Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2013:24 Accountantskamer Zwolle 12/2221 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2013:24
Datum uitspraak: 19-08-2013
Datum publicatie: 19-08-2013
Zaaknummer(s): 12/2221 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie:   AFM-klacht tegen de accountant die jaarrekening 2010 van Vestia heeft gecontroleerd. Alle door betrokkene tegen deze klacht opgeworpen formele verweren zijn ongegrond: 1) er was geen verplichting voor de AFM om al in de repliek op die formele verweren te reageren; betrokkene moet immers in staat worden geacht om zijn eigen verweren te adstrueren, ook indien deze eerst ter zitting worden tegengesproken, 2) de eerder door Sobi ingediende klacht is geen omstandigheid die aan de behandeling van de AFM-klacht in de weg kan staan; er is geen sprake van een al rechtens onaantastbare eindbeslissing over hetzelfde feitencomplex, gegeven op een klacht van dezelfde klager, 3) artikel 22 lid 1 Wtra kent geen beperking in de hoedanigheid van klager; het is aan de AFM om af te wegen of de indiening van een klacht is aangewezen; die afweging is niet aan een beoordeling van de Accountantskamer onderworpen, 4) artikel 63d Wta geeft een wettelijke basis voor de verstrekking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen waarmee de AFM uit hoofde van haar toezicht bekend is geworden zodat er geen grond is voor de conclusie dat de AFM een verplichting tot geheimhouding heeft geschonden, 5) geen schending van het beginsel van proportionaliteit; ook niet aannemelijk dat de door het kantoor aan betrokkene opgelegde maatregelen door de AFM zijn geïnstigeerd, 6) geen schending van het vertrouwensbeginsel nu niet valt in te zien dat betrokkene zijn medewerking aan het onderzoek door de AFM zijn medewerking had kunnen onthouden, 7) geen grond om aan te nemen dat de AFM niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld; geen verplichting tot horen of tot het laten geven van een zienswijze alvorens de AFM een tuchtklacht zou indienen; niet aannemelijk dat de AFM zich in de media onzorgvuldig over de controle door betrokkene heeft uitgelaten en 8) artikel 5:16 Awb geeft een voldoende wettelijke basis voor de verkrijging van de informatie waarvan de AFM zich in de tuchtklacht bedient zodat er geen reden is om die informatie van het bewijs uit te sluiten. Inhoudelijk alle vier onderdelen van de klacht gegrond: 1) omdat betrokkene en zijn team niet beschikten over specifieke deskundigheid over de waardering van complexe financiële instrumenten, niet aannemelijk is geworden dat hij beschikte over de informatie uit de twee door de voorgaande accountant verkregen rapporten, en zo dat laatste al anders is hij daar niet mee heeft mogen volstaan, en hij zelf (aanvullende) controlewerkzaamheden had dienen te verrichten, had betrokkene vanwege de aard en omvang van de derivatenportefeuille een of meer deskundigen moeten inschakelen om voldoende geschikte controle-informatie te verkrijgen, 2) niet aannemelijk is geworden dat betrokkene voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen over de volledigheid en de juistheid van de door Vestia aangehouden derivaten; daarvoor is redengevend dat de betrouwbaarheid van de daarvoor gebruikte software-applicatie en de daarin opgenomen gegevens niet is onderzocht, dat niet aannemelijk is dat de steekproef adequaat is geweest en dat de binnen de deelwaarneming uitgevoerde werkzaamheden met onvoldoende diepgang zijn verricht, 3) niet aannemelijk is geworden dat betrokkene ter beoordeling van de juistheid van de waardering van de derivaten van Vestia voldoende en geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht; daarvoor is redengevend dat betrokkene een deel van de relevante regelgeving heeft genegeerd, dat niet is gebleken dat is onderzocht of de door Vestia geschreven opties op rente-swaps daadwerkelijk konden worden aangemerkt als hedge-instrument, dat niet is gebleken dat betrokkene de tekortkomingen in de door Vestia uitgevoerde effectiviteitstoets heeft gesignaleerd of heeft onderzocht of de bijzondere voorwaarden in de derivatencontracten gevolgen konden hebben voor de waardering van de betreffende derivaten of aandacht heeft gehad voor de kanttekening over de toepassing van kostprijshedge accounting in het rapport van Deloitte FAS en 4) niet aannemelijk is geworden dat betrokkene op alle onderdelen van de toelichting voldoende en geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht; daarvoor is onder meer redengevend dat meerdere onderdelen van de toelichting niet (zichtbaar) aansluiten met achterliggende documenten, dat niet zichtbaar aandacht is besteed aan het informatieverschil tussen treasuryverslag en toelichting, dat geen aandacht is geschonden aan de verifieerbaarheid en aanvaardbaarheid van de opgaven van de banken en dat niet aannemelijk is dat getoetst is of het salderen van de derivatenportefeuille voldeed aan de daarvoor geldende voorwaarden. De conclusie is dat betrokkene de controle van de jaarrekening 2010 van Vestia met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling heeft gepland en uitgevoerd, als gevolg waarvan hij een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld. Door zijn handelwijze heeft betrokkene op een niet te onderschatten wijze de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden, welke schending in beginsel een (tijdelijke) doorhaling had kunnen rechtvaardigen. Meegewogen zijn de al door zijn kantoor tegen betrokkene genomen maatregelen en de publiciteit over deze zaak en het ontbreken van een eerdere tuchtrechtelijke veroordeling zodat wordt volstaan met de maatregel van berisping.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) van 19 augustus 2013 in de zaak met nummer 12/2221 Wtra AK van

de stichting AUTORITEIT FINANCIËLE MARKTEN,

gevestigd te Amsterdam,

K L A A G S T E R ,

raadslieden: mr. R.W. Veldhuis en mr. M.L. Batting,

t e g e n

Y ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats],

B E T R O K K E N E ,

raadslieden: mr. W.F. Hendriksen en mr. S.A.G. Hoogeveen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-          het op 26 oktober 2012 ingekomen klaagschrift van 25 oktober 2012 met bijlagen;

-          het op 21 december 2012 ingekomen verweerschrift van die datum met bijlagen;

-          de op 22 januari 2013 ingekomen repliek d.d. 21 januari 2013 met bijlage;

-          de op 8 februari 2013 ingekomen dupliek van die datum met bijlagen.

1.2 De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 7 en 8 maart 2013 waar zijn verschenen namens klaagster mw. drs. A RA, bijgestaan door mrs. Veldhuis en Batting voormeld, beiden advocaat te Den Haag, en betrokkene, bijgestaan door mrs. Hendriksen en Hoogeveen voormeld, beiden advocaat te Amsterdam.

1.3 Klaagster en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1 Op 31 mei 2011 heeft betrokkene, verbonden aan KPMG Accountants N.V. te Rotterdam (hierna: KPMG) als externe accountant van Vestia een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2010 van Vestia. Vestia is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 Woningwet en richt zich - in essentie - op het huisvesten van lagere inkomensgroepen. Eind 2012 beschikte Vestia daartoe over ongeveer 89.000 woningen en appartementen.

2.2 In het Besluit beheer sociale-huursector (hierna: het Bbsh) is onder meer bepaald:

Artikel 26

1. De toegelaten instelling stelt jaarlijks een jaarrekening en een jaarverslag op, waarop de afdelingen 2 tot en met 8, 10, 11, 13, en 16 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen van die afdelingen de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, gelijk staan aan commissarissen als bedoeld in die artikelen, en in artikel 408, eerste lid, onderdeel e, voor «de in onderdeel d genoemde stukken of vertalingen» wordt gelezen «de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag», alsmede met uitzondering van:

a. de bepalingen die gezien hun inhoud niet op verenigingen of stichtingen van toepassing kunnen zijn, en

b. de artikelen 361, tweede lid, eerste volzin, zinsnede «en de in artikel 360 lid 3 bedoelde stichtingen en verenigingen», 362, zesde lid, tweede volzin vanaf «handelsregister», zevende lid, eerste volzin en tweede volzin vanaf «omschreven», achtste en negende lid, 373, vijfde lid , 378, tweede tot en met vierde lid , 383a, 389, vierde en vijfde lid , 390, 391, eerste lid, vijfde volzin vanaf «gesteld», 392, eerste lid, onderdelen a en e, en derde, vierde en vijfde lid , 396, zesde tot en met negende lid , 398, derde en vijfde lid , 406, derde tot en met vijfde lid , en 408, eerste lid, onderdeel d.

2. De toegelaten instelling stelt jaarlijks een volkshuisvestingsverslag op, waaruit elke gemeente waar zij feitelijk werkzaam is kan afleiden welke gegevens met name op haar betrekking hebben, en dat omvat:

(…)

f. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde beleid en beheer op financieel gebied, in welke uiteenzetting zij aannemelijk maakt, dat dit beleid en beheer voldoet aan de artikelen 21 en 22;

(…)

k. een overzicht van haar activiteiten in het verslagjaar op het gebied van beleggingen;

l. een overzicht van haar onrendabele investeringen in het verslagjaar en

m. een verklaring, dat zij in het verslagjaar haar middelen uitsluitend heeft besteed in het belang van de volkshuisvesting.

(…).

Artikel 28

De toegelaten instelling laat de ingevolge artikel 27 aangewezen accountant of organisatie onderzoeken, of:

a. [vervallen;]

b. het jaarverslag, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en het volkshuisvestingsverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, voor zover deze dat kan beoordelen, overeenkomstig die leden zijn opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar zijn, en

c. het overzicht, bedoeld in artikel 26, derde lid, in overeenstemming is met de vastgestelde jaarrekening.

2.3 In artikel 2:362 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is onder meer bepaald:

1. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. Indien de internationale vertakking van zijn groep dit rechtvaardigt kan de rechtspersoon de jaarrekening opstellen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer in een van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen als aanvaardbaar worden beschouwd en het in de eerste volzin bedoelde inzicht geven.

2. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. De balans mag het vermogen weergeven, zoals het wordt samengesteld met inachtneming van de bestemming van de winst of de verwerking van het verlies, of, zolang deze niet vaststaat, met inachtneming van het voorstel daartoe. Bovenaan de balans wordt aangegeven of daarin de bestemming van het resultaat is verwerkt.

3. De winst- en verliesrekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer.

4. Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de rechtspersoon in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften van en krachtens deze titel wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de rechtspersoon van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, voor zover nodig onder opgaaf van de invloed ervan op vermogen en resultaat.

In artikel 2:384 BW is - voor zover relevant - bepaald:

1. Bij de keuze van een grondslag voor de waardering van een actief en van een passief en voor de bepaling van het resultaat laat de rechtspersoon zich leiden door de voorschriften van artikel 362 leden 1 - 4. Als grondslag komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde.

2. Bij de toepassing van de grondslagen wordt voorzichtigheid betracht. Winsten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verplichtingen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden. Voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar kunnen in acht worden genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

(…)

6. Slechts wegens gegronde redenen mogen de waardering van activa en passiva en de bepaling van het resultaat geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande boekjaar zijn toegepast. De reden der verandering wordt in de toelichting uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor vermogen en resultaat, aan de hand van aangepaste cijfers voor het boekjaar of voor het voorafgaande boekjaar.

7. Waardeveranderingen van:

a. financiële instrumenten;

b. andere beleggingen; en

c. (…), kunnen in afwijking van de tweede zin van lid 2 onmiddellijk in het resultaat worden opgenomen, tenzij in deze afdeling anders is bepaald. Waardeveranderingen van afgeleide financiële instrumenten, voorzover niet bedoeld in lid 8, worden, zo nodig in afwijking van lid 2, onmiddellijk ten gunste of ten laste van het resultaat gebracht.

8. Waardeveranderingen van financiële instrumenten die dienen en effectief zijn ter dekking van risico’s inzake activa, activa in bestelling en andere nog niet op de balans opgenomen verplichtingen, dan wel inzake voorgenomen transacties worden rechtstreeks ten gunste dan wel ten laste van de herwaarderingsreserve gebracht, voor zover dat noodzakelijk is om te bereiken dat deze waardeveranderingen in dezelfde periode in het resultaat worden verwerkt als de waardeveranderingen die zij beogen af te dekken.

In artikel 2:391 BW is onder meer bepaald:

1. Het jaarverslag geeft een getrouw beeld van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten van de rechtspersoon en van de groepsmaatschappijen waarvan de financiële gegevens in zijn jaarrekening zijn opgenomen. Het jaarverslag bevat, in overeenstemming met de omvang en de complexiteit van de rechtspersoon en groepsmaatschappijen, een evenwichtige en volledige analyse van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten. Indien noodzakelijk voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten of de positie van de rechtspersoon en groepsmaatschappijen, omvat de analyse zowel financiële als niet-financiële prestatie-indicatoren, met inbegrip van milieu- en personeelsaangelegenheden. Het jaarverslag geeft tevens een beschrijving van de voornaamste risico’s en onzekerheden waarmee de rechtspersoon wordt geconfronteerd. Het jaarverslag wordt in de Nederlandse taal gesteld, tenzij de algemene vergadering tot het gebruik van een andere taal heeft besloten.

2. In het jaarverslag worden mededelingen gedaan omtrent de verwachte gang van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan de investeringen, de financiering en de personeelsbezetting en aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de rentabiliteit afhankelijk is. Mededelingen worden gedaan omtrent de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Vermeld wordt hoe bijzondere gebeurtenissen waarmee in de jaarrekening geen rekening behoeft te worden gehouden, de verwachtingen hebben beïnvloed. (…)

3. Ten aanzien van het gebruik van financiële instrumenten door de rechtspersoon en voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van zijn activa, passiva, financiële toestand en resultaat, worden de doelstellingen en het beleid van de rechtspersoon inzake risicobeheer vermeld. Daarbij wordt aandacht besteed aan het beleid inzake de afdekking van risico’s verbonden aan alle belangrijke soorten voorgenomen transacties. Voorts wordt aandacht besteed aan de door de rechtspersoon gelopen prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico’s.

4. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening. Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde overzicht dit vereist, bevat het jaarverslag verwijzingen naar en aanvullende uitleg over posten in de jaarrekening.

5. (…)

6. (…)

In lid 3 van artikel 2:393 BW is bepaald:

De accountant onderzoekt of de jaarrekening het in artikel 362 lid 1 vereiste inzicht geeft. Hij gaat voorts na, of de jaarrekening aan de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voldoet, of het jaarverslag, voor zover hij kan beoordelen, overeenkomstig deze titel is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is, en of de in artikel 392 lid 1, onderdelen b. tot en met g. vereiste gegevens zijn toegevoegd.

2.4 Paragraaf 6 van richtlijn 290 van de Raad voor de Jaarverslaggeving, zoals die gold voor de verslagjaren 2008 en 2009, luidt onder meer:

603 In overeenstemming met paragraaf 4 en 5 dient de rechtspersoon per portefeuille derivaten een keuze te maken omtrent de waardering en resultaatbepaling. Afhankelijk van deze keuze en het type hedge-accountingrelatie dient de rechtspersoon bepaalde hedge-accountingmodellen te gebruiken:

                a. (…)

b. indien 1. de rechtspersoon derivaten tegen kostprijs waardeert, of indien 2) (…), dient de rechtspersoon in geval van hedge accounting alinea 633 tot en met 639 toe te passen.

c. (…)

604 Voor het toepassen van hedge accounting gelden bepaalde voorwaarden die in de volgende alinea’s uiteen worden gezet. Achtereenvolgens worden behandeld:

- toegestane hedge-instrumenten (alinea 605 tot en met 608);

- toegestane afgedekte posities (alinea 609 tot en met 612);

- de voorwaarden voor hedge accounting (alinea 613 tot en met 616);

- (…)

- de verwerkingsmodellen voor hedge accounting van derivaten die tegen kostprijs worden gewaardeerd (de kostprijshedge; alinea 633 tot en met 639);

- (…)

605 Alle derivaten kunnen als hedge-instrument worden aangewezen, met uitzondering van (per saldo) geschreven opties. (…)

606 (Per saldo) geschreven opties zijn uitgezonderd van toepassing van hedge accounting, omdat ze geen risico mitigeren. (…)

(…)

611 De afgedekte positie kan zijn:

a. (…)

b. een groep van activa, verplichtingen, bindende overeenkomsten of zeer waarschijnlijke in de toekomst verwachte transacties, onder de voorwaarde dat de groep voldoende homogeen is voor wat betreft het afgedekte risico. Dat wil zeggen dat de afzonderlijke posten in de groep het risico dat als afgedekt risico wordt aangewezen, delen, en dat voor elk afzonderlijk instrument in de groep geldt dat de verandering in de reële waarde die is toe te rekenen aan het afgedekte risico ongeveer evenredig is aan de totale verandering in de reële waarde die is toe te rekenen aan het afgedekte risico van de groep instrumenten. (…)

c. (…)

(…)

614 Indien een rechtspersoon hedge accounting toepast op basis van generieke documentatie, dient de rechtspersoon bepaalde afgedekte risico’s consistent - in de tijd en naar soort van hedgerelatie - volgens de regels van hedge accounting te verwerken, en daarmee af te wijken van de algemene regels voor de verwerking, waardering en resultaatbepaling die onder meer in paragraaf 5 zijn uiteengezet, indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a. de rechtspersoon beschrijft de algemene hedgestrategie en documenteert daarbij hoe de hedgerelaties passen in de doelstellingen van risicobeheer en de verwachting aangaande de effectiviteit van deze hedgerelaties (dat is de mogelijkheid van het bereiken van compensatie van aan het afgedekte risico toe te rekenen veranderingen in reële waarden of kasstromen);

b. de rechtspersoon beschrijft de in het soort hedgerelatie betrokken hedge-instrumenten en afgedekte posities die voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in alinea 605 respectievelijk 609; en

c. de ineffectiviteit (dat is de mate waarin de waardeveranderingen van het hedge-instrument die van de afgedekte positie niet compenseren) dient in de winst- en verliesrekening te worden verwerkt.

(…)

918 Voor elke categorie financiële activa en financiële verplichtingen, zowel in de balans opgenomen als niet in de balans opgenomen, dient de rechtspersoon informatie te geven over de mate waarin hij blootstaat aan rente- en kasstroomrisico, door middel van informatie die ten minste omvat:

a. de contractuele renteherzienings- of aflossingsdata, voor zover laatstgenoemde eerder liggen; en

b. de effectieve rentevoeten, voor zover van toepassing.

919 De rechtspersoon verschaft, bij voorkeur in de vorm van een samenvattend overzicht, informatie omtrent het effect dat een toekomstige verandering in de geldende rentevoet kan hebben. Veranderingen in marktrente hebben een direct effect op de contractueel bepaalde kasstromen verbonden aan sommige financiële activa en financiële verplichtingen (kasstroomrisico) en op de reële waarde van andere (prijsrisico).

(…)

924 (…) Alinea 918 is niet van toepassing op niet-monetaire financiële instrumenten en afgeleide instrumenten waarvoor geen effectieve rentevoet bepaald kan worden. Want hoewel derivaten, zoals swaps, forward rate agreements en opties, onderhevig zijn aan prijsrisico of kasstroomrisico als gevolg van veranderingen in de marktrentevoeten, is het niet zinvol in de toelichting een effectieve rentevoet op te nemen. Echter, door het geven van informatie over de effectieve rentevoet toont de rechtspersoon het effect op het renterisico waaraan hij blootstaat, van afdekkingstransacties of van transacties die het karakter van de rentevoet wijzigen (van vast in variabel of omgekeerd), zoals renteswaps.

(…)

927 In bepaalde omstandigheden kan de rechtspersoon relevante informatie verschaffen omtrent zijn gevoeligheid voor renterisico door het effect weer te geven van een hypothetische verandering in de geldende marktrente op de reële waarde van de financiële instrumenten en op de toekomstige resultaten en kasstromen. Dergelijke informatie omvat de mate waarin de rechtspersoon renterisico loopt kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op een veronderstelling van 1% verandering in marktrente op balansdatum. De effecten van een verandering omvatten veranderingen in rentebaten en -lasten die samenhangen met variabel rentende financiële instrumenten en in baten en lasten die voortkomen uit veranderingen in de reële waarde van vastrentende instrumenten. De gerapporteerde rentegevoeligheid kan beperkt worden tot de directe effecten van een renteverandering op rentedragende financiële instrumenten per balansdatum, omdat de indirecte effecten van een renteveranderingen op financiële markten en op individuele rechtspersonen normaliter niet voldoende betrouwbaar voorspeld kunnen worden. Indien informatie wordt opgenomen met betrekking tot de rentegevoeligheid, geeft de rechtspersoon aan op welke basis deze informatie wordt verschaft, inclusief de belangrijkste veronderstellingen die daarbij zijn gehanteerd.

De hiervoor weergegeven teksten met de alineanummers 603, 614 en 918 zijn vetgedrukt, de teksten van de overige nummers zijn niet vetgedrukt. In RJ 100.407 is over de status van vetgedrukte tekst vermeld:

407 Indien slechts één grondslag aanvaardbaar wordt geacht of indien bepaalde grondslagen onaanvaardbaar worden geacht, zal dit worden geaccentueerd door de desbetreffende passage vetgedrukt op te nemen.

De vetgedrukte passages dienen als stellige uitspraken te worden opgevat. Ook deze stellige uitspraken hebben echter niet de status van een wettelijke bepaling en derhalve geen bindende kracht. Desalniettemin verwacht de RJ dat van deze stellige uitspraken slechts wordt afgeweken indien daarvoor goede gronden zijn.

De RJ acht deze gronden in ieder geval aanwezig wanneer met deze afwijkingen een verbetering wordt beoogd en bereikt van het inzicht dat een jaarrekening geeft.

De RJ neemt aan dat een afwijking van de stellige uitspraken niet licht tot een verbetering van dit inzicht kan leiden, tenzij de in alinea 406 genoemde specifieke omstandigheden van toepassing zijn. Dit neemt niet weg dat zowel de opstellers als de controleurs van jaarrekeningen hun eigen verantwoordelijkheid hebben.

In alinea 406 is opgenomen:

406 Met betrekking tot de oordelen wordt opgemerkt dat de (ontwerp)Richtlijnen een algemene strekking hebben. Specifieke omstandigheden kunnen echter mede bepalend zijn voor het oordeel over de aanvaardbaarheid van de toegepaste grondslagen.

2.5 Als ‘oordeel’ is in hiervoor genoemde goedkeurende verklaring vermeld:

‘Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van Stichting Vestia Groep per 31 december 2010 en van het resultaat over 2010 in overeenstemming met artikel 26, eerste lid, van het Besluit beheer sociale-huursector, richtlijn 645 van de Raad voor de Jaarverslaggeving en de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens.’

en als ‘verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’ is onder meer vermeld:

‘(…) Tevens vermelden wij dat het jaarverslag en het volkshuisvestingsverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 391, vierde lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.’

2.6 In de jaarrekening 2010 is onder meer opgenomen dat het resultaat € 55 miljoen betrof bij een eigen vermogen van € 747 miljoen en balanstotaal van € 6,1 miljard en dat Vestia beschikte over een (gesaldeerde) derivatenportefeuille ter grootte van € 9,9 miljard met een negatieve marktwaarde van € 557 miljoen bij een post langlopende schulden van € 5,1 miljard. De derivatenpositie is niet in de balans verwerkt maar in de toelichting uitgewerkt.

2.7 In de toelichting op de balans van de jaarrekening 2010 van klaagster is onder het kopje ‘Financiële instrumenten’ onder meer vermeld:

‘Onder financiële instrumenten worden zowel primaire financiële instrumenten, zoals vorderingen en schulden, als financiële derivaten verstaan. Voor de grondslagen van primaire financiële derivaten instrumenten wordt verwezen naar de behandeling per balanspost.

                Vestia past hedge-accounting toe op basis van generieke documentatie.

                Risicobeheer

Het beleid van Vestia is erop gericht om minimaal (en rond de) 85% van de kasstromen voortvloeiende uit investeringen, herfinancieringen en renteconversies in een jaar te hedgen. Dit beleid is verwoord in het treasurystatuut. De monitoring hierop gebeurt dagelijks. Indien zich wijzigingen voordoen in de kasstromen dan wel marktomstandigheden in een jaar zal in overleg met de treasurycommissie het hedgen van de kasstromen aangepast worden rekening houdend met het beleid van de minimaal te hedgen kasstromen. Tevens worden de liquiditeitsrisico’s (collaterals) voortvloeiend uit derivaten dagelijks gemonitord.

Hedged risico

Vestia dekt het kasstroomrisico als gevolg van het renterisico af.

Type Hedge

Kostprijshedge-accounting

Start toepassing kostprijshedge accounting

Vanaf kalenderjaar 2008 wordt kostprijshedge-accounting toegepast.

Hedged/afgedekte positie

Vestia dekt de variabiliteit in kasstromen voortvloeiende uit huidige en toekomstige rentebetalingen gerelateerd aan huidige en toekomstige leningen af. Hierbij worden de kasstromen van de rentebetalingen van de afgesloten respectievelijk af te sluiten leningen als groep genomen om de af te dekken positie te bepalen. Deze kasstromen worden naar kalenderjaar gegroepeerd.

Hedge-instrumenten

Vestia maakt gebruik van de volgende derivaten al dan in een gecombineerde vorm de variabiliteit in kasstromen mee te hedgen:

- plain vanilla interest rate swaps

- cancelable swaps

- index interest rate swaps gecombineerd met een cap en een floor

- CMS-structuren met een cap en een floor

- plain vanilla interest rate swaps gecombineerd met swaptions

- caps, floors en (knockin-)collar

Accounting

De financiële instrumenten gebruikt als hedging instrument en de leningen onderliggend aan de af te dekken rente-betalingen worden tegen kostprijs op de balans opgenomen en gewaardeerd. Hedge-ineffectiviteit wordt in de winst- en verliesrekening verwerkt.

Derivaten

De marktwaarde van de derivaten was per 31 december 2010 € 557 miljoen negatief tegenover € 149 miljoen negatief per 31 december 2009. Dit is gebaseerd op saldobevestigen van de tegenpartijen.

De derivaten zijn in 2010 en 2009 als volgt onderverdeeld in nominale- en marktwaarde (* € 1 miljoen):

Nominaal                                                                                                            2010                      2009

Interest rate swaps                                                                                            4.855                     2.405

Gestructureerde produkten (exotics)                                                             1.155                     1.605

Swaptions                                                                                                           3.925                     1.325

Marktwaarde                                                                                                      2010                      2009

Interest rate swaps                                                                                             179                         286

Gestructureerde produkten (exotics)                                                                -95                        -160

Swaptions                                                                                                           -641                        -275

De derivaten starten nominaal als volgt in de tijd:

                                                                                                              reeds      2011     

                                                                                                              lopend    t/m 2020                na 2020

Interest rate swaps                                                                              180          2.575                    2.100

Gestructureerde produkten (exotics)                                               955             200                           -

Swaptions                                                                                                 -           1.875                    2.050

De af te dekken positie t/m 2020 bedraagt circa € 9,8 miljard

De interest rate swaps bestaan uit payer- en receiverswaps. Het nominale en marktwaarde bedrag is dan ook gesaldeerd weergegeven.

De gestructureerde producten bestaan voornamelijk uit cancelable swaps en index interest rate swaps. De cancelable swaps zijn interest rate swaps waarin het recht wordt gegeven aan de bank om vanaf een bepaalde periode en om de 3 of 6 maanden de swap op te zeggen. De premie die hier voor ontvangen wordt, komt tot uitdrukking in een lagere rente dan de rente van dat moment voor die periode. De index rate swaps zijn interest rate swaps waarbij rekening wordt gehouden met de performance uit die index. Dit produkt is gecapped en heeft de mogelijkheid indien de index perfomed om naar een rente van -2% te gaan.

De swaptions geven het eenmalig recht aan de bank om op een bepaald tijdstip een interest rate swap aan te gaan op een vastgesteld percentage. Dit percentage is nooit hoger dan 4,5% voor een looptijd van 30 jaar. De ontvangen premies zijn verdisconteerd in de interest rate swaps.

De negatieve marktwaarde wordt veroorzaakt door enerzijds de hoge volatiliteit in de markt, waarbij de opties in waarde toenemen en anderzijds de historisch gezien zeer lage rente.

Het gebruik van derivaten resulteert dat € 5,2 miljard is ingedekt op een maximaal nivo van 3% waarvan € 2,2 miljard een nivo heeft van maximaal 2,5%. De derivaten worden gebruikt voor kostprijs hedging en worden als zodanig tegen kostprijs gewaardeerd.

Kredietrisico

Het gaat hierbij om het risico dat financiële instellingen niet aan hun contractuele verplichtingen kunnen voldoen. Door het spreiden van financiële transacties over verschillende financiële instellingen wordt getracht dit risico te beperken. Verder dienen de financiële instellingen te voldoen aan minimaal een A-rating. Verder vindt er wederzijdse verrekening van marktwaarden plaats boven een bepaalde treshold om het tegenpartijrisico bij het gebruik van derivaten te beperken.

Liquiditeitsrisico

Het gaat hierbij om het risico dat over onvoldoende middelen wordt beschikt om aan de directe verplichtingen te voldoen. Dit geldt voor alle verplichtingen van Vestia ongeacht of dit nu crediteuren of financiële instellingen zijn. Vestia heeft naast het beschikbaar hebben van beleggingen en liquide middelen ook meerdere kredietfaciliteiten ter beschikking. Als gevolg van de negatieve marktwaarde van de derivaten ultimo 2010 liep Vestia een liquiditeitsrisico. Zie verder de toelichting bij de post liquide middelen.’

2.8 In de toelichting op de balans van de jaarrekening 2010 van klaagster is onder het kopje ‘Liquide middelen’ onder meer vermeld:

‘Vestia maakt gebruik van derivaten om de renteniveaus te fixeren op een laag percentage. Hiertoe zijn zogenaamde CSA-overeenkomsten met de banken gesloten. Ingeval de kapitaalmarktrente heel sterk daalt dient Vestia als zekerheid een depot te stellen bij de betreffende banken. Op 31 december 2010 bedroeg dit depot € 122,7 miljoen (in 2009 € 47,3 miljoen). De bedragen in depot staan niet ter vrije beschikking.’

2.9 In 2010, als ook de in voorafgaande jaren, heeft Vestia rentederivaten gekocht van en verkocht aan diverse financiële instellingen, bestaande uit onder meer renteswaps (plain vanilla swaps), opties op renteswaps (swaptions) en opzegbare renteswaps (cancellable swaps).

De meest basale vormen (plain vanilla) zijn de payer swap en de receiver swap. Indien Vestia een payer swap aangaat, betaalt zij een vaste rente en ontvangt zij een variabele rente. Indien Vestia een receiver swap aangaat, betaalt zij een variabele rente en ontvangt zij een vaste rente. Het aangaan van een receiver swap neutraliseert de payer swap voor zover het nominale bedrag, de looptijd en de aard van beide swaps gelijk zijn.

Bij de verkoop van een optie op een renteswap (payer of receiver swap) ontvangt Vestia een premie in ruil waarvoor de kopende partij het recht krijgt op een bepaald tijdstip of binnen een bepaalde periode van klaagster een renteswap in te roepen. Vestia heeft enkel swaptions geschreven en geen swaptions gekocht.

Vestia heeft daarnaast ook gestructureerde (niet standaard) derivaten afgesloten, zoals ‘cancellable swaps’ en ‘callable swaps’.

Voormelde derivaten hebben een marktwaarde die samenhangt met het verschil tussen de variabele ofwel marktrente en de vaste rente van het betreffende derivaat, leidend tot een verschil in kasstromen van en naar Vestia. De contant gemaakte verwachte kasstromen vertalen zich in een positieve dan wel negatieve marktwaarde van het derivaat voor klaagster. Indien die marktwaarde onder een bepaald niveau komt, bepaalt de tussen Vestia en de financiële instelling afgesloten ‘Credit Support Annex’-overeenkomst dat Vestia op afroep door die instelling (ofwel het doen van een margin call) een bedrag in depot moet storten als onderpand voor de toekomstige verplichtingen. Bij een positieve marktwaarde boven een bepaald niveau bepaalt de CSA-overeenkomst dat ten behoeve van Vestia een ‘margin’ moet worden gestort.

De door Vestia ontvangen premies voor de door haar geschreven swaptions en cancellable swaps werden (doorgaans) in mindering gebracht op Vestia’s rentelasten door het verminderen van de door Vestia te betalen vaste rente op haar payer swaps.

2.10 Tijdens zijn controlewerkzaamheden had betrokkene de beschikking over een op 11 augustus 2009 door Deloitte Financial Advisory Services te Amsterdam (hierna: Deloitte FAS) aan Vestia uitgebracht rapport van bevindingen aangaande kostprijshedge accounting. In dat rapport is onder meer verwoord dat 1) er (generieke) hedge documentatie aanwezig is en dat die in overeenstemming is met de vereisten van RJ 290, 2) het gebruik van kostprijshedge accounting past binnen het Treasury beleid, 3) de toepassing door klaagster van kostprijshedge accounting past binnen RJ 290, 4) dat de afgedekte toekomstige verwachte kasstromen zijn onderbouwd en 5) dat is vastgesteld dat de hedge effectiviteit wordt gemeten, periodiek en per balansdatum.

2.11 Voorts had betrokkene de beschikking over een op 20 augustus 2010 door Deloitte FAS aan Vestia uitgebracht nader rapport over de toepassing van kostprijshedge accounting. In dat in de Engelse taal gestelde rapport is op pagina 9 daarvan onder meer weergegeven:

‘Based on the performed procedures an d the summary above Deloitte concludes that the hedged item meet the criteria set out in RJ 290 to apply costprice hedge accounting.

If the criteria set out in RJ 290 are strictly applied, the hedging instruments meet these criteria. However, if the criterion of ‘no (net) written options’ is read in the context of ‘risk mitigating or not’ Vestia does have derivatives that create open positions or leave positions open. These derivatives result of leave Vestia with principals on which floating interest rates are to be paid.

Despite the above, Deloitte deems it acceptable form RJ 290 point of view to use these aforementioned derivatives for hedge accounting purposes in ‘portfolio’ perspective for the following reasons:

•              Vestia hedges the variability of cash flows on a ‘portfolio’ base. Consequently, Vestia manages its total interest rate exposure with a ‘portfolio’ of derivatives’. Therefore, although care should be taken in selecting the individual derivatives, the focus should be on whether the portfolio of derivatives reduces the interest rate risk exposure.

•              The policy of Vestia is to hedge approximately 85% of the total interest rate exposure (before hedging). As such, the risk of an overhedge is remote. An overhedge exists when the total amount of cash flows used to hedge is larger than the total amount of cash flow hedged.’

2.12 Vanaf de tweede helft van 2011 is door meerdere banken - om reden van de (verder) dalende marktrente via het inroepen van zogenaamde ‘margin calls’ - van Vestia verlangd dat zij op haar derivatenportefeuille nadere bedragen bij hen in depot zou storten, waarna Vestia successievelijk bijna € 1,3 miljard als zekerheid heeft afgestort. In het voorjaar van 2012 bleek Vestia door liquiditeitsproblemen tot verdere storting van onderpand niet (meer) in staat.

2.13 Na berichten in de media over de problemen bij Vestia en contact met KPMG hierover is klaagster op en na 1 februari 2012 overgegaan tot onderzoek van het controledossier 2010 van betrokkene aangaande Vestia. Op verzoek van klaagster heeft KPMG ook een eigen onderzoek ingesteld naar de accountantscontrole over het jaar 2010 van Vestia.

2.14 Per brief van 27 februari 2012 heeft KPMG klaagster geïnformeerd over haar onderzoek en onder meer gesteld dat de controle en de documentatie van de controle bij Vestia over het boekjaar 2010 als ‘unsatisfactory’ scoort. In de bijgevoegde rapportering van de onderzoeksresultaten wordt over de treasury en derivaten vermeld:

‘Er is primair gekozen voor een gegevensgerichte aanpak waardoor wij op basis van het controledossier en hierin opgenomen werkzaamheden de controle van de volledigheid van de posities niet hebben kunnen vaststellen. Daarnaast hebben wij niet kunnen beoordelen hoe de juiste toepassing van hedge accounting is beargumenteerd en vervolgens gecontroleerd/gedocumenteerd. Dit betreft onder meer de beoordeling van de toekomstige kasstromen en ingenomen posities. Tenslotte zijn voor deze controle geen accounting specialisten op het gebied van derivaten ingeschakeld, is onvoldoende documentatie aangetroffen omtrent de risico inschatting, de materialiteitsbepaling voor de treasuryomgeving, en beoordeling van de IT aspecten hierbinnen terwijl wij dit wel zouden verwachten.

Gegeven de omvang van de treasury activiteiten en complexiteit van de derivaten zou verwacht worden dat over de achterliggende strategie en de uitwerking daarvan uitgebreid met de treasurer en de leiding van de organisatie wordt gecommuniceerd. Een en ander in samenhang met de mogelijke liquiditeitsrisico’s en de beheersing daarvan. Uit het dossier is ons onvoldoende gebleken dat en hoe deze aspecten zijn overwogen en besproken. (…)

De bijzondere aspecten van Vestia - complexe derivaten en eigen projectorganisatie en ontwikkeling in combinatie met een eerstejaars controleopdracht - zouden naar onze mening aanleiding moeten zijn geweest de controleaanpak uitgebreider te motiveren en te documenteren.’

2.15 In een brief van 19 maart 2012 heeft KPMG, refererend aan de voorlopige uitkomsten van een nader onderzoek naar de verslaglegging van klaagster omtrent de derivaten, aan Vestia medegedeeld dat transacties, te weten het schrijven van opties op interest rate swaps, aan het licht zijn gekomen die naar de mening van KPMG niet kwalificeren als hedge, dat het effect van dergelijke transacties materieel kon zijn, dat niet alle combinaties van swaps met geschreven swaptions (voldoende) risicomitigering met zich brengen, dat er op dit punt voortschrijdend inzicht is over de aanvaardbaarheid van de verslaggeving van één of meer van deze combinaties en dat een en ander kan leiden tot materiële aanpassingen in de cijfers van zowel 2011 als voorgaande jaren. In vervolg op de inhoud van deze brief heeft KPMG per brief van 17 april 2012 aan Vestia medegedeeld dat haar gerede twijfel aan de juistheid van de jaarrekening 2010 tot haar conclusie heeft geleid dat zij de verklaring zoals afgelegd niet kan handhaven en zal intrekken. Op 26 april 2012 heeft Vestia een daartoe strekkende verklaring publiek gemaakt.

2.16 Op 2 april 2012 heeft KPMG aan betrokkene als extern accountant zijn tekenbevoegdheid ontnomen en hem vervangen door andere externe accountants op lopende controleopdrachten. Op 11 juli 2012 heeft KPMG hem laten doorhalen als externe accountant in het door klaagster aangehouden register. Vanaf 1 oktober 2012 is betrokkene niet meer bij en voor KPMG werkzaam.

3. De klacht

3.1 Ten grondslag aan de door klaagster ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, het verwijt dat de wettelijke controle die betrokkene ten aanzien van de jaarrekening van Vestia over het controlejaar 2010 heeft uitgevoerd, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. In het bijzonder heeft betrokkene nagelaten:

1.         de juistheid en volledigheid van de derivaten van Vestia vast te stellen;

2.         de juistheid van de waarderingsmethode van de derivaten vast te stellen;

3.         de juistheid en volledigheid van de toelichting vast te stellen;

4.         in de controle gebruik te maken van specifieke deskundigheid op het gebied van derivaten.

3.2 Voormelde tekortkomingen leiden ertoe dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag en met verschillende Nadere Voorschriften en Overige Controle Standaarden, dat betrokkene heeft nagelaten met een professioneel-kritische instelling een controle te plannen en uit te voeren en dat betrokkene een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daaraan de vereiste controlewerkzaam-heden zijn vooraf gegaan.

4. De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1 Op grond van de artikelen 31 Wet toezicht accountantsorganisaties (hierna: Wta) en  33 Wet op de Registeraccountants (oud) (hierna: Wet RA) (en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep) is de (extern) registeraccountant bij het beroepsmatig handelen (c.q. ten aanzien van de beroepsuit-oefening) onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wta en/of de Wet RA bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

formele verweren

4.2 Betrokkene heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de klacht jegens hem op formele gronden niet ontvankelijk dan wel ongegrond moet worden verklaard dan wel dat een deel van de door KPMG en betrokkene aan klaagster verstrekte informatie van het bewijs moet worden uitgesloten.

4.2.1 Anders dan van de zijde van betrokkene is betoogd, brengt het feit dat klaagster niet al in haar repliek heeft gereageerd op de door betrokkene opgeworpen formele verweren niet met zich dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dat haar formele verweer dient te worden gehonoreerd, dat de stellingen van klaagster ter zitting daarover ter zijde moeten worden gelaten of dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Dat klaagster, wat betreft die formele verweren, de haar geboden gelegenheid om te repliceren ongebruikt voorbij heeft laten gaan, dwingt geenszins tot het door betrokkene bepleite gevolg. Daar is in de Wtra noch in het door de Accountantskamer gebruikte procesreglement een aanknopingspunt voor te vinden, terwijl niet valt in te zien dat klaagster daarmee in strijd heeft gehandeld met het beginsel van een goede procesorde, in het bijzonder met het beginsel van ‘fair play’. Betrokkene moet immers in staat worden geacht zijn eigen verweren nader te adstrueren, ook indien deze (voor het eerst) ter zitting worden tegengesproken.

4.2.2 De Accountantskamer zal hierna achtereenvolgens bespreken het beroep op ‘ne bis in idem’ (overweging 4.3), het beroep op handelen in strijd met het uitgangspunt dat handhaving door klaagster tegen een externe accountant een ultimum remedium is (overweging 4.4), het beroep op strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur (overweging 4.5) en het beroep op uitsluiting van bewijs (overweging 4.6).

4.3 Wat betreft het verweer van betrokkene dat de klacht van klaagster in strijd komt met het beginsel van ‘ne bis in idem’, geldt het volgende. 

4.3.1 Betrokkene heeft daartoe het volgende doen aanvoeren. Omtrent zijn werkzaam-heden in het kader van de controle van de jaarrekening 2010 van Vestia is al eerder door Stichting SOBI (hierna: SOBI) (12/834 Wtra AK) een klacht ingediend. De behandeling van die klacht  was bovendien al een in vergevorderd stadium doordat al van re- en dupliek was gediend. Het gaat in beide klachten om ‘hetzelfde handelen’, in welk geval niet nogmaals kan worden geklaagd. Het beginsel van ‘ne bis in idem’, welk beginsel tevens omvat het verbod op dubbele vervolging als het verbod op dubbele bestraffing, behoort betrokkene dan ook te beschermen tegen de blootstelling aan een tweede tuchtprocedure. Betrokkene heeft daar ook een gerechtvaardigd belang bij. Gelet op de uitleg van bedoeld beginsel kan dan ook tot geen andere uitspraak worden gekomen dan een niet-ontvankelijkheid van de klacht.

4.3.2 Klaagster heeft dit verweer bestreden met de stelling dat er geen sprake is van strijd met het beginsel van ‘ne bis in idem’ omdat nog geen sprake is van een onaantastbare eindbeslissing over het handelen van betrokkene, te weten zijn werkzaamheden in het kader van de controle van de jaarrekening 2010. Dat beginsel staat dan ook niet aan een gelijktijdige behandeling van de tuchtklachten in de weg. Integendeel, het belang van de materiële waarheidsvinding vraagt juist om alle relevante feiten en omstandigheden in één keer bij de beoordeling mee te wegen en te betrekken in de eindbeslissing(en).

4.3.3 Wat betreft de vraag of zich in deze tuchtprocedure een omstandigheid voordoet die zich tegen een inhoudelijke behandeling van de klacht verzet, geldt dat de eerder ingediende klacht van SOBI niet, ook niet in onderlinge samenhang bezien, als een zodanige omstandigheid kan worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) houdt het door betrokkene ingeroepen beginsel van ‘ne bis in idem’ in een tuchtprocedure als deze in dat, indien omtrent het handelen van betrokkene waarover wordt geklaagd, al een onaantastbare tuchtrechtelijke eindbeslissing is gegeven, en dan ook nog door dezelfde klager, betrokkene omtrent dat handelen niet opnieuw kan worden bericht. Van deze situatie is echter geen sprake. Weliswaar ziet ook de onderhavige klacht op dezelfde werkzaamheden als die aan de klacht van SOBI ten grondslag is gelegd, doch dienaangaande is geen sprake van een rechtens onaantastbaar geworden eindbeslissing, laat staan van een eindbeslissing gegeven op een klacht van dezelfde klager. Daar komt bij dat de drie tegen betrokkene aanhangig gemaakte tuchtprocedures, hoewel niet gevoegd, om proceseconomische redenen gelijk zijn gaan oplopen, gelijktijdig ter zitting zijn behandeld en resulteren in een beslissing van gelijke datum. De omstandigheid dat de onderhavige klacht later is ingediend dan die door SOBI, is derhalve van onvoldoende gewicht om tot een relevante aantasting van betrokkenes belangen ter zake te concluderen. Dit verweer faalt.

4.4 Aangaande het verweer van betrokkene dat klaagster in strijd heeft gehandeld met het uitgangspunt dat handhaving door haar tegen een externe accountant een ultimum remedium is, geldt het volgende.

4.4.1 Betrokkene heeft daartoe het volgende doen aanvoeren. Ingevolge de Wta heeft klaagster tot taak om het register van externe accountants te beheren, verleent zij vergunningen en houdt zij toezicht op naleving van de Wta, waarbij zij zich richt tot accountantsorganisaties en niet tot de individuele externe accountant. De Wta legt dan ook aan de accountantsorganisatie de verplichting op er voor te zorgen dat de bij haar werkzame externe accountants voldoen aan wet- en regelgeving. Uit de memorie van toelichting bij de Wta blijkt duidelijk dat handhaving van de eisen die worden gesteld aan de externe accountant door middel van het tuchtrecht een ultimum remedium is en dat klaagster in eerste instantie de accountantsorganisatie zal aansporen om maatregelen te treffen jegens een haar verbonden accountant die bij het uitvoeren van werkzaamheden omtrent wettelijke controles heeft gehandeld in strijd met de normen. Pas indien dat onvoldoende resultaat heeft, kan mogelijk overwogen worden om een tuchtklacht in te dienen tegen de externe accountant. In dit geval hebben de door KPMG tegen hem genomen maatregelen wel degelijk en afdoende effect gehad. Het is dan ook niet nodig om de Accountantskamer te verzoeken tuchtrechtelijke maatregelen tegen hem te nemen.

4.4.2 Klaagster heeft daartegen ingebracht dat het in dit geval gaat om tekortkomingen van zodanige ernst dat dit niet langer uitsluitend een kwestie is tussen de externe accountant en de accountantsorganisatie en dat het gaat om een zaak van publiek belang. Het behoort tot de bevoegdheid van klaagster de Accountantskamer, als de door de wetgever aangewezen tuchtrechter, te vragen zich over dergelijk beroepsmatig handelen van betrokkene uit te laten, waarbij klaagster het handelen zodanig ernstig acht dat zij de maatregel van doorhaling passend en geboden acht, welke maatregel aan de tuchtrechter is voorbehouden.

4.4.3 In artikel 22, eerste lid, Wtra is bepaald, voor zover hier van belang, dat een ieder (cursivering door Accountantskamer) bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Wta door een externe accountant als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van die wet en/of bedoeld in artikel 33, eerste lid, Wet RA door een registeraccountant een klacht kan indienen bij de Accountantskamer. Die bepaling bevat geen beperking in de hoedanigheid van de klager, terwijl daar in de wetsgeschiedenis van de Wta of de Wtra of in de jurisprudentie evenmin een aanknopingspunt voor is te vinden. Anders dan betrokkene meent, doet de passage in de Memorie van Toelichting dat het indienen van een tuchtklacht voor klaagster een ultimum remedium heeft te zijn, daar niets aan af. De weging van klaagster dat zulks het geval is, is niet onderworpen aan een toetsing door de Accountantskamer. Het verweer faalt. Overigens staat er niets aan in de weg dat in een voorkomend geval bij een eventuele oplegging van een maatregel in aanmerking wordt genomen de omstandigheid dat de accountantsorganisatie, waaraan de betrokken accountant verbonden is, een of meer maatregelen jegens hem heeft genomen.

4.5 Wat betreft het verweer van betrokkene dat klaagster jegens hem heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, geldt het volgende.

4.5.1 Betrokkene heeft daartoe het volgende doen aanvoeren.

(i) Klaagster heeft in strijd met de haar rustende verplichting tot geheimhouding ex artikel 63a Wta jo artikel 36 lid 2 van de Richtlijn 2006/43 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen vertrouwelijke gegevens en inlichtingen die zij verkregen heeft bij haar toezichthoudende taak gedeeld met de Accountantskamer.

(ii) Klaagster heeft in strijd gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel door, naast de op haar instigatie door KPMG genomen maatregelen jegens betrokkene, ook nog een tuchtklacht tegen hem in te dienen, terwijl zij voorts wist van de al door SOBI tegen hem ingediende klacht.

(iii) Klaagster heeft in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Nadat betrokkene aan klaagster volledige medewerking heeft verleend en openheid heeft betracht aangaande het verstrekken van gegevens en nadat KPMG op instigatie van klaagster meerdere maatregelen aan hem heeft opgelegd, mocht betrokkene erop vertrouwen dat hij niet ook nog eens werd geconfronteerd met een tuchtklacht, te meer nu klaagster haar klacht baseert op vertrouwelijke gegevens die zij heeft vergaard in haar toezichthoudende taak.

(iv) Klaagster heeft ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Het materiële belang van klaagster bij de klacht is nihil; zij heeft al bewerkstelligd dat betrokkene door KPMG zwaar is gestraft. De klacht is ook in strijd met ‘fair play’ omdat betrokkene steeds volledig heeft meegewerkt, ook indien dit tegen zijn belang zou indruisen. Een tuchtklacht bevordert ook niet dat externe accountants in de toekomst aan een onderzoek naar vermeende tekortkomingen zullen meewerken, wat niet doelmatig is en strijdt met het doel van de Wta en met het beginsel dat primair de accountantsorganisatie moet optreden bij tekortkomingen van de externe accountant. Evenzo is niet tijdig waarschuwen voor en de timing van de tuchtklacht niet zorgvuldig doordat klaagster eerst alle gegevens heeft afgewacht alvorens een klacht in te dienen. Tevens is onzorgvuldig dat klaagster betrokkene niet heeft gehoord dan wel zonder alvorens wederhoor toe te passen of betrokkene een zienswijze te laten geven een tuchtklacht tegen hem in te dienen. Tot slot is onzorgvuldig dat klaagster een brief aan de Accountantskamer in kopie aan SOBI heeft gezonden en dat zij in de pers op het individuele geval van betrokkene is ingegaan.

4.5.2 Klaagster heeft daartegen ingebracht dat zij zorgvuldig heeft afgewogen of voldoende aanleiding bestond voor het indienen van een tuchtklacht, hetgeen het geval is omdat bij onderzoek is gebleken dat betrokkene bij de controle heeft gehandeld in strijd met meerdere fundamentele beginselen. Klaagster heeft ruim binnen de daarvoor staande termijn als neergelegd in artikel 22 Wtra haar klacht ingediend, terwijl zij voorts met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld. Klaagster diende prioriteit te geven aan het verrichten van een breed onderzoek naar de controle van woningcorporaties door de vier grootste accountantsorganisaties. Er is geen wettelijk voorschrift die klaagster zou verplichten om haar klacht (in concept) aan betrokkene voor te leggen dan wel ter zake om een zienswijze te vragen. Het beginsel van hoor en wederhoor is gewaarborgd in de tuchtprocedure. Betrokkenes standpunt dat klaagster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door een klacht tegen hem in te dienen is merkwaardig nu juist artikel 63d Wta juist die bevoegdheid geeft. Van strijd met de artikel 36, lid 2 van Richtlijn 2006/43 is geen sprake nu daaruit volgt dat verstrekking van vertrouwelijke gegevens is toegestaan voor zover dit is voorzien, bepaald of voortvloeit uit wetgeving, regelgeving of administratieve procedures. Dat is hier het geval. Klaagster heeft overigens uitsluitend gegevens overgelegd die vereist zijn voor de beoordeling van de klacht. Onjuist is de veronderstelling dat aan klaagster is te wijten dat KPMG maatregelen tegen betrokkene heeft genomen.

4.5.3 De Accountantskamer stelt vast dat in artikel 63d Wta expliciet is bepaald dat klaagster, in afwijking van de aan haar ingevolge artikel 63a van die wet opgelegde verplichting tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen waarmee zij uit hoofde van haar toezicht bekend is geworden, dergelijke gegevens aan de tuchtrechter kan verstrekken. Anders dan betrokkene ingang wil doen vinden, strijdt die bepaling niet met lid 2 van artikel 36 van de Richtlijn 2006/43 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen.

Voor een conclusie dat klaagster heeft gehandeld in strijd met het beginsel van proportionaliteit, zoals betrokkene heeft betoogd, bestaat geen grond, te minder nu niet aannemelijk is geworden dat de door KPMG aan betrokkene opgelegde maatregelen zijn geïnstigeerd door klaagster.

Evenmin is aannemelijk geworden dat klaagster aan betrokkene heeft toegezegd af te zien van een tuchtklacht dan wel dat klaagster zich zodanig heeft gedragen en/of uitgelaten dat betrokkene daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen ter zake mocht ontlenen. Aan zijn medewerking of dat van KPMG aan het onderzoek door klaagster kan dat niet worden ontleend, nu niet valt in te zien dat zij daaraan hun medewerking dienaangaande konden onthouden. Het betoog dat klaagster het vertrouwenbeginsel heeft geschonden,wordt dan ook verworpen.

In wat betrokkene heeft aangevoerd, ligt evenmin voldoende grond om tot de gevolgtrekking te komen dat klaagster niet, althans niet voldoende zorgvuldig jegens betrokkene heeft gehandeld, nog daargelaten de vraag of dat de door betrokkene bepleite conclusie kan dragen. Een verplichting tot horen dan wel tot het laten geven van een zienswijze alvorens een tuchtklacht in te dienen, is niet voorgeschreven; de verwijzing naar de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mist doel nu het gaat om een tuchtprocedure waarvoor in de Wtra een regeling is gegeven. Voorts valt, zoals overwogen, niet in te zien dat betrokkene zijn medewerking aan het onderzoek door klaagster naar de controle van de jaarrekening van Vestia over het boekjaar 2010 kon onthouden, terwijl, zoals eveneens al overwogen, aan Wta noch Wtra een beperking kan worden ontleend voor het indienen van tuchtklacht tegen een in het register ingeschreven (externe) accountant, behoudens de termijn ter zake, ook niet, zoals eveneens al overwogen, indien de klacht mede wordt gebaseerd op gegevens en inlichtingen die klaagster heeft verkregen bij de vervulling van haar toezichthoudende taak. Tot slot, dat klaagster - zonder noodzaak of grond of anderszins op ongeoorloofde wijze - zich over de controle van de verslaglegging door Vestia over het boekjaar 2010 in de media heeft uitgelaten, is niet aannemelijk geworden.

De conclusie uit het voorgaande is dat ook dit verweer geen stand houdt.

4.6 Wat betreft het verweer van betrokkene dat een deel van de door klaagster van betrokkene en/of KPMG verkregen informatie van het bewijs dient te worden uitgesloten, geldt het volgende.

4.6.1 Betrokkene heeft daartoe het volgende doen aanvoeren. Met een beroep op de artikelen 5:16 en 5:17 Awb heeft klaagster van KPMG (ook) kopieën van (elektronisch) opgeslagen gegevens en bescheiden gevorderd doch die artikelen bieden alleen een grondslag voor het vorderen van inlichtingen in mondelinge en schriftelijke vorm en voor het inzien van gegevens en het maken van kopieën. Dit is bevestigd in een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarna klaagster, getuige de informatie op haar website, haar werkwijze ook heeft aangepast. Nu de grondslag voor de informatie-verkrijging ontbrak en de vordering een onjuiste en onrechtmatige basis kende, dient die onrechtmatig verkregen informatie van het bewijs worden uitgesloten.

4.6.2 Klaagster heeft daartegen ingebracht dat de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam inmiddels afstand heeft genomen van de door betrokkene aangehaalde uitspraak en daartoe heeft overwogen dat de inlichtingenvordering van artikel 5:16 Awb een algemene bevoegdheid tot het vorderen van inlichtingen behelst, waarmee ook kopieën van stukken en bescheiden kunnen worden gevorderd. Overigens zou bewijsuitsluiting niet aan de orde zijn al om reden dat de gestelde onrechtmatigheid er niet toe heeft geleid dat klaagster meer of andere informatie heeft verkregen.

4.6.3 Gelet op de tekst van artikel 5:16 Awb (‘Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.’) en de door klaagster aangehaalde uitleg daarvan, waartegen van de zijde van betrokkene geen andere of nadere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die tot andere uitleg zouden nopen, kan niet tot de conclusie worden gekomen dat klaagster zonder wettelijke basis de informatie heeft verkregen waarvan zij zich in deze procedure bedient. Ook dit formele verweer moet worden gepasseerd.

4.7 Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet nu dit plaats had na 1 januari 2007, gezien de artikelen 25 Wta juncto 35 Bta, mede worden getoetst aan de sinds die datum geldende Verordening Gedragscode RA’s (hierna: VGC) en daarvan in het bijzonder het (voor alle register-accountants geldende) deel A en het (voor openbaar registeraccountants geldende) deel B1. Ingevolge artikel A-100.4 VGC heeft de accountant onder meer het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen. Uit die bepaling volgt onder meer dat een accountant een verklaring als hier aan de orde slechts kan afgeven indien is voldaan aan het vereiste dat een accountant slechts mededelingen doet omtrent de uitkomst van zijn arbeid indien zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen.

4.8 D e Accountantskamer stelt voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.9 De Accountantskamer ziet aanleiding om het vierde klachtonderdeel van klaagster als eerste te bespreken. In klachtonderdeel 3.1 sub 4. verwijt klaagster betrokkene dat hij heeft nagelaten tijdens zijn controle gebruik te maken van deskundigen op het gebied van derivaten en kostprijshedge accounting en dat hij zijn keuze onvoldoende heeft onderbouwd.

4.9.1 Klaagster heeft daartoe onder meer aangevoerd dat in paragraaf 7 van NVCOS 620 is bepaald dat indien deskundigheid op een ander gebied dan financiële verslaggeving of controle noodzakelijk is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen, de accountant dient vast te stellen of hij gebruik zal maken van de werkzaamheden van een door hem in te schakelen deskundige, waarbij onder meer de waardering van complexe financiële instrumenten wordt begrepen onder ‘op een ander gebied dan verslaggeving of controle’. De waardering van complexe financiële instrumenten wordt dan ook niet tot de specifieke deskundigheid van de accountant gerekend, terwijl gesteld noch gebleken dat betrokkene in zijn controleteam beschikte over dergelijke specifieke kennis. Daarnaast hadden de aard en omvang van de derivatenportefeuille voor betrokkene aanleiding moeten zijn een deskundige in te schakelen, te meer nu betrokkene had gekozen voor een gegevensgerichte aanpak hetgeen een nog grotere mate van deskundigheid bij de controlerend accountant veronderstelt. Tot slot was betrokkene op de hoogte van de inschakeling door de voorgaande accountant van een deskundige en van het feit dat die accountant op de werkzaamheden van die deskundige heeft gesteund. Niet gebleken is dat betrokkene deze keuze van de voorgaande accountant heeft betrokkene in zijn afweging of zijn team over de vereiste deskundigheid beschikte. De beslissing al dan niet deskundigen in te schakelen is een essentiële beslissing met betrekking tot de controle van de derivaten van Vestia. Had betrokkene wel een deskundige ingeschakeld dan zouden de sub 1. tot en met sub 3. bedoelde tekortkomingen in belangrijke mate kunnen zijn voorkomen. Gelet op een en ander heeft betrokkene gehandeld in strijd met artikel B1-210.7 VGC, paragraaf 19 van COS 220, paragrafen 15 en 17 van COS 200 en paragraaf 12 van COS 700.

4.9.2 Betrokkene heeft dit verwijt bestreden en daartoe aangevoerd dat hij had kennisgenomen van de twee recente en specifieke rapporten van Deloitte FAS van 11 augustus 2009 en 20 augustus 2010, welke rapportages klip en klaar bevestigden de juiste toepassing van kostprijshedge accounting door Vestia. Betrokkene mocht hier op vertrouwen. Er waren sinds die rapporten geen relevante wijzigingen opgetreden wat betreft de soorten derivaten, de hedge-documentatie en het financieel statuut. Om al deze redenen heeft betrokkene besloten te vertrouwen op de deskundigen die door de voorgaande accountant zijn ingeschakeld, op zijn eigen deskundigheid en die van zijn controleteam, en geen verdere specialisten in te schakelen. Onjuist is dat betrokkene de conclusies van Deloitte FAS klakkeloos heeft overgenomen; hij heeft gekeken naar de hedge-instrumenten en de effectiviteit, hij heeft gesproken met de voorgaande accountant onder meer over de verwerking van de derivaten en hij heeft de vergelijkende cijfers in de toelichting aangesloten op de jaarrekening 2009.

4.9.3 De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene heeft erkend dat hijzelf noch een ander lid van zijn controleteam beschikte over specifieke deskundigheid op het terrein van de derivaten. Betrokkene heeft voorts niet weersproken dat in het controledossier niet is vastgelegd dat en op welke grond(en) hij heeft afgezien van het inschakelen van een deskundige ten behoeve van zijn beoordeling van de waardering en verslaggeving van de derivaten. Indien betrokkene meende af te kunnen zien van zo’n deskundige, had een dergelijke vastlegging zonder meer van hem mogen worden gevergd, gelet alleen al op de aard en omvang van deze post. Indien betrokkene bij zo’n post meende te mogen steunen op de twee door de voorgaande accountant verkregen rapporten van Deloitte FAS had voorts van betrokkene mogen worden verwacht dat die rapporten in het controledossier 2010 zouden zijn opgenomen. De Accountantskamer stelt echter vast dat betrokkene heeft erkend dat die rapporten niet in het controledossier 2010 zijn opgenomen en ook niet worden genoemd in memo ‘510 Eerste uitvoering controleopdrachten’. Gelet op het ontbreken van enige aanwijzing in het dossier ter zake is dan ook niet overtuigend het betoog van betrokkene dat hij op de informatie uit die rapporten heeft gesteund. Zo betrokkene daar wel op heeft gesteund, is niet gebleken dat hij daar mee heeft mogen volstaan. De rapporten van Deloitte FAS zagen immers op de boekjaren 2008 en 2009 terwijl alleen al de omvang van de (gesaldeerde) derivaten-portefeuille in 2010 meer dan verdubbeld was, van € 4,49 miljard per ultimo 2009 tot € 9,94 miljard per ultimo 2010, de marktwaarde van de derivaten per ultimo was verslechterd tot € 557 miljoen negatief en Vestia om die reden was verplicht tot het afstorten van € 122,7 miljoen in depot tot zekerheid. Daar komt bij dat met name in het in overweging 2.8 bedoelde rapport van 20 augustus 2010 van Deloitte FAS enige ruimte lijkt te worden gelaten voor discussie over het antwoord op de vraag of voor alle derivaten kostprijshedge accounting kan worden toegepast. Van betrokkene had tegen die achtergrond zonder twijfel mogen worden verwacht dat hij en zijn team zelf (aanvullende) controlewerkzaamheden hadden verricht.

4.9.4 De conclusie uit het voorgaande is dat betrokkene vanwege de aard en de omvang van de derivatenportefeuille een of meer deskundigen had moeten inschakelen ten einde voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

4.10 Wat betreft het eerste klachtonderdeel betreffende de vaststelling van de juistheid en de volledigheid van de derivaten als weergegeven in overweging 3.1 geldt het volgende.

4.10.1 Onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen A-130.1 en A-150.1 van de VGC, paragraaf 6 van COS 500, paragrafen 15 en 17 van COS 200 en paragraaf 12 van COS 700 heeft klaagster aangevoerd dat betrokkene heeft nagelaten de juistheid en de volledigheid van de derivaten te controleren doordat hij niet de juistheid en volledigheid van het spreadsheet heeft vastgesteld terwijl hij dat bestand in zijn controle van de derivaten wel tot uitgangspunt heeft genomen. Klaagster heeft voorts gesteld dat de selectie van derivaten (de deelwaarneming) aan de hand waarvan hij zijn controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd, te beperkt is geweest. Betrokkene heeft slechts elf uit honderden derivatencontracten geselecteerd, waarvan er uiteindelijk slechts tien in de controle zijn betrokken, waarbij alleen minder risicovolle derivatencontracten zijn geselecteerd die bovendien ook nog alle een looptijd hebben die begint in 2010, terwijl er vele contracten zijn die een eerdere of latere ingangsdatum hebben. Dit vormt volgens klaagster geen steekproef aan de hand waarvan de volledigheid en de juistheid van de derivatencontracten van Vestia kunnen worden gecontroleerd. Daarnaast heeft betrokkene, als het gaat om de derivatencontracten binnen de deelwaarneming, geen voldoende controlewerkzaamheden uitgevoerd. De enige aantekeningen die daarover in het controledossier zijn aangetroffen, betreffen de aantekeningen op de contracten zelf. Die aantekeningen roepen meer vragen op dan ze beantwoorden. Uit die aantekeningen blijkt niet dat betrokkene de voorwaarden bij deze contracten heeft gecontroleerd, terwijl juist die voorwaarden van materieel belang zijn.

4.10.2 Betrokkene heeft bij wijze van verweer aangevoerd dat zijn controleteam uitgebreid kennis heeft genomen van de spreadsheet, dat niet alle onderdelen van die sheet relevant waren voor de controle, dat wel degelijk de juistheid van de aansluitingen tussen de verschillende registraties binnen Vestia zijn vastgesteld, waarbij is gesteund op de confrontatie tussen enerzijds de registratie van de derivatenportefeuille in het programma SG Treasury en anderzijds de registratie van de treasury front office, waaruit geen verschillen zijn gekomen. Om de juistheid van de registraties verder vast te stellen is aanvullend een deelwaarneming van tien derivatencontracten uitgevoerd. Tijdens de controle mocht worden gesteund op de functiescheiding en monitoring binnen de treasury; het bestaan en de werking daarvan is onder andere door waarneming op de werkplek van de betrokken functionarissen van Vestia vastgesteld. Betrokkene hoefde de rekenkundige juistheid van de spreadsheet niet vast te stellen, alleen de juistheid van de voor hem relevante tellingen en formules inzake de totalen die in de toelichting worden genoemd en van de tellingen waar de effectiviteitstoets en analyses inzake overhedging op waren gebaseerd. Betrokkene heeft daarnaast voldoende gedaan om geschikte controle-informatie te verkrijgen, te weten het doornemen van de jaarrekening 2009, het kennisnemen van het accountantsverslag en de managementletter over 2009, het kennisnemen van de twee rapportages van Deloitte FAS, het bespreken met de verantwoordelijk accountant over 2009 en het aansluiten van vergelijkende cijfers. De aanvullende deelwaarneming is tenslotte adequaat geweest; de COS geeft daaraan geen invulling. Gezien de bevredigende uitkomst van de confrontatie van SG Treasury met de spreadsheet en gelet op het gegeven het hier uitsluitend ging om de controle van een onderdeel van de toelichting, heeft betrokkene kunnen volstaan met aantal van tien te controleren posten. Het doel van de deelwaarneming was niet het controleren van de contractvoorwaarden maar het vaststellen van de juistheid van een aantal gegevens in de spreadsheet. De aantekeningen zijn afkomstig van het controleteam en zijn duidelijk. Betrokkene heeft zich geconcentreerd op de belangrijkste bepalingen, waaronder de bepalingen die zien op de margin call-verplichting. Betrokkene betwist dan ook de door klaagster getrokken conclusie. Wel is het zo dat de kwaliteit en structuur van de controledocumentatie van de door betrokkene en zijn medewerkers verrichte werkzaamheden beter had gemoeten.

4.10.3 Met klaagster is de Accountantskamer van oordeel dat, gelet op de erkenning van betrokkene dat hij is tekortgeschoten in de documentatie van zijn controlewerkzaamheden, weinig betekenis kan worden gehecht aan zijn stelling dat hij wel voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen over de volledigheid en de juistheid van de door Vestia vastgelegde derivatenportefeuille.

4.10.3.1 Wat betreft de controle van de spreadsheet geldt dat betrokkene niet heeft weersproken dat hij de betrouwbaarheid van de applicatie SG Treasury en de daarin opgenomen gegevens niet heeft beoordeeld. Dat betrokkene de gegevens in SG Treasury heeft aangesloten met die in de spreadsheet, is wel door hem gesteld met een beroep op een confrontatie tussen de twee registratiesystemen doch een onderbouwing daarvan door overlegging van enige vastlegging ter zake ontbreekt. Aan de niet weersproken omstandigheid dat er in de spreadsheet meerdere rekenkundige onjuistheden/onduidelijk-heden voorkomen, in het controledossier niet blijkt van enige signalering daarvan en in het dossier evenmin vastlegging is aangetroffen van een vaststelling van de juistheid van de door betrokkene relevant geachte tellingen en formules, kan evenmin steun worden ontleend voor het verweer van betrokkene. Nog daargelaten de vraag naar de relevantie daarvan is onvoldoende aannemelijk geworden dat betrokkene bij zijn controle van de spreadsheet kon steunen op de interne beheersing van de treasury organisatie; betrokkene heeft geen werkzaamheden gesteld ten aanzien van de werking van het treasuryproces, anders dan vaststellen wat daarover in het financieel statuut was opgenomen, terwijl hij niet heeft weersproken dat er geen vastleggingen zijn van (toetsing)werkzaamheden. Voorts staat vast dat in het overzicht van de marktwaarde van de derivaten - in ieder geval - niet voorkomen 18 derivaten met een nominale waarde van € 140 miljoen, gesloten met de Bank Nederlandse Gemeenten, terwijl die derivaten wel voorkomen in het spreadsheet. Niet gebleken is dat betrokkene dit verschil in registratie heeft gesignaleerd, laat staan dat hij zulks zichtbaar nader heeft onderzocht ten einde zo nodig conclusies te verbinden aan de betrouwbaarheid van de door Vestia aangehouden registraties.

4.10.3.2 Gelet op het gegeven dat in het boekjaar 2010 sprake is van 365 derivatencontracten (waaronder niet alleen reguliere ‘plain vanilla’ swap contracten doch ook meer complexe contracten aangaande zogenaamde gestructureerde derivaten zoals cancellable swaps en callable swaps en aangaande swaptions ofwel opties op swaps) met een (gesaldeerde) nominale waarde van € 9,9 miljard, mocht van betrokkene worden verwacht dat hij had toegelicht op welke criteria de selectie en de omvang daarvan van de derivatencontracten is gebaseerd en welke conclusie op basis van die selectie kan worden getrokken voor alle derivaten. Anders gezegd, betrokkene heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom een deelwaarneming van 10 contracten met een nominale waarde van € 800 miljoen, welke contracten bestonden uit 9 plain vanilla swap contracten en 1 callable swap contract, een adequate steekproef vormt waaruit ook een verantwoorde conclusie kan worden getrokken ten aanzien van de niet geselecteerde (soorten van) derivatencontracten.

4.10.3.3 Wat betreft de werkzaamheden binnen de deelwaarneming van de 10 derivaten-contracten kan evenmin tot de conclusie worden gekomen dat die met voldoende diepgang zijn uitgevoerd. Aan vastlegging daarvan is alleen voorhanden de met rode pen geplaatste omcirkelingen van bepaalde gegevens op de documenten en de tekst ‘inhoud conform document Treasury Swap 2010’. Niet is vastgelegd dat en op welke grond welke contractvoorwaarden wel en niet voldoende relevant waren voor de controle, wat te meer belang heeft nu betrokkene niet heeft weersproken dat op de tien onderzochte contracten niet steeds dezelfde gegevens zijn omcirkeld, hetgeen niet toegelicht is gebleven. Evenmin is aannemelijk geworden dat de wel door betrokkene relevant geachte contractvoorwaarden daadwerkelijk zijn vergeleken met wat daarover in het spreadsheet is opgenomen. Tot slot geldt dat betrokkene niet heeft weersproken dat hij geen aanvullende controlewerkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de verwijzing ‘non std deal refer to confirmation’ bij de weergave ‘fixing rate value’ in één van de contracten, terwijl die opmerking van belang kon zijn voor de juistheid van de spreadsheet aangaande dit contract.

4.10.4 De conclusie uit het voorgaande is dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen over de volledigheid en de juistheid van de door Vestia aangehouden derivaten, zodat onderdeel 1. van de klacht gegrond is.

4.11 Met haar tweede klachtonderdeel verwijt klaagster betrokkene dat hij de juistheid van de door Vestia toegepaste waarderingsmethode van de derivaten van kostprijshedge accounting niet, althans onvoldoende heeft gecontroleerd.

4.11.1 Klaagster heeft ter onderbouwing van dit verwijt samengevat het volgende aangevoerd. Kostprijshedge accounting mag alleen worden toegepast indien aan strikte voorwaarden is voldaan. Die strikte voorwaarden zijn bedoeld om misbruik van die waarderingsmethode te voorkomen. Voorkomen moet worden dat (negatieve) resultaten op een hedge-instrument als een derivaat in de jaarrekening verborgen blijven doordat ten onrechte kostprijshedge accounting wordt toegepast. De conclusie van betrokkene dat aan die voorwaarden is voldaan wordt echter niet onderbouwd met controle-informatie. In de eerste plaats blijkt dat Vestia ook gebruik heeft gemaakt van geschreven instrumenten, waaronder opties en swaptions. Uit RJ 290.605 blijkt echter dat geschreven instrumenten in beginsel niet geschikt zijn voor kostprijshedge accounting. Niet blijkt dat betrokkene deze strijdigheid heeft onderkend. In de tweede plaats geldt dat betrokkene niet heeft gecontroleerd of sprake is van bijzondere contractvoorwaarden, zoals ‘breaking clauses’ of ‘termination events’, en de eventueel daaruit volgende betekenis voor de waardering van de derivaten. Betrokkene heeft daardoor niet vastgesteld of de contractuele bepalingen van de derivaten een belangrijke invloed hebben op de omvang, het tijdstip en de mate van zekerheid van de kasstromen. Dat betekent dat betrokkene de effectiviteit van de derivaten en dus of deze de risico’s daadwerkelijk afdekken of verminderen niet heeft gecontroleerd, wat echter ingevolge RJ 290.605 en 606 wel een voorwaarde is. Ten derde heeft betrokkene niet gecontroleerd of de derivatencontracten voldoen aan de in RJ 290.609 neergelegde voorwaarde dat het ‘zeer waarschijnlijk’ is dat de leningen waar de derivaten-contracten betrekking op zouden moeten hebben, in de toekomst worden afgesloten. In de vierde plaats geldt dat niet is gebleken dat betrokkene controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd omtrent de voor toepassing van kostprijshedge accounting vereiste effectiviteitstoetsingen. In een dossiermemo, waarin de controle van de financiële instrumenten wordt beschreven, wordt, onder verwijzing naar het spreadsheet, slechts beschreven dat de vastlegging van de generieke documentatie plaatsvindt door de treasurer. Nog afgezien van het feit dat de spreadsheet niet kan worden aangemerkt als generieke documentatie in de zin van RJ 290.614, geldt dat betrokkene de gegevens in de spreadsheet niet heeft gecontroleerd op de voorwaarde dat er sprake moet zijn van effectieve hedges. Betrokkene heeft evenmin gecontroleerd of de meting van de effectiviteit door Vestia was verricht volgens de voorbeelden in RJ 290.616. Betrokkene heeft omtrent de toepassing van kostprijshedge accounting dan ook onvoldoende controlewerkzaamheden verricht voor het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie om de juistheid daarvan te controleren. Dat betekent ook dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze methode terecht door Vestia is toegepast. Betrokkene heeft daardoor volgens klaagster gehandeld in strijd met paragraaf 6 van COS 500, paragrafen 15 en 17 van COS 200 en paragraaf 12 van COS 700.

4.11.2 Betrokkene heeft ter afwering van dit verwijt samengevat het volgende aangevoerd. Ten onrechte wordt hem verweten dat hij onvoldoende heeft gecontroleerd of de waarderingsgrondslag die Vestia voor haar derivaten heeft gehanteerd, terecht is toegepast. Betrokkene heeft tot de conclusie kunnen komen dat Vestia aan de voorwaarden voldoet voor het mogen toepassen van kostprijshedge accounting, zoals omschreven in RJ 290. Vestia beschikte over generieke documentatie en een financieel statuut. De situatie in 2010 was niet anders dan in 2009. De door treasurer uitgevoerde effectiviteitstoets is beoordeeld aan de hand van de sheet ‘koppeling’ in het spreadsheet. Tevens is op die wijze beoordeeld de intern uitgevoerde toets op overhedge. Betrokkene heeft daarbij in aanmerking genomen dat een woningcorporatie als Vestia werkt met een zeer lange tijdshorizon voor zowel het vastgoedbezit als de financiering daarvan. Vanuit het scenario van ‘doorexploiteren & doorinvesteren’ was dan ook sprake van zeer waarschijnlijke kasstromen die zijn afgedekt. Ook de voorgaande accountant had zeer recent nog specifiek aandacht besteed in zijn controle aan de toepassing van kostprijshedge accounting, terwijl de door hem ingeschakelde deskundige van Deloitte FAS tot conclusie was gekomen dat die methode terecht door Vestia was toegepast. Klaagster beklaagt zich alleen over het niet toepassen van alineanummers 605, 606 en 609 van RJ 290. Deze nummers betreffen echter niet-stellige uitspraken, zodat betrokkene die bepalingen niet in zijn toetsing behoefde mee te nemen. Al om die reden faalt de klacht. Geschreven opties kunnen wel degelijk kwalificeren voor hedge accounting, terwijl Vestia een strategie had van het schrijven van opties in combinatie met afsluiten van interest rate swaps waardoor per saldo geen sprake was van geschreven opties. Behoudens ‘de exoten’ waren alle derivatencontracten standaard-contracten, waarbij ‘de exoten’ al voor 2010 waren afgesloten en al betrokken waren geweest in de controle door de voorgaande accountant. Er zijn wel degelijk werkzaamheden verricht betreffende de effectiviteitstoets, waarbij RJ 290.616, waarnaar klaagster verwijst, geen stellige uitspraak is en niet behoort tot het toepasselijke normenkader. Betrokkene kan dan ook de conclusie van klaagster niet delen.

4.11.3 De Accountantskamer stelt bij de beoordeling van dit onderdeel voorop dat ingevolge het in de artikelen 2:393, lid 3, jo 2:391, lid 3 BW, artikel 26 lid 2, aanhef en sub f, Bbsh, alinea 918 van RJ 290 en het in artikel 2:362 leden 1 en 4 BW neergelegde inzichtvereiste de op basis van kostprijshedge accounting buiten de balans gelaten derivatenportefeuille in het jaarverslag en in de jaarrekening van een behoorlijke toelichting diende te worden voorzien. Gelet op de omvang van die portefeuille en de daarmee gemoeide bedragen mogen de daaraan te stellen eisen geenszins te licht worden opgevat, hetgeen meebrengt dat evenmin te licht mag worden gedacht over de noodzaak om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen voor de beoordeling van die toelichting en daardoor het buiten de balans laten van die derivatenportefeuille.

4.11.3.1 Anders dan betrokkene heeft gemeend, behoorde van zijn toetsingskader mede deel uit te maken hetgeen in de alineanummers 605, 606, 609 en 616 van RJ 290 is verwoord. Dat geldt voor de alineanummers 605 en 609 al om reden dat in alinea 614, die een stellige uitspraak bevat, wordt voorgeschreven dat de hedge-instrumenten en afgedekte posities moeten voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in alinea 605 respectievelijk 609. Alinea 606 bevat de nadere duiding van alinea 605 als het gaat om de uitzondering van (per saldo) geschreven opties voor de aanwijzing als hedge-instrument zodat de Accountantskamer niet vermag in te zien dat betrokkene die alinea kon negeren. Alinea 616 is in zoverre relevant dat daarin voorbeelden voor het meten van de effectiviteit van hedge-accountingrelaties worden genoemd, tot welke meting alinea 614 noopt. Deze miskenning leidt ertoe dat al niet voor de hand ligt om aan te nemen dat betrokkene zijn controle van de door Vestia gekozen waarderingsmethode voor de derivaten met voldoende diepgang en breedte heeft opgezet en uitgevoerd.

4.11.3.2 Tegenover de gemotiveerde onderbouwing van de klacht van de klaagster dat de door betrokkene genoemde controlewerkzaamheden niet blijken uit het controledossier, heeft betrokkene onvoldoende aangedragen zodat de Accountantskamer dit voor juist houdt.

Daar komt bij dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene onderzocht heeft of de door Vestia geschreven opties op renteswaps, gelet op de expliciete uitzondering van (per saldo) geschreven opties voor de toepassing van kostprijshedge accounting, daadwerkelijk aangemerkt konden worden als hedge-instrument. In dat kader stelt de Accountantskamer vast dat betrokkene niet heeft weersproken dat Vestia deze opties blijkens het tabblad ‘koppeling’ in het spreadsheet niet in de door haar uitgevoerde effectiviteitstoets heeft meegenomen, hetgeen voor betrokkene te meer aanleiding had moeten zijn om (nadere) controlewerkzaamheden te verrichten. Daarenboven geldt dat die effectiviteitstoets niet verder is gegaan dan het jaar 2041, terwijl Vestia derivaten was aangegaan met een looptijd tot en met 2061. Betrokkene heeft niet weersproken dat hij dat niet heeft gesignaleerd en daar evenmin nader onderzoek naar is gedaan.

Het staat voorts vast dat betrokkene niet in zijn controle heeft betrokken of er in de derivatencontracten sprake is van bijzondere contractvoorwaarden die gevolgen konden hebben voor de waardering van de betreffende derivaten, bijvoorbeeld als gevolg van voortijdige beëindiging door de betrokken bank via uitoefening van een ‘breaking clause’ of na intreden van een ‘termination event’. De thans door betrokkene ingenomen stelling dat zulks niet in de weg staat om aan te nemen dat desondanks sprake is van een effectief hedge-instrument, ziet er ten onrechte aan voorbij dat in het controledossier niet blijkt van een analyse op dat punt met het oog op het afgeven van zijn verklaring.

Onweersproken is dat de rapportages van Deloitte FAS niet in het controledossier van betrokkene zijn aangetroffen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij controle-werkzaamheden heeft verricht ten einde - desondanks - op die rapporten te steunen. In dat rapport blijkt van ten minste één kanttekening over de toepassing van kostprijshedge accounting, waarna een beoordeling van Deloitte FAS volgt die leidt tot de conclusie dat toepassing van die methode toch verdedigbaar is. Niet gebleken is dat betrokkene enige aandacht heeft gehad voor deze kanttekening en de daarover gemaakte beoordeling, terwijl een en ander zag op de boekjaren 2008 en 2009 en niet op het boekjaar 2010 waar betrokkene zich op had te richten.

4.11.4 Het voorgaande leidt ertoe dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene ter beoordeling van de juistheid van de waardering van de derivaten van Vestia voldoende en geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht, zodat de Accountantskamer tot de conclusie komt dat ook dit onderdeel van de klacht gegrond is.

4.12 In haar klachtonderdeel sub 3. verwijt klaagster betrokkene dat hij onvoldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd ter controle van de toelichting van de derivaten van Vestia. Dat verwijt valt volgens klaagster uiteen in de volgende subverwijten, te weten: i) dat is nagelaten verschillende onderdelen in de toelichting op de jaarrekening aan te sluiten met achterliggende documenten, ii) dat voor andere onderdelen van de toelichting waarbij verwezen is naar achterliggende documenten, niet is gebleken dat dienaangaande controlewerkzaamheden zijn verricht en iii) dat in het verlengde daarvan is nagelaten te controleren of de toelichting op de derivaten in de jaarrekening voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften, zoals neergelegd in RJ 290.

4.12.1 Klaagster heeft daartoe aangevoerd dat verschillende onderdelen van de toelichting niet (zichtbaar) zijn gecontroleerd, terwijl die controle van groot belang is nu het gaat om derivaten die in de jaarrekening uitsluitend ‘off balance’ tot uitdrukking zijn gebracht. Uit RJ 290 volgt ook dat indien het gaat om niet in de balans opgenomen financiële instrumenten, zoals in dit geval de derivaten van Vestia, de juistheid en volledigheid van de toelichting op de jaarrekening van extra groot belang is om het maatschappelijk verkeer te informeren. Uit het ontbreken van iedere aantekening in het controledossier blijkt dat betrokkene niet heeft gecontroleerd de onderdelen van de toelichting ‘hedge-instrumenten’ en ‘kredietrisico’ en de teksten beginnend met ‘De interest rate swaps bestaan uit (…)’, ‘De gestructureerde producten bestaan voornamelijk uit (…)’ en ‘Het gebruik van derivaten resulteert (…)’. In de tweede plaats geldt dat waar voor de onderdelen in de toelichting wel is verwezen naar de achterliggende documenten er geen controlesporen zijn aangetroffen. Het gaat daarbij om de onderdelen van de toelichting: ‘Risicobeheer’, ‘Liquiditeitsrisico’, ‘Nominale waarden derivaten’, ‘Marktwaarde derivaten’, ‘€ 9,8 miljard’ en ‘Rentepercentage swaptions’. Ten derde geldt dat uit de door betrokkene gebruikte checklist en de daarin betreffende de financiële instrumenten gegeven antwoorden blijkt dat betrokkene onvoldoende aandacht heeft gehad voor en onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht om de voor de beantwoording vereiste controle-informatie te verkrijgen. Zo is evident onjuist het antwoord ‘N.v.t.’ op de vraag naar het voldoende toegelicht zijn van eventuele hedges nu Vestia juist wel kostprijshedge heeft toegepast. Belangrijker is echter nog het antwoord ‘ja’ op de op RJ 290.906 gebaseerde vraag naar het geven van inzicht in de omvang en aard van de financiële instrumenten, inclusief belangrijke contractuele bepalingen. In dit geval is niet gebleken van controlewerkzaamheden betreffende contractuele bepalingen in de derivatencontracten terwijl bijvoorbeeld ‘breaking clauses’ en ‘termination events’ consequenties kunnen hebben voor de liquiditeit en solvabiliteit van Vestia. In dit verband geldt voorts dat betrokkene ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen of Vestia in de toelichting terecht de nominale waarden van de derivaten uitsluitend gesaldeerd heeft weergegeven.

4.12.2  Betrokkene heeft ter afwering het volgende aangevoerd. Klaagster heeft verzuimd aan te geven welke aspecten van de toelichting een fout bevatten vanwege het feit dat betrokkene onvoldoende zou hebben gecontroleerd. Klaagster geeft verder een eigen invulling van de vereiste diepgang van de toelichtingsvereisten van RJ 290. Die invulling is niet relevant. Relevant is of betrokkene voldoende werkzaamheden heeft verricht om vast te stellen of de jaarrekening voldoet aan de minimaal daaraan te stellen eisen op grond van de stellige uitspraken van RJ 290. Betrokkene moest slechts toetsen of de keuzes die door de leiding van Vestia waren gemaakt bij de toelichting niet onredelijk waren, gezien de wettelijke bepalingen en de stellige uitspraken van RJ 290. Uit het controledossier blijkt wel degelijk dat en langs welke lijnen de toelichting op de financiële instrumenten is gecontroleerd, te weten: toetsing van de beheersaspecten aan het treasurystatuut, vaststelling van de consistentie van de aard en diepgang van de toelichting met die zoals opgenomen in de jaarrekening 2009, aansluiting van de cijfermatige elementen met de van Vestia afkomstige en gecontroleerde specificaties en toetsing van de consistentie van risicoaspecten aan het treasurystatuut en het treasuryverslag 2010. Er is dus wel degelijk sprake van een juiste en volledige controle van de genoemde onderdelen van de toelichting. Het feit dat niet alle informatie die intern voorhanden is, niet wordt gepubliceerd, is niet aan te merken als een discrepantie die door de accountant zou moeten worden gesignaleerd, besproken en gedocumenteerd. Betrokkene heeft wel voldoende werkzaamheden verricht ter aansluiting; verwezen kan worden naar zijn werkzaamheden betreffende de spreadsheet en de opgaven van banken aangaande marktwaarde-berekeningen, waarbij de aard en diepgang van de werkzaamheden met betrekking tot de controle van die berekeningen moeten worden bezien tegen de achtergrond dat het hier ging om een in de toelichting op te nemen bedrag. De checklist is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel om te beoordelen of de jaarrekening voldoet aan de relevante verslaggevingseisen, hetgeen wel degelijk adequaat is verwoord. Bij het door klaagster aangehaalde antwoord ‘n.v.t.’ is sprake van een documentatiefout, waarbij het selecteren van het juiste antwoord niet tot een andere actie van betrokkene zou hebben geleid. Anders dan klaagster stelt, voldoet de toelichting aan de verslaggevingsvoorschriften van RJ 290. De relevante informatie over de contractvoorwaarden is geaggregeerd weergegeven in de toelichting. Het belangrijkste risico voor Vestia was het liquiditeitsrisico dat kon voortvloeien uit margin calls. Dat risico is adequaat uiteengezet. De aard van de toelichting wijkt niet af van die over 2009. Voorts geeft de RJ aan dat een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds het overladen van de toelichting met detailinformatie en anderzijds een te hoog niveau van aggregatie. Betrokkene kon in redelijkheid komen tot de beoordeling van de toelichting zoals Vestia die heeft gemaakt. Klaagster stelt wel dat een toelichting op belangrijke contractuele bepalingen ontbreekt, maar die stelling is niet onderbouwd. Bij de beoordeling van de derivatenportefeuille is de ‘hedge-portfolio-gedachte’ toegepast. Indien swaps door het ‘tegensluiten’ daarvan werden geneutraliseerd, was het verdedigbaar een gesaldeerde presentatie van deze swaps in nominale waarde te geven. De bepalingen in RJ 290 verzetten zich ook niet tegen een dergelijke saldering. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

4.12.3 De Accountantskamer herhaalt hier wat zij al in overweging 4.11.3 heeft overwogen. Daaruit volgt dat vanwege het inzichtsvereiste de buiten de balans gelaten derivatenportefeuille van een behoorlijke toelichting moet worden voorzien, dat de daaraan te stellen eisen niet te licht mogen worden opgevat en dat evenmin te licht mag worden gedacht over de noodzaak om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen voor de beoordeling van die toelichting.

4.12.3.1 Uit wat betrokkene heeft aangevoerd, blijkt dat voor juist moet worden gehouden wat klaagster hem verwijt aan het niet (zichtbaar) aansluiten van meerdere onderdelen van de toelichting met achterliggende documenten. Betrokkene heeft immers niet weersproken dat op de door klaagster gestelde onderdelen niets specifieks is aangetroffen, ook niet van de door hem genoemde ‘lijnen waarlangs de toelichting is gecontroleerd’. Daar waar vastlegging ontbreekt, is niet overtuigend het betoog van betrokkene dat hij wel de vereiste werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij zijn stelling dienaangaande heeft betrokkene ook niet meer dan in zijn algemeenheid gesteld wat hij aan controlewerkzaamheden heeft verricht, zonder in te gaan op de door klaagster aangevoerde gedetailleerde bevindingen.

4.12.3.2 Wat betreft het subverwijt omtrent het niet aansluiten, geldt dat betrokkene onder meer niet duidelijk heeft gemaakt aan de hand waarvan hij de toelichting op het liquiditeitsrisico heeft beoordeeld. Het treasuryverslag bevat op dat punt meer informatie dan de toelichting. Gesteld noch gebleken is dat en zo ja welke aandacht betrokkene heeft geschonken aan dat informatieverschil. Voorts geldt dat betrokkene niet heeft gesteld, en dit is evenmin anderszins gebleken, welke controlewerkzaamheden hij heeft verricht aangaande de vermelding in de toelichting dat het liquiditeitsrisico dagelijks werd ‘gemonitord’. Voorts valt niet in te zien dat het overnemen van de eindsaldi uit jaarrekening 2009 als beginsaldi als een voldoende controle kan worden aangemerkt van de cijfermatige elementen van de toelichting. Er moet daarnaast worden vastgesteld dat betrokkene niet uiteen heeft gezet dat en zo ja op welke wijze hij heeft bezien of saldering van de nominale waarden van de derivaten voldeed aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Wat betreft de in de toelichting gegeven marktwaarde van de derivaten geldt dat betrokkene niet heeft weersproken dat hij de bankopgaven van Vestia heeft ontvangen en niet van de banken zelf, terwijl van betrokkene, alleen al vanwege de omvang van de daarmee gemoeide bedragen, had mogen worden verwacht dat hij zelf de opgaven van de banken had gevraagd. Daarnaast verdiende een aantal van die opgaven een nadere beoordeling. Zo betreft de opgave van de ABN AMRO uitsluitend een mailbericht houdende de mededeling dat de bij die bank aangehouden portefeuille een negatieve marktwaarde had van € 130 miljoen zonder dat blijkt op welke derivaten die opgaaf het oog heeft. Verder is één opgaaf (BNP Paribas Group) onleesbaar en zijn twee opgaven (Barclays Capital en Citigroup) incompleet. De bankopgaven van Deutsche Bank, ING en Nomura bevatten de bepaling dat daaraan geen zekerheid kon worden ontleend. Gesteld noch gebleken is dat betrokkene aan een en ander aandacht heeft geschonken. Evenmin is gebleken dat betrokkene heeft bezien of de waarden in de bankopgaven verifieerbaar en aanvaardbaar waren. Betrokkene heeft voorts niet gesteld op welke wijze hij de rekenkundige juistheid van de af te dekken positie van € 9,8 miljard heeft vastgesteld. Voorts heeft hij niet verduidelijkt hoe de tekst in de toelichting omtrent het rentepercentage van de swaptions van maximaal 4,5% voor een looptijd van 30 jaar kan bestaan naast het feitelijk gegeven dat in het spreadsheet meerdere swaptions zijn opgenomen met een hoger percentage dan 4,5% bij een looptijd van 30 jaar.

4.12.3.3 Aangaande het subverwijt dat onvoldoende is getoetst of de toelichting voldeed aan de verslaggevingsvoorschriften stelt de Accountantskamer vast dat betrokkene de vraag in zijn controledossier opgenomen checklist naar het voldoende toegelicht zijn van de hedges heeft beantwoord met ‘niet van toepassing’, wat een onbegrijpelijk antwoord is. Betrokkene stelt wel dat zulks een vergissing betreft doch het geeft steun aan de stelling van klaagster dat betrokkene onvoldoende aandacht heeft gehad voor de controle van de toelichting. Tegen die achtergrond is, met het ontbreken van iedere vastlegging ter zake en het uitblijven van de inschakeling van een deskundige ter zake, dan ook niet aannemelijk dat betrokkene heeft getoetst of het salderen van de derivatenportefeuille voldeed aan de daarvoor geldende voorwaarden, te weten: dezelfde tegenpartij, looptijd en hoofdsom. Dat RJ 290 salderen niet per definitie verbiedt, zoals betrokkene stelt, ziet daar ten onrechte aan voorbij.

4.12.4 Het voorgaande leidt ertoe dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene op alle onderdelen van de toelichting op de jaarrekening 2010 voldoende en geschikte controle-werkzaamheden heeft verricht, zodat de Accountantskamer tot de conclusie komt dat ook dit onderdeel van de klacht gegrond is.

4.13 De conclusie uit al het voorgaande is dat alle aan betrokkene gemaakte verwijten gegrond zijn. Daaruit volgt dat betrokkene de controle van de jaarrekening 2010 van Vestia met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling heeft gepland en uitgevoerd, als gevolg waarvan hij een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld.

4.14 Op grond van artikel 2 Wtra kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen maatregel houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de ernst van het verzuim van betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer rekent betrokkene zwaar aan dat voormelde verzuimen zich hebben voorgedaan bij de controle van de jaarrekening van een organisatie van openbaar belang in de zin van de Wta omtrent een post van zowel absoluut als relatief gezien zeer groot materieel belang. Van betrokkene had, gezien dat belang en het gegeven dat het hier ging om complexe materie die niet tot de reguliere of kernactiviteiten van Vestia behoorde, een hoge mate van oplettendheid en een vergaande professioneel-kritische instelling mogen worden verwacht. Dit geldt te meer nu hij noch KPMG als waarborg een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling op deze controle heeft willen inzetten. Door die mate van oplettendheid en professioneel-kritische instelling na te laten, heeft betrokkene op een niet te onderschatten wijze de in de VGC neergelegde fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden, welke schending in beginsel de maatregel van (tijdelijke) doorhaling had kunnen rechtvaardigen. De Accountantskamer weegt mee dat betrokkene als gevolg van de door KPMG opgelegde maatregelen en de publiciteit in de media over de onderhavige zaak ongetwijfeld al nadeel van aanmerkelijke betekenis heeft ondervonden, alsmede dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. De Accountantskamer acht - alles in aanmerking nemende - oplegging van de maatregel berisping passend en geboden.

4.15 Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5. Beslissing

De Accountantskamer:

·         verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond in voege als hiervoor weergegeven;

·         legt ter zake de maatregel op van berisping;

·         verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak èn de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. W.F. Boele en mr. H. de Hek (rechterlijke leden) en P.A.S. van der Putten RA en P. van de Streek AA, (accountantsleden) in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2013.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra, juncto artikelen 31 en 32 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, kunnen klaagster,   betrokkene dan wel de voorzitter van de NBA tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan hoger beroep instellen door het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, postbus 20021,

2500 EA te Den Haag. Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.

ACCOUNTANTSKAMER

NADERE BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 12/2221 Wtra AK van 26 augustus 2013 van

de stichting AUTORITEIT FINANCIËLE MARKTEN,

gevestigd te Amsterdam,

K L A A G S T E R ,

raadslieden: mr. R.W. Veldhuis en mr. M.L. Batting,

t e g e n

Y ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats],

B E T R O K K E N E ,

raadslieden: mr. W.F. Hendriksen en mr. S.A.G. Hoogeveen.

Nadere overwegingen

1. De Accountantskamer heeft in de onderhavige klachtzaak op 19 augustus 2013 een einduitspraak gewezen.

2. Bij op 20 augustus 2013 ingekomen faxbrief hebben de raadslieden van betrokkene erop gewezen dat in rechtsoverweging 4.14 van voormelde uitspraak een kennelijke verschrijving/vergissing is opgenomen door aldaar te vermelden dat Vestia een organisatie van openbaar belang zou zijn in de zin van de Wta. Namens betrokkene is verzocht deze rechtsoverweging te herzien.

3. De AFM heeft bij e-mailbericht van 20 augustus 2013 desverzocht aan de Accountantskamer laten weten geen bezwaar te hebben tegen een herziening van vermelde rechtsoverweging.

4. De Accountantskamer merkt op dat Vestia geen organisatie van openbaar belang is zoals gedefinieerd in de Wta; in zoverre betreft deze rechtsoverweging een kennelijke verschrijving. Met het aangehaalde zinsdeel in rechtsoverweging 4.14 van voormelde uitspraak heeft de Accountantskamer bedoeld aan te geven dat Vestia een organisatie van groot maatschappelijk belang is, waarvoor de wetgever in de artikelen 26 tot en met 29 van het Besluit beheer sociale-huursector onder meer de controle van de jaarstukken door een accountant heeft voorgeschreven.

5. Voormelde kennelijke verschrijving kan eenvoudig worden hersteld zonder dat voormelde essentie van de aangehaalde rechtsoverweging wijzigt. De Accountantskamer herstelt daarom als navolgt voormelde einduitspraak.

Beslissing

De Accountantskamer bepaalt dat de derde volzin van rechtsoverweging 4.14 in haar hiervoor aangehaalde einduitspraak dient te worden gewijzigd en als volgt komt te luiden:

“4.14 (…) De Accountantskamer rekent betrokkene zwaar aan dat voormelde verzuimen zich hebben voorgedaan bij de controle van de jaarrekening van een organisatie van groot maatschappelijk belang omtrent een post van zowel absoluut als relatief gezien zeer groot materieel belang.”.

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. W.F. Boele en mr. H. de Hek (rechterlijke leden) en P.A.S. van der Putten RA en P. van de Streek AA, (accountantsleden) in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2013.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________