Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TNORSHE:2020:2
Datum uitspraak:
20-01-2020
Datum publicatie:
14-02-2020
Zaaknummer(s):
SHE/2019/29
Onderwerp:
Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Klacht niet-ontvankelijk Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de vereffening van de nalatenschap van de broer. De notaris voert, onder verwijzing naar de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 13 juni 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:2259), aan dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De kamer volgt de notaris niet in zijn verweer. Anders dan de notaris meent, volgt uit de hiervoor aangehaalde beslissing dat slechts op het gebied van regels die de functie van een vereffenaar in algemene zin betreffen alleen de kantonrechter bevoegd is. Ten aanzien van overige klachten is dus in beginsel de tuchtrechter bevoegd. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de zeven klachtonderdelen zien op bedoelde algemene regels met betrekking tot de functie van een vereffenaar, is de kamer van oordeel dat klager in beginsel ontvankelijk is in deze klachtonderdelen.   De klachtonderdelen die betrekking hebben op de communicatie worden ongegrond verklaard. Vast is namelijk komen te staan dat de notaris steeds mondeling heeft gereageerd op vragen van klager en hem op de hoogte heeft gehouden van de afwikkeling van de nalatenschap. De kamer is (kort gezegd) van oordeel dat - hoezeer het wellicht ook aanbeveling verdient om mondeling overgebrachte informatie en antwoorden schriftelijk vast te leggen - de notaris niet is tekortgeschoten in de communicatie jegens klager.Het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de trage afwikkeling van de nalatenschap wordt eveneens ongegrond verklaard, omdat de omstandigheden die hebben geleid tot een vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap niet kunnen worden toegerekend aan de notaris.Ook het klachtonderdeel dat betrekking heeft op het niet verschijnen van de notaris q.q. in de door de zussen aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure wordt ongegrond verklaard. De notaris heeft terecht naar voren gebracht dat zijn verschijning in de gerechtelijke procedure onder de omstandigheden van het geval geen toegevoegde waarde zou hebben gehad. Sterker nog: de notaris zou daarmee een kostenverhoging teweeg hebben gebracht ten laste van de nalatenschap van de broer, hetgeen niet in het voordeel van klager en de zussen zou zijn geweest. Het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de gang van zaken rond de aan de makelaar verleende opdracht tot dienstverlening wordt ongegrond verklaard. De kamer acht de handelwijze van de notaris op dit punt niet klachtwaardig.  Ten slotte wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in een klachtonderdeel dat te laat is ingediend.

Klachtnummer    : SHE/2019/29

Datum uitspraak : 20 januari 2020

 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

 

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van:

 

 

[klager] (hierna: klager),

wonende in [woonplaats],

 

tegen

 

[de notaris](hierna: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats].

 

1.         De procedure

 

 

1.1.      Bij brief van 9 mei 2019 heeft klager een klacht geformuleerd tegen de notaris. Deze brief (met bijlagen) is op dezelfde datum door de kamer voor het notariaat (de kamer) ontvangen.

 

1.2.      Bij brief van 12 juni 2019 heeft de kamer een kopie van de klacht aan de notaris gezonden en hem verzocht om zijn standpunt binnen drie weken kenbaar te maken.

 

1.3.      De notaris heeft verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van een inhoudelijk verweer. De kamer heeft het verzochte uitstel verleend.  

 

1.4.      De notaris heeft bij brief van 24 juli 2019 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

 

1.5.      De klacht is behandeld tijdens de openbare zitting van de kamer van 18 november 2019, waarbij klager, de notaris en de heer mr. [naam] (medewerker van de notaris) zijn verschenen. Partijen hebben hun visie op de klacht over en weer toegelicht. Klager heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die hij aan de kamer heeft overhandigd.

 

2.         De feiten

 

2.1.       De moeder van klager (hierna: moeder) was gehuwd met de vader van klager (hierna: vader), welk huwelijk op [datum] 2004 is ontbonden door het overlijden van vader.

 

2.2.      Op [datum] 2008 is moeder overleden. Zij heeft haar drie dochters en twee zonen (hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen), onder wie klager, als haar enige erfgenamen achtergelaten.

 

2.3.      De erfgenamen hebben geprobeerd overeenstemming te bereiken over de verdeling van de nalatenschap van moeder. Toen deze overeenstemming niet kon worden bereikt, hebben de drie zussen van klager (hierna: de zussen) een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt tot onder meer verdeling van moeders nalatenschap. Naast klager en zijn broer is ook de echtgenote van klager in deze procedure betrokken.

 

2.4.      De rechtbank [naam rechtbank] heeft bij vonnis van 23 juni 2010 bepaald dat de tot de nalatenschap van moeder behorende onroerende zaak aan de [plaatselijke aanduidingen] (hierna: de boerderij) wordt toebedeeld aan de broer van klager, tegen een vergoeding aan de nalatenschap. Verder is bij het vonnis onder meer bepaald dat de verdeling van (een gedeelte van) moeders nalatenschap moest plaatsvinden ten overstaan van notaris mr. [naam] (hierna: de oud-notaris) en is mevrouw mr. drs. [naam] (hierna: [mr. X]) tot onzijdig persoon benoemd om klager te vertegenwoordigen als hij niet zou meewerken aan de verdeling.

 

2.5.      Op [datum] 2011 is de broer van klager (hierna: de broer) overleden. De broer heeft de zussen en klager als zijn enige erfgenamen achtergelaten. Als gevolg van het overlijden van de broer heeft de in het vonnis van 23 juni 2010 bepaalde toedeling van de boerderij aan de broer niet plaatsgevonden.

 

2.6.      De notaris is door de rechtbank [naam rechtbank] bij beschikking van 26 maart 2012 benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van de broer.

 

2.7.      Bij brief van 19 april 2012 heeft een medewerker van de notaris klager en de zussen geïnformeerd over de werkzaamheden van de notaris als vereffenaar en de te nemen stappen in de afwikkeling van de nalatenschap van de broer.

 

2.8.      De notaris heeft in zijn hoedanigheid van vereffenaar de kantonrechter van de rechtbank [naam rechtbank] op 7 november 2013 in kennis gesteld van de neerlegging van de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst inzake de nalatenschap van de broer. Tegen de uitdelingslijst zijn klager, de zussen, de partner van de broer en de oud-notaris in verzet gekomen. Bij beschikking van 28 november 2014 heeft de kantonrechter van genoemde rechtbank het verzet gegrond verklaard en de vereffenaar opgedragen een herziene rekening en verantwoording op te maken en de uitdelingslijst dienovereenkomstig aan te passen. Tegen de vervolgens door de notaris opgemaakte herziene rekening en verantwoording en uitdelingslijst is geen bezwaar gemaakt.

 

2.9.      De oud-notaris is eind 2013 betrokken geweest bij de verkoop van een perceel cultuurgrond, gelegen nabij de [plaatselijke aanduidingen], in de stukken aangeduid als “object 10” (hierna: object 10), dat tot de nalatenschap van moeder behoorde. Object 10 bestond uit drie (gedeeltelijke) kadastrale percelen. [Mr. X] heeft de koopakte in haar hoedanigheid van onzijdig persoon namens klager ondertekend en de notaris heeft de koopakte in zijn hoedanigheid van vereffenaar ondertekend.

 

2.10.     Op 27 november 2013 heeft de oud-notaris de akte van levering ten aanzien van object 10 gepasseerd. Ook bij het passeren van die akte heeft [mr. X] klager vertegenwoordigd en heeft de notaris zijn medewerking verleend in hoedanigheid van vereffenaar. In de akte is opgenomen dat na de levering een kadastrale opmeting van het geleverde zal plaatsvinden en dat ingeval van over-/ondermaat verrekening zal plaatsvinden op basis van de overeengekomen prijs per centiare. De oud-notaris heeft in verband met een mogelijke verrekening gelden in depot gehouden.

 

2.11.     Bij e-mailbericht van 17 september 2014 heeft de oud-notaris onder meer klager en de notaris laten weten dat het kadaster object 10 heeft uitgemeten. Verder heeft hij meegedeeld dat hij op basis van de tussen moeders erfgenamen en de kopers overeengekomen verrekening van over-/ondermaat een bedrag van € 355,03 aan ieder van de erfgenaam heeft uitbetaald.

 

2.12.     Met ingang van [datum] 2015 is de oud-notaris uit het ambt getreden. Notaris mr. [naam] (hierna: notaris 2) heeft zijn protocol overgenomen.

 

2.13.     Bij brief van 12 oktober 2015 heeft notaris 2 onder andere klager en de notaris meegedeeld dat de oud-notaris ten tijde van zijn e-mailbericht van 17 september 2014 in de onjuiste veronderstelling heeft verkeerd dat de grootte van object 10 definitief bekend was. Notaris 2 heeft de erfgenamen bericht dat inmiddels weliswaar nieuwe nummers waren toegekend aan de deelpercelen, maar dat de perceelgrootte door het kadaster nog niet definitief is vastgesteld. In deze brief staat, met uitzondering van hetgeen ter verduidelijking tussen haakjes [ ] is geplaatst, onder meer het volgende vermeld:

                      

“Inmiddels is echter gebleken, dat weliswaar aan de deelpercelen afzonderlijke nieuwe nummers zijn toegekend, maar dat de perceelsgrootte door het kadaster nog niet definitief is vastgesteld. Het gevolg van een en ander is, dat u door het kadaster bent uitgenodigd voor een aanwijziging van de perceelsgrens (de “aanwijs”).

 

Het lijkt mij goed, de hierdoor ontstane situatie voor alle betrokkenen in kaart te brengen.

 

Bij de aanwijs worden de verkopers alsmede de kopers uitgenodigd aanwezig te zijn.

Van (…) het kadaster heb ik begrepen dat alle betrokkenen, al dan niet bij machtiging, inmiddels zijn geweest ten behoeve van de aanwijs op de percelen, behoudens (…)[de notaris]als vereffenaar van de nalatenschap van (…)[de broer]en (…)[klager](…). Ik heb (…)[het kadaster]verzocht laatstbedoelden schriftelijk te benaderen met een termijn waarbinnen zij alsnog tot aanwijs kunnen overgaan.

Mochten laatstbedoelden besluiten definitief niet op de uitnodiging van het kadaster in te gaan dan zal door het kadaster een andere procedure worden gevolgd, te weten de zogenaamde “ter visie legging”. De tekening van de betrokken percelen zoals thans door (…)[het kadaster]zijn uitgemeten op basis van de aanwijs die reeds heeft plaats gevonden, zal alsdan naar alle betrokken partijen worden gestuurd. Indien binnen zes weken geen bezwaar wordt gemaakt op het toegezonden stuk vindt definitieve vaststelling van de perceelsgrenzen plaats.   

 

Indien mocht blijken dat het overgedragen perceel groter is dan in de mail van (…)[de oud-notaris]van 17 september 2014 aangegeven, dan dienen de kopers (…) op grond van de koopovereenkomst bij te betalen op basis van een prijs van € 6,16 per centiare. In dat geval zal naar alle erfgenamen, naar rato van hun erfdeel, een aanvullend bedrag worden overgemaakt. Mocht blijken dat het overgedragen perceel kleiner is dan thans (voorlopig) door het kadaster uitgemeten, dan zal de familie (…) een gedeelte van de reeds ontvangen koopsom aan de kopers terug dienen te betalen.

 

Wat betreft de positie van (…)[klager]en[mr. X]als onzijdig persoon, merk ik op dat beiden bevoegd zijn om bij de aanwijs aanwezig te zijn, ik adviseer hen dus om hierover onderling een afspraak te maken.

 

Tot nadere toelichting van het bovenstaande ben ik graag bereid.

Alhoewel de situatie niet door mijn toedoen is ontstaan, maak ik namens onze kantoororganisatie mijn excuses voor het door u ontstane ongemak.”

 

2.14.     Uit een door het kadaster opgemaakt relaas van bevindingen, dat is gedateerd 19 augustus 2015, maar waarin ook opmerkingen van een latere datum zijn opgenomen, volgt dat de grensvaststelling van object 10 is opgeschort, omdat klager “niet wil meewerken hieraan en ten alle tijden bezwaar maakt.” Voorts volgt uit dit relaas van bevindingen dat de notaris en [mr. X] ook niet aanwezig zijn geweest bij de aanwijs.

 

2.15.     Bij brief van 12 november 2015 heeft een medewerker van de notaris, met uitzondering van hetgeen ter verduidelijking tussen haakjes [ ] is geplaatst, het volgende aan klager te kennen gegeven:

 

“Terzake de vereffening van de nalatenschap van uw broer (…) hebt u mij nader geïnformeerd over de problematiek van de perceelsgrenzen met betrekking tot de levering[van object 10]welke plaats heeft gevonden bij (…)[de oud-notaris].

 

Vooralsnog ga ik er van uit dat de uiteindelijke levering conform de bedoeling van partijen is geweest en dat anders, voor zover voldoende relevant, bezwaar wordt gemaakt op dit door u geconstateerde punt.”

 

2.16.     Bij e-mailbericht van 13 mei 2016 heeft een medewerker van de notaris aan klager laten weten dat hij de bevestiging van de griffier van de rechtbank heeft ontvangen dat de nalatenschap van de broer mag worden afgewikkeld.

 

2.17.     Bij e-mailbericht van 3 juni 2016 heeft een medewerker van de notaris onder meer het volgende aan klager bericht:

 

“Inzake de uitkering van uw aandeel in de nalatenschap van uw broer stel ik voor om een bedrag van

€ 50.000,-- als voorschot uit te keren.

 

Indien we feitelijk kijken naar het volgens de uitdelingslijst te verdelen bedrag € 328.322,44 minus de openstaande vordering op de nalatenschap van uw moeder (…) dan valt op dat een gedeelte van uw rechten bestaat uit een vorderingsrecht dat pas uitgekeerd kan worden nadat alle registergoederen behorend tot de nalatenschap van uw moeder verkocht en geleverd zijn, nu zijn de rechten in de registergoederen nog niet in geld uit te keren.

 

Daarnaast is nog geen aanslag inzake de erfbelasting vastgesteld, uitkeringen ook het voorschot dient dus gedaan te worden onder de afspraak dat de uitbetalingen zullen moeten worden terugbetaald voor zover de vaststelling van de erfbelasting meer zou bedragen dan de post in de uitdelingslijst. Vooralsnog ga ik zeker niet uit van een hogere aanslag erfbelasting en daarom lijkt mij uitkering van gemeld bedrag ad € 50.000,-- verantwoord.

 

(…)”

 

2.18.     Klager is akkoord gegaan met het door de notaris voorgestelde voorschot inzake de nalatenschap van de broer.

 

2.19.     Bij e-mailbericht van 8 juni 2016 heeft een medewerker van de notaris aan klager bevestigd dat het voorschot van € 50.000,-- de volgende dag aan hem zal worden overgemaakt.

 

2.20.     Bij e-mailbericht van 13 juni 2016 heeft klager een aantal vragen gesteld aan de notaris over de afwikkeling van de nalatenschap van de broer.

 

2.21.     In september 2016 hebben de zussen klager en de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de broer gedagvaard en onder meer het volgende gevorderd:

-         veroordeling van klager om zijn medewerking te verlenen aan de aanwijs van de grenzen van object 10 conform de voorlopige vaststelling door het kadaster;

-         te bepalen dat de boerderij dient te worden verkocht;

-         te bepalen op welke wijze verkoop van de boerderij dient plaats te vinden; en

-         veroordeling van klager om aan de verkoop en levering van de boerderij mee te werken.

De notaris is in deze procedure niet verschenen.

 

2.22.     Bij vonnis van de rechtbank [naam rechtbank] van 22 maart 2017 is klager veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de aanwijs van de grenzen van object 10 conform de voorlopige vaststelling door het kadaster en is verder onder meer bepaald dat de boerderij verkocht dient te worden middels tussenkomst van de in het vonnis genoemde makelaar. Bij dit vonnis is klager eveneens veroordeeld aan de verkoop en levering van de boerderij mee te werken.

 

2.23.     Bij e-mailbericht van 19 april 2017 heeft klager een aantal vragen gesteld aan de notaris over de afwikkeling van de nalatenschap van de broer.

 

2.24.     Klager en de zussen hebben de door de rechtbank in het vonnis van 22 maart 2017 genoemde makelaar opdracht gegeven diensten te verlenen bij de verkoop van de boerderij.

 

2.25.     Bij brief van 20 februari 2019 heeft klager de notaris, met uitzondering van hetgeen ter verduidelijking tussen haakjes [ ] is geplaatst, onder meer het volgende medegedeeld:

 

“Ik heb vernomen dat u zeer binnenkort een koopovereenkomst ter ondertekening voorgelegd krijgt inzake “de boerderij” uit de nalatenschap van onze ouders. De betrokken makelaar doet het voorkomen dat dit voor u als vereffenaar slechts een formaliteit is.

Dit verbaasd mij omdat u niet eens opdracht gegeven hebt tot verkoop terwijl de makelaar in ieder geval door mij op de erfrechtelijke situatie over de nalatenschap van (…)[de broer]gewezen is door toezending van de verklaring van erfrecht.

De geschiedenis lijkt zich te gaan herhalen.

 

De opdrachten tot verkoop aan de makelaar stuur ik u per mail via “mail forward”, voor het geval u deze nog niet bekend zijn.

Ikzelf heb voor de opdracht gebruik gemaakt van het voorstel dat de makelaar eerder heeft gemaakt in de lijn van het proces verbaal dat is opgemaakt tijdens de zitting van 8 februari 2017 waarbij u afwezig was.

Mijn zussen hebben, na eerdere aanvaarding van dit voorstel door hun advocaat (…), gekozen voor een afwijkende opdracht waarin geen resultaatverplichting voor de makelaar meer is opgenomen wegens een mogelijke aanpassing (verhoging) van de vraagprijs indien er twee bouwtitels te verkrijgen zijn.

 

Door tegeldemaking van “de boerderij” wordt ik ernstig geschaad in mijn belangen, zowel als erfgenaam van onze ouders en ook als erfgenaam van de nalatenschap van (…)[de broer].

Ik verzoek u om niet met de koopovereenkomst akkoord te gaan zodat mijn recht op verhaal op delen van “de boerderij” mogelijk blijft.

 

(…)”

 

2.26.     Op 27 februari 2019 hebben de notaris en zijn medewerker met klager gesproken over de verkoop en levering van de boerderij aan een potentiële koper. De notaris heeft klager medegedeeld dat hij in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de broer zou meewerken aan verkoop en levering van de boerderij aan de betreffende potentiële koper.

 

2.27.     Inmiddels heeft de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar meegewerkt aan de verkoop en levering van de boerderij. De levering van de boerderij heeft in juni 2019 plaatsgevonden. Klager is hierbij vertegenwoordigd door een onzijdig persoon. Het deel van de verkoopopbrengst dat in de nalatenschap van de broer viel, is in vier gelijke delen aan klager en de zussen overgemaakt.

 

3.         De klacht

 

3.1.      Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de vereffening van de nalatenschap van de broer. De klacht valt (kort gezegd) uiteen in de volgende onderdelen.

1.      De notaris heeft bij e-mailbericht van 13 mei 2016 laten weten dat hij toestemming van de rechtbank had om de nalatenschap van de broer af te wikkelen. Ten tijde van het indienen van het klaagschrift was de nalatenschap nog steeds niet afgewikkeld en had klager hierover zelfs geen enkele informatie meer ontvangen.

2.      Bij e-mailbericht van 13 juni 2016 heeft klager de notaris om informatie gevraagd over de afwikkeling van de nalatenschap van de broer. De notaris heeft hierop niet gereageerd.

3.      Bij e-mailbericht van 19 april 2017 heeft klager de notaris wederom gevraagd om informatie over de afwikkeling van de nalatenschap van de broer. De notaris heeft hierop evenmin gereageerd.

4.      De notaris heeft niet adequaat gehandeld ten aanzien van de problematiek van de perceelgrenzen van object 10.

5.      De notaris is ten onrechte niet verschenen in de in september 2016 door de zussen jegens klager en de notaris q.q. aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure.

6.      De notaris is niet gevraagd om akkoord te gaan met de aan de betreffende makelaar gegeven opdracht tot dienstverlening bij de verkoop van de boerderij. De notaris heeft dit ten onrechte laten gebeuren.

7.      De notaris heeft toegezegd dat hij klager zijn overwegingen om mee te werken aan de verkoop en levering van de boerderij schriftelijk zou uitleggen. Deze schriftelijke uitleg heeft klager niet ontvangen.

 

3.2.      De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.

 

4.         De beoordeling

 

Ter zitting door klager ingediende bijlagen

 

4.1.      Ter zitting heeft klager nieuwe bijlagen aan de kamer overhandigd. Aangezien deze bijlagen te laat zijn ingediend en de notaris ingeval van toelating van deze bijlagen in zijn procesrechtelijke belangen zou worden geschaad, heeft de kamer besloten deze bijlagen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de klacht.

 

Klacht tegen notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar

 

4.2.      De notaris voert, onder verwijzing naar de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 13 juni 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:2259), aan dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Ter zitting heeft de notaris desgevraagd toegelicht dat de vereffening van de nalatenschap wordt beheerst door bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van die bepalingen en op grond van genoemde beslissing had klager volgens de notaris alle zeven klachtonderdelen eerst bij de kantonrechter aan de orde moeten stellen, voordat hij deze klachtonderdelen door de kamer kan laten behandelen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou een klager tegen een notaris-vereffenaar klachten kunnen indienen bij de tuchtrechter, van welke uitzonderlijke gevallen in dit geval geen sprake zou zijn.

 

4.3.      De kamer volgt de notaris niet in zijn verweer en overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts-)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

 

4.4.      Het gerechtshof Amsterdam heeft in genoemde beslissing geoordeeld “dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.” In de betreffende zaak had de notaris, net als in deze procedure, gehandeld in hoedanigheid van vereffenaar. Naar het oordeel van het gerechtshof “houden de gedragingen van een vereffenaar voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich voor zijn handelen als vereffenaar tuchtrechtelijk moet verantwoorden. Hierop dient een uitzondering te worden gemaakt voor de regels die de functie van een vereffenaar in algemene zin betreffen. Op dat gebied is de kantonrechter bevoegd.”

Anders dan de notaris meent, volgt uit de hiervoor aangehaalde beslissing dat slechts op het gebied van regels die de functie van een vereffenaar in algemene zin betreffen alleen de kantonrechter bevoegd is. Ten aanzien van overige klachten is dus in beginsel de tuchtrechter bevoegd. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de zeven klachtonderdelen zien op bedoelde algemene regels met betrekking tot de functie van een vereffenaar, is de kamer van oordeel dat klager ontvankelijk is in deze klachtonderdelen.    

 

Ter zitting ingediende klachten

 

4.5.      Voor zover klager ter zitting nieuwe klachten naar voren heeft gebracht, overweegt de kamer dat uit het bepaalde in artikel 9 van het Reglement omtrent de werkwijze van de kamers voor het notariaat (zoals bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Besluit op het notarisambt) volgt dat ter zitting de klacht niet meer kan worden uitgebreid door het stellen van nieuwe klacht(onderdel)en. Indien een klager na indiening van het klaagschrift nieuwe klachten wenst in te dienen, zal hij hiervoor op grond van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van genoemd reglement een apart klaagschrift moeten indienen en opnieuw griffierecht moeten betalen, alvorens de kamer bedoelde klachten in behandeling neemt. Klager zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de ter zitting ingediende klachten. Hierna zal de kamer ingaan op de bij klaagschrift ingediende klacht, die uiteenvalt in de hiervoor onder 3.1. opgesomde onderdelen.

 

Klachtonderdeel 1 (voor zover deze betrekking heeft op communicatie) en klachtonderdelen 2, 3 en 7 (communicatie)

 

4.6.      Klachtonderdeel 1 (deels) en klachtonderdelen 2, 3 en 7 zien op de communicatie tussen de notaris en klager. Volgens klager is de notaris tekort geschoten in zijn communicatie jegens klager door:

i) niet schriftelijk te reageren op de e-mailberichten van klager van 13 juni 2016 en 19 april 2017;

ii) na 13 mei 2016 geen informatie meer te verstrekken over de stand van zaken met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van de broer;

iii) ondanks gedane toezegging geen schriftelijke uitleg aan klager te geven met betrekking tot de overwegingen van de notaris om mee te werken aan de verkoop en levering van de boerderij.

 

4.7.      De notaris heeft erkend dat hij ten aanzien van de hiervoor onder i en iii genoemde punten niet schriftelijk heeft gecommuniceerd met klager. De notaris voert echter aan dat de beantwoording van de onder i genoemde e-mailberichten steeds heeft plaatsgevonden in een gesprek en hij zijn overwegingen om mee te werken aan de verkoop en levering van de boerderij eveneens in een gesprek aan klager heeft medegedeeld. Ten aanzien van het onder ii genoemde punt voert de notaris aan dat er veel gesprekken met klager hebben plaatsgevonden over de stand van zaken met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van de broer. In deze gesprekken is klager er volgens de notaris telkens op gewezen dat het wachten was op de verkoop en levering van de boerderij. De notaris wijst in dit verband ook op de e-mailcorrespondentie tussen hem en klager die begin juni 2016 heeft plaatsgevonden.

 

4.8.      De kamer overweegt het volgende. Klager heeft niet weersproken dat de notaris zijn e-mailberichten steeds in een gesprek heeft beantwoord, de notaris hem ook steeds mondeling op de hoogte heeft gehouden van de stand van zaken in de afwikkeling van de nalatenschap van de broer en de notaris hem mondeling heeft uitgelegd wat zijn overwegingen waren om mee te werken aan de verkoop en levering van de boerderij. Daarmee is komen vast te staan dat de notaris steeds heeft gereageerd op vragen van klager en hem op de hoogte heeft gehouden van de afwikkeling van die nalatenschap. De kamer is van oordeel dat - hoezeer het wellicht ook aanbeveling verdient om mondeling overgebrachte informatie en antwoorden schriftelijk vast te leggen - de notaris niet is tekortgeschoten in de communicatie jegens klager. Voor zover klager, naast de mondelinge reacties/informatieverstrekking van de notaris, behoefte had aan een schriftelijke bevestiging hiervan, had het op de weg van klager gelegen om de notaris hiervan op de hoogte te brengen en hem - bij uitblijven van een schriftelijke bevestiging - daaraan te herinneren. Door dit niet te doen, heeft klager de notaris niet alsnog de kans gegeven om aan zijn wens tot schriftelijke vastlegging van reacties/informatieverstrekking te voldoen.

 

4.9.      Op grond van wat hiervoor is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 1 (voor zover deze betrekking heeft op communicatie) en klachtonderdelen 2, 3 en 7 zullen daarom ongegrond worden verklaard.

 

Klachtonderdeel 1 (voor zover deze betrekking heeft op de trage afwikkeling van de nalatenschap)

 

4.10.     Klager ging er op basis van het e-mailbericht van de notaris van 13 mei 2016 naar eigen zeggen van uit dat de nalatenschap van de broer snel zou worden afgewikkeld. Ruim drie jaren later was dit echter nog steeds niet gebeurd. De nalatenschap is volgens klager te traag afgewikkeld.

 

4.11.     De notaris voert aan dat de afwikkeling van de nalatenschap van de broer weliswaar veel tijd heeft gekost, maar dat de oorzaken van deze trage afwikkeling niet aan de notaris kunnen worden verweten.

 

4.12.     De kamer volgt de notaris in zijn verweer. Hierbij spelen met name de volgende omstandigheden een rol.

-         Het erfdeel van de broer in de nalatenschap van moeder behoorde mede tot de nalatenschap van de broer, zodat de nalatenschap van de broer pas helemaal kon worden afgewikkeld, nadat de nalatenschap van moeder was afgewikkeld.

-         De boerderij behoorde tot moeders nalatenschap. Vaststaat dat moeders erfgenamen het niet eens konden worden over de afwikkeling van moeders nalatenschap ten aanzien van onder meer de boerderij. Als gevolg hiervan zijn meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.

-         De rechter heeft uiteindelijk op 22 maart 2017 bepaald dat en op welke wijze de boerderij verkocht moest worden.

-         Klager heeft niet weersproken dat de boerderij vervolgens lang te koop heeft gestaan wegens de slechte woningmarkt. Levering van de boerderij heeft in juni 2019 plaatsgevonden.

Deze omstandigheden hebben geleid tot een vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap van de broer. Zij kunnen echter niet worden toegerekend aan de notaris. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de notaris klager in juni 2016 een voorschot van €  50.000,-- heeft uitgekeerd inzake zijn aandeel in de nalatenschap van de broer, is de kamer van oordeel dat de notaris voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van de broer. Klachtonderdeel 1 (voor zover deze betrekking heeft op de trage afwikkeling van de nalatenschap) zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

Klachtonderdeel 4 (problematiek perceelgrenzen object 10)

 

4.13.     Op 27 november 2013 heeft de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar meegewerkt aan de levering van object 10. Nadien zijn er problemen ontstaan over de perceelgrenzen van object 10. Klager verwijt de notaris dat hij ten aanzien van deze problematiek naliet te reageren of een standpunt in te nemen. Klager wijst daarbij op de brief van de notaris van 12 november 2015.

 

4.14.     De kamer overweegt dat volgens artikel 99 lid 21 Wna voor de indiening van een klacht een vervaltermijn geldt. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

De kamer stelt vast dat klager, zoals hij zelf aangeeft, bij brief van 12 november 2015 ermee bekend is geworden dat de notaris in de perceelgrenzenproblematiek “niet genegen was om te reageren of een standpunt in te nemen”. Op grond hiervan is de kamer van oordeel dat eerder genoemde vervaltermijn van drie jaren in ieder geval is gaan lopen toen klager deze brief ontving, dus kort na 12 november 2015. Klager was vanaf dat tijdstip bekend met de feiten waarover hij de notaris nu verwijten maakt. Dat klager mogelijk pas later tot het inzicht is gekomen dat het handelen dan wel nalaten van de notaris onjuist was, doet daaraan niets af.

Aangezien de klacht op 9 mei 2019 is ingediend, is de klachttermijn als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna overschreden. Klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in klachtonderdeel 4.

 

Klachtonderdeel 5 (niet verschijnen in gerechtelijke procedure)

 

4.15.     Klager verwijt de notaris dat hij niet is verschenen in de onder 2.21. genoemde procedure en daarmee de belangen van klager in de nalatenschappen van zijn ouders en de broer ernstig heeft geschaad.

 

4.16.     De notaris voert aan dat hij als vereffenaar in de nalatenschap van de broer geen reden had om aan te nemen dat de nalatenschap van de broer gebaat zou zijn bij zijn verschijning in de door de zussen aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure.

 

4.17.     De kamer deelt het standpunt van de notaris. Bij dit oordeel is met name het volgende van belang.

-         Vaststaat dat klager en de zussen, zijnde de erfgenamen van de broer, wél in de gerechtelijke procedure zijn verschenen en dat zowel klager als de zussen zich hebben laten bijstaan door een advocaat.

-         Klager heeft niet weersproken dat hij en de zussen hun visie goed naar voren hebben kunnen brengen over onder meer de aanwijs van object 10 en de verkoop van de boerderij.

-         De notaris kon zich naar eigen zeggen vinden in de door de zussen jegens klager en/of de notaris q.q. ingestelde vorderingen.

De notaris heeft terecht naar voren gebracht dat zijn verschijning in de gerechtelijke procedure onder deze omstandigheden geen toegevoegde waarde zou hebben gehad. Sterker nog: de notaris zou daarmee een kostenverhoging teweeg hebben gebracht ten laste van de nalatenschap van de broer, hetgeen niet in het voordeel van klager en de zussen zou zijn geweest.  

 

4.18.     In het licht van het voorgaande en omdat klager niet heeft geconcretiseerd op welke wijze zijn belangen zijn geschaad, mist klachtonderdeel 5 feitelijke en juridische grondslag. Klachtonderdeel 5 zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

Klachtonderdeel 6 (opdracht tot dienstverlening aan makelaar)

 

4.19.     Klager en de zussen hebben de in het vonnis van de rechtbank van 22 maart 2017 genoemde makelaar opdracht gegeven diensten te verlenen bij de verkoop van de boerderij. Aan de notaris is geen akkoord gevraagd. Klager verwijt de notaris dat hij dit in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de broer heeft laten gebeuren. Hierdoor heeft de makelaar zijn eerste voorstel tot verkoop zonder toestemming van klager kunnen wijzigen en is de boerderij uiteindelijk geleverd onder het minimumbedrag dat de makelaar in dat eerste voorstel had genoemd.

 

4.20.     De notaris voert aan dat hij op basis van en conform het vonnis van de rechtbank van 22 maart 2017 in zijn hoedanigheid van vereffenaar heeft meegewerkt aan de verkoop en levering van de boerderij.

 

4.21.     De kamer overweegt het volgende. Vaststaat dat de notaris heeft meegewerkt aan de verkoop en levering van de boerderij. Voorts staat vast dat klager voorafgaand aan de verkoop en levering zijn bezwaren - met betrekking tot in ieder geval de aan de makelaar verstrekte opdracht - aan de notaris kenbaar heeft gemaakt en dat de notaris aan klager heeft uitgelegd waarom hij desondanks in zijn hoedanigheid van vereffenaar zou meewerken aan de verkoop en levering van de boerderij. Door deze medewerking heeft de notaris ingestemd met de uiteindelijke verkoopprijs. Tegen die medewerking is dit klachtonderdeel niet gericht. De gang van zaken rond de aan de makelaar verleende opdracht tot dienstverlening kan in het midden blijven. De kamer acht de handelwijze van de notaris op dit punt niet klachtwaardig en zal klachtonderdeel 6 ongegrond verklaren. 

 

5.        De beslissing

 

De kamer:

 

5.1.      verklaart de uitbreiding van de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze ter zitting is gedaan;

 

5.2.      verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 4 zoals hiervoor weergegeven onder 3.1.;

 

5.3.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. C. Kool, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend rechterlijk lid en mr. S. Lettinga, plaatsvervangend notarislid.

 

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2020 door mr. W.F.J. Aalderink, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens