achtereenvolgens verzekerd geweest bij X. , V/W Schadeverzekeringen en N. Verzekeringen. Bij die stand van zaken is het dan ook geboden de opeenvolgende beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars bij het overleg te betrekken. De polisvoorwaarden van de onderscheiden beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars zijn steeds stipt door verweerster sub 2 nageleefd.

 4.3     Verweerder sub 1 heeft de aansprakelijkstelling op grond van de vigerende polisvoorwaarden op 17 november 2003 met bekwame spoed doorgeleid naar N. Verzekeringen, waarna N. Verzekeringen spoedig contact met klager heeft opgenomen. Verweerster sub 2 heeft een afwachtende houding aangenomen omdat klager na 17 november 2003 geruime tijd niet van zich heeft laten horen.

 4.4     N. Verzekeringen heeft klager met een brief van 7 juni 2006 bericht dat zijn claim verjaard was . In genoemde brief heeft N. Verzekeringen toegelicht dat het enige tijd heeft geduurd voordat zij in het bezit waren van alle relevante informatie die nodig was om zowel de polisdekking als de vermeende aansprakelijkheid te kunnen beoordelen.

 4.5     X. heeft eveneens kennis kunnen nemen van de onderhavige aansprakelijkstelling. Klager heeft van de omstandigheid dat verweerster sub 2 de polisgegevens niet direct kon achterhalen dan ook geen nadeel ondervonden.

 4.6     Na afwijzing van de claim door W. is gecorrespondeerd met W. Schadeverzekeringen. W. heeft op 28 december 2007 bericht dat niet aanstonds een standpunt in deze gedateerde kwestie kon worden ingenomen. Onmiddellijke doorzending van de claim naar X. was voorts niet mogelijk omdat klager ondanks herhaald aandringen van de zijde van verweerders er niet in slaagde om hun kort en bondig te berichten op welke datum of op welke periode de claim betrekking had en tevens naliet het beloop van de beweerdelijk geleden schade op te geven.

 4.7     Zowel W. als N. Verzekeringen hebben zich veel moeite getroost om de claim van klager tot in d etail te behandelen. Zijdens W. hebben zich drie advocaten over de zaak gebogen die klager er van hebben trachten te overtuigen dat zijn claim niet op goede gronden berustte.

 4.8     Op de achterzijde van het briefpapier van verweerster is de rechtsvorm van het kantoor van verweerster sub 2 vermeld en voorts is aangegeven dat op aanvraag een lijst van leden van de maatschap kosteloos wordt toegezonden. Op het briefpapier van verweerster wordt verwezen naar de website alwaar te lezen is wie de maten zijn in het kantoor van verweerster. Van een inbreuk op artikel 7 van de Verordening op de Publiciteit is geen sprake.

5        BEOORDELING

Aanvullende stukken

 5.1     De raad dient voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de klachten te oordelen over de toelaatbaarheid van de aanvullende stukken die klager heeft overgelegd. Ter zake van de nagekomen stukken van klager d.d. 6 november 2013 oordeelt de raad dat deze worden geaccepteerd en aan het dossier worden toegevoegd. Ter zake van de pleitnota die klager ter mondelinge behandeling heeft overgelegd oordeelt de raad dat de pleitnota wordt geaccepteerd, nu de inhoud overeenstemt met hetgeen klager reeds naar voren heeft gebracht. De bij de pleitnota gevoegde nieuwe stukken worden evenwel niet geaccepteerd omdat deze in een te laat stadium zijn overgelegd. De bij de pleitnota gevoegde nieuwe stukken worden derhalve bij de beoordeling van de klachten buiten beschouwing gelaten.

Ontvankelijkheid klachtonderdelen 1 tot en met 4

5.2     Het meest verstrekkende verweer van verweerders houdt in dat klager in zijn klachten niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege te late indiening daarvan. De raad overweegt dat in het tuchtrecht voor advocaten geen algemene termijnen bestaan voor verjaring of verval betreffende het indienen van een klacht. Bij de beoordeling van een verweer tot niet-tijdige indiening van een klacht moeten twee belangen tegen elkaar worden afgewogen, enerzijds de rechtszekerheid voor de advocaat dat door hem verrichte werkzaamheden na het verstrijken van een redelijke termijn niet meer ter discussie zullen worden gesteld en anderzijds het maatschappelijk belang dat het optreden van een advocaat door de tuchtrechter getoetst kan worden. Daarbij is van belang op welk tijdstip klager kennis heeft gekregen van het door hem gewraakte handelen van de advocaat en de vraag of de advocaat door het tijdsverloop in zijn verdediging is belemmerd. De raad zal de ontvankelijkheid van de klacht aan de hand van dit uitgangspunt beoordelen.

5.3       Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat de klachtonderdelen 1 tot en met 4 zien op gedragingen van verweerders in de periode 2003 tot en met 2007. Klager heeft de aansprakelijkstelling immers aan verweerders verzonden op 11 november 2003. Bij brief d.d. 14 juni 2006 heeft N. Verzekeringen aan klager bericht dat de claim was verjaard, welk standpunt bij brief d.d. 21 februari 2007 nogmaals door N. Verzekeringen aan klager is bevestigd. Voorts is aan de bemiddeling door de deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam in 2007 een einde gekomen.

5.4       Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat in 2007 voor klager duidelijk moet zijn geweest dat het standpunt van verweerders luidde dat de claim was verjaard. Klager heeft evenwel met het indienen van een klacht tegen verweerders gewacht tot 5 juli 2012. Gezien de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor weergegeven is de raad van oordeel dat voor dit tijdsverloop geen redenen zijn gebleken die zo zwaarwegend zijn dat zij gaan boven eerdergenoemd belang van verweerders bij rechtszekerheid. Naar het oordeel van de raad behoefden verweerders er geen rekening meer mee te houden dat hun optreden in deze zaak nog tuchtrechtelijk ter discussie zou worden gesteld.

5.5       Dit alles in aanmerking nemende acht de raad in dit geval de termijn waarbinnen de klachtonderdelen 1 tot en met 4 zijn ingediend onredelijk lang, hetgeen leidt tot de niet-ontvankelijkheid van klager ter zake van bedoelde klachtonderdelen. 

Ontvankelijkheid klachtonderdeel 5

5.6       Klager heeft betoogd dat de kantoornaam van verweerster sub 2 niet overeenstemt met de huidige zittende leden van de maatschap, terwijl de website hierover verkeerde informatie geeft. Verweerders hebben dit onderdeel van de klacht gemotiveerd weersproken en hebben tevens weersproken dat sprake is van een inbreuk op artikel 7 van de Verordening op de Publiciteit.

5.7       De raad overweegt dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat, niet aan een ieder toekomt, doch slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. Met betrekking tot artikel 7  van de Verordening op de Publiciteit – zijnde een in het algemeen belang gegeven voorschrift - heeft klager niet voldoende gemotiveerd gesteld in welk belang, dat voormelde bepaling beoogt te beschermen, hij rechtstreeks is of kan worden getroffen. Nu geenszins is gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad, zal de raad klager in dit klachtonderdeel eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

5.8       De raad komt tot de slotsom dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in alle onderdelen van zijn klacht.

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 1 tot en met 5.

Aldus gegeven door mr. G.J.E. Poerink, voorzitter, mrs. W.H.N.C. van Beek, Th. Kremers, A.A. Freriks, R.G.A.M. Theunissen, leden, bijgestaan door mr. Th.H.G. van de Langenberg als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2014.

griffier                                                                         voorzitter                                                                                                                             

Deze beslissing is in afschrift op 28 januari 2014     

per aangetekende brief verzonden aan:

-        klager

-         verweerders

-         de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg

-        de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

-        klager    

-         verweerders

-         de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg

-        de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.                                                                                                                                    Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.                                                                                                                                 Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof.

c.                                                                                                                                    Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl