Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORSHE:2017:11 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/123 SHE/2016/124

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2017:11
Datum uitspraak: 04-04-2017
Datum publicatie: 10-04-2017
Zaaknummer(s):
  • SHE/2016/123
  • SHE/2016/124
Onderwerp: Overig
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Verzoek tot wraking van twee notarisleden, die in dezelfde gemeente gevestigd zijn als de kandidaat-notaris die om ontheffing van maximale waarnemingstermijn heeft gevraagd ex art. 29, lid 4, Wna. Wettelijk kader van dergelijk verzoek. Hoewel de wrakingskamer geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de persoonlijke instelling van de twee notarisleden en aangenomen wordt dat zij, zoals zij hebben gesteld, als ondernemer (voor een belangrijk deel) een ander marktsegment bedienen dan de kandidaat-notaris, gaat de wrakingskamer er vanuit dat beide kantoren zich richten op cliënten uit dezelfde gemeente en regio. De kandidaat-notaris heeft onweersproken gesteld dat zijn kantoor een grote speler is op de aanbodmarkt voor notariële diensten in de betreffende regio, zodat geenszins kan worden uitgesloten dat de kandidaat-notaris en de notarisleden in “dezelfde vijver vissen”. De wrakingskamer acht de door de kandidaat-notaris geuite vrees dat de eigen (commerciële) belangen van de notarisleden enige rol zouden kunnen spelen bij de beoordeling van zijn ontheffingsverzoek dan ook objectief gerechtvaardigd, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat hij onweersproken heeft gesteld dat de notarisleden eerder een afwijzende beslissing hebben gegeven naar aanleiding zijn vorige soortgelijke verzoek. Nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, worden de verzoeken tot wraking toegewezen.

Dossiernummers : SHE/2016/123 en SHE/2016/124

Datum uitspraak : 4 april 2017  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

De wrakingskamer neemt de volgende beslissing naar aanleiding van het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 100 van de Wet op het notarisambt (Wna) in de procedure tot behandeling van het verzoek van 29 november 2016 tot verlenging van de benoeming tot waarnemer van het vacante protocol van mr. [O] te [Q] ingaande 1 januari 2017, welk verzoek is gedaan door:

kandidaat-notaris de heer mr. [KN] (hierna: mr. [KN]),

werkzaam in [Q],

advocaat: mr. G.L. Maaldrink uit Den Haag,

strekkende tot wraking van:

notaris mevrouw mr. [X] (hierna ook: mr. [X]),

in haar hoedanigheid van notarislid van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag,

en

notaris mevrouw mr. [Y] (hierna ook: mr. [Y]),

in haar hoedanigheid van plaatsvervangend notarislid van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag.

1.          Het procesverloop

1.1.       Op 14 december 2016 heeft ter zitting van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna ook: de kamer Den Haag) de mondelinge behandeling plaatsgevonden van bovengenoemd verzoek tot verlenging van de benoeming tot waarnemer van mr. [KN]. Bij aanvang van de behandeling heeft mr. [KN] een mondeling verzoek gedaan tot wraking van mr. [X] en mr. [Y], die in hun hoedanigheid van (plaatsvervangend) notarislid van de kamer Den Haag bij de behandeling aanwezig waren. De gronden voor de wraking zijn uiteengezet in een schriftelijk stuk, dat ter zitting is voorgelezen en aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer Den Haag is overhandigd. Vervolgens heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer Den Haag de zitting geschorst. Een kopie van het schriftelijke stuk van mr. [KN] is aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehecht.

1.2.       Mr. [X] en mr. [Y] (hierna ook gezamenlijk aan te duiden als “de notarisleden”) hebben niet in de wraking berust, waarna de kamer Den Haag de president van het gerechtshof Amsterdam heeft verzocht de behandeling van de wrakingsverzoeken naar een andere kamer voor het notariaat te verwijzen omdat er binnen de kamer Den Haag onvoldoende (plaatsvervangende) leden zijn die het wrakingsverzoek zouden kunnen behandelen.

1.3.       Bij beslissing van 21 december 2016 heeft de president van het gerechtshof overwogen dat het, gelet op de aard van het wrakingsverzoek en het (beperkt) aantal voorzitters en leden van de kamer Den Haag, voldoende aannemelijk is geworden dat het niet mogelijk is een kamer samen te stellen die het wrakingsverzoek van mr. [KN] tegen de notarisleden kan behandelen. Naar analogie van het bepaalde bij artikel 99, lid 2, Wna is de kamer voor het notariaat in het ressort ’s‑Hertogenbosch vervolgens belast met de behandeling van de verzoeken tot wraking.

1.4.       Deze beslissing van het gerechtshof is op 29 december 2016 ontvangen door de kamer voor het notariaat in het ressort ’s‑Hertogenbosch (hierna ook: de wrakingskamer).

1.5.       Bij afzonderlijke brieven (met bijlagen) van 13 januari 2017 hebben mr. [X] en mr. [Y] schriftelijk gereageerd op de wrakingsverzoeken, waarna partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

1.6.       Gelet op de verhinderdata van mr. Maaldrink zijn de verzoeken tot wraking van mr. [X] en mr. [Y] eerst gecombineerd behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 20 maart 2017. Mr. [KN] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Mr. [X] is, na voorafgaand schriftelijk bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Mr. [Y] heeft zich vlak voor de zitting telefonisch afgemeld. Mr. Maaldrink heeft het standpunt van mr. [KN] nader toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen.

2.          De feiten

2.1.       Mr. [KN] is sinds 1 januari 2013 als kandidaat-notaris verbonden aan [QQ] Notaris. Dit kantoor is gelegen aan [adres] in [Q]. Met ingang van 1 februari 2013 is mr. [KN] benoemd tot waarnemer van het vacante protocol van oud-notaris de heer mr. [O], die voorheen gevestigd was in [Q].

2.2.       Bij een volledige waarneming kan de periode van waarneming niet langer zijn dan één jaar. Op grond van het bepaalde bij artikel 29, lid 4, Wna kan de kamer voor het notariaat daarvan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Hetgeen nadien ook enkele malen is gebeurd, als gevolg waarvan de periode van waarneming inmiddels was verlengd tot 1 januari 2017.

2.3.       Mr. [KN] heeft de kamer Den Haag op 29 november 2016 verzocht de periode van waarneming (nogmaals) te verlengen tot 1 juli 2017.

2.4.       Mr. [X] is sinds 12 mei 2000 als notaris gevestigd in [Q]. Zij houdt daar kantoor op het adres […]. Vanaf september 2005 heeft zij als (aanvankelijk plaatsvervangend) lid deel uitgemaakt van de Kamer van Toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen in [Q] en aansluitend van de Kamer in Den Haag.   

2.5.       Mr. [Y] is sinds 1 november 2006 als notaris gevestigd in [Q]. Zij houdt daar kantoor aan [adres]. Voorheen is zij sedert 1 augustus 1988 ook bij andere notariskantoren in [Q] werkzaam geweest als kandidaat-notaris. Vanaf mei 2005 heeft zij als plaatsvervangend lid deel uitgemaakt van de Kamer van Toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen in [Q] en aansluitend van de Kamer in Den Haag.   

3.          De standpunten

3.1.       Mr. [KN] stelt dat hij groot belang heeft bij de beslissing die de kamer in Den Haag zal nemen naar aanleiding van zijn verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 4, Wna omdat hij inmiddels een verzoek heeft ingediend om tot notaris te worden benoemd met toewijzing van het vacante protocol van mr.  [O]. Bij toewijzing van zijn verzoek tot ontheffing van de termijn kan hij immers als waarnemer van het protocol blijven functioneren tot het moment van zijn benoeming, terwijl bij aanwijzing van een externe waarnemer voor [QQ] Notaris aanzienlijke waarnemingskosten verschuldigd zullen zijn. Verder stelt mr. [KN] dat op het kantoor van [QQ] Notaris jaarlijks circa 7.500 akten worden verleden, zodat het kantoor als grote speler moet worden aangemerkt op de aanbodmarkt voor notariële diensten in en rond [Q] en een beduidende directe concurrent vormt van alle andere notariskantoren in (de regio) [Q]. Om die reden is mr. [KN] van mening dat het er objectief voor moet worden gehouden dat de eigen (commerciële) belangen van de [Q]se notarissen mr. [X] en mr. [Y] enige rol zouden kunnen spelen bij hun deelname aan de beslissing omtrent de verlenging van zijn bevoegdheid tot waarneming van het vacante protocol, als gevolg waarvan de onpartijdigheid van de kamer in Den Haag schade zou kunnen lijden indien net die twee notarisleden over zijn verzoek zouden beslissen. In dat verband heeft hij er mede op gewezen dat de notarisleden eind 2014 eveneens betrokken zijn geweest bij de beoordeling van zijn eerdere verzoek tot verlenging van dezelfde waarneming, welk verzoek destijds is afgewezen. Volgens mr. [KN] heeft de kamer in Den Haag bovendien andere notarisleden die buiten de regio [Q] kantoor houden en niet - in die mate als mr. [X] en mr. [Y] - als zijn directe concurrenten kunnen worden gezien.

3.2.       In aanvulling op zijn verzoek heeft mr. [KN] ter zitting van de kamer Den Haag van 14 december 2016 meegedeeld dat hij en de notarisleden wel degelijk “in dezelfde vijver vissen”. Daarbij heeft hij gesteld dat […] Notarissen (bij welk kantoor mr. [Y] het ambt uitoefent) en [QQ] Notaris sinds 1,5 jaar enkele gezamenlijke nieuwbouwprojecten in behandeling hebben, waaronder “[…]” en “[…]”. De betreffende akten van levering worden bij het kantoor van mr. [Y] gepasseerd en de hypotheekakten bij [QQ] Notaris, aldus mr. [KN]. Ter zitting van de wrakingskamer van 20 maart 2017 heeft mr. [KN] ter onderbouwing van zijn verzoek een overzicht overgelegd van de betreffende transacties, alsmede een uitdraai van een transactie betreffende het project “[…]”, waarbij het kantoor van mr. [X] betrokken is geweest. Volgens mr. [KN] is er een behoorlijke samenloop van cliënten, in welk verband hij mede aandacht heeft gevraagd voor de beslissing van de wrakingskamer in ’s‑Hertogenbosch naar aanleiding van zijn eerdere verzoek tot wraking van een andere notaris die als notarislid van de kamer in Den Haag betrokken was bij de beoordeling van een klacht die de KNB tegen hem had ingediend (ECLI:NL:TNORSHE:2015:17). Dat verzoek tot wraking werd toegewezen omdat het kantoor van die notaris -gevestigd in een buurgemeente van [Q]- in “dezelfde vijver viste” en slechts 9,4 kilometer verwijderd was van het kantoor van [QQ] Notaris, terwijl de kantoren van mr. [X] en mr. [Y] net als [QQ] Notaris in [Q] zelf zijn gevestigd.

3.3.       De notarisleden hebben gemotiveerd uiteengezet waarom zij niet in de wraking berusten. De argumenten die zij naar voren hebben gebracht, zullen hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

Beoordeling ontvankelijkheid

Wettelijk kader

4.1.       Allereerst dient de wrakingskamer te beoordelen of de leden van een kamer voor het notariaat die over een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 29, lid 4 Wna moeten oordelen, kunnen worden gewraakt. De notarisleden stellen namelijk dat geen sprake is van (tucht)rechtspraak of berechting, maar van een bestuurlijk besluit over verlenging van de waarneming. Zij betogen dat een dergelijk besluit buiten het bereik van de wrakingsbepaling van artikel 100 Wna valt. Omdat laatstgenoemd artikel is geplaatst in titel IX, afdeling 1 (De tuchtrechtspraak) ziet deze bepaling volgens hen specifiek op tuchtrechtspraak en niet op dergelijke bestuurlijke besluiten, waarbij zij er voorts op hebben gewezen dat mr. [KN] geen partij is in een bij de kamer aanhangig geschil en hij evenmin beklaagde is in een tuchtrechtzaak.

4.2.       Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek wordt vooropgesteld dat de kamers voor het notariaat zijn belast met de uitvoering van de hun in de Wet op het notarisambt opgedragen taken (artikel 94, lid 3 Wna), waaronder de uitoefening van de tuchtrechtspraak in eerste instantie. In deze zaak gaat het niet om tuchtrechtspraak, maar om een beslissing met betrekking tot de waarneming van een notaris die uit het ambt is ontzet. In een dergelijk geval benoemt de voorzitter van de kamer ambtshalve een of meer waarnemers en treft hij zo nodig een regeling omtrent het honorarium (artikel 29, lid 2, Wna). De kamer voor het notariaat of zijn voorzitter kan een benoeming tot waarnemer te allen tijde intrekken. Tegen een beslissing tot benoeming of tot intrekking van een benoeming kan de betrokkene beroep instellen bij het gerechtshof in Amsterdam (artikel 29, lid 3, Wna). Artikel 29, lid 4, Wna luidt (voor zover relevant voor de beoordeling):

“De periode van waarneming kan niet langer zijn dan één jaar in geval van een volledige waarneming. (…)

De kamer voor het notariaat kan van het bovenstaande in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.”

4.3.       Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat ook het geven van een beslissing naar aanleiding van een verzoek tot ontheffing van de genoemde termijn van één jaar behoort tot de taken die in de Wna aan de kamers voor het notariaat zijn opgedragen, zoals bedoeld in artikel 94, lid 3, Wna. Nu deze bepaling, evenals de wrakingsbepaling van artikel 100 Wna, is opgenomen in titel IX, afdeling 1 (De tuchtrechtspraak) is de wrakingskamer van oordeel dat ook zij die deel uitmaken van een kamer voor het notariaat die moet oordelen over een dergelijk verzoek tot ontheffing van de termijn zich kunnen verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Opmerking verdient daarbij dat het gerechtshof in Amsterdam eerder heeft geoordeeld dat een beslissing waarbij een verzoek tot ontheffing van de termijn wordt afgewezen naar haar strekking gelijk kan worden gesteld met een beslissing tot benoeming tot waarnemer of tot intrekking van een benoeming als bedoeld in artikel 29, lid 3, Wna, zodat het mogelijk is daartegen beroep in te stellen (ECLI:NL:GHAMS: 2015:413). Om die reden gaat de wrakingskamer voorbij aan hetgeen de notarisleden verder hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van een bestuurlijk besluit.

Termijn 

4.4.       In artikel 100 Wna wordt (onder meer) artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing verklaard. Daarin is bepaald dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De notarisleden zijn van mening dat het verzoek tot wraking te laat is gedaan omdat mr. [KN] al op 6 december 2016 bekend was met de omstandigheden die hij aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag wilde leggen, terwijl zijn verzoek niet eerder is gedaan dan ter zitting van de kamer van 14 december 2016.

4.5.       Uit de overgelegde stukken blijkt dat mr. Maaldrink de kamer in Den Haag bij e-mailbericht van 4 december 2016 heeft gevraagd hem te informeren over de personele samenstelling van de kamer ter zitting van 14 december 2016. In reactie op dit verzoek heeft de kamer in Den Haag hem bij

e-mailbericht van 6 december 2016 (10:38 uur) “onder voorbehoud” de namen opgegeven van de leden die op 14 december 2016 deel zouden uitmaken van de kamer. Bij e-mailbericht van dezelfde datum (11:45 uur) heeft mr. Maaldrink, onder meer verwijzend naar de hiervoor onder 3.2. genoemde beslissing van de wrakingskamer in ’s-Hertogenbosch, de plaatsvervangend voorzitter van de kamer in Den Haag gevraagd aan mr. [X] en mr. [Y] te vragen om zich terug te trekken en heeft hij aangekondigd dat hij zich genoodzaakt zou zien een verzoek tot wraking in te dienen indien zij daartoe niet bereid zouden zijn. Bij e-mailbericht van donderdag 8 december 2016 heeft de secretaris van de kamer aan mr. Maaldrink bericht dat mr. [X] en mr. [Y] zich niet zouden terugtrekken, waarna er volgens de notarisleden over die beslissing nog telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen mr. Maaldrink en de secretaris. Daarbij heeft mr. Maaldrink meegedeeld dat het aangekondigde wrakingsverzoek eerst zou worden ingediend indien het verzoek tot ontheffing ter zitting zou worden behandeld. In verband met de gang van zaken rond eerdere ontheffingsbeslissingen bestond bij mr. [KN] kennelijk de hoop dat zijn verzoek alsnog schriftelijk zou worden toegewezen zonder mondelinge behandeling.

4.6.       Uitgaande van de hiervoor omschreven omstandigheden heeft de kamer in Den Haag weliswaar kort voor de mondelinge behandeling aan mr. [KN] meegedeeld dat mr. [X] en mr. [Y] geen aanleiding zagen om zich te verschonen zodat het verzoek tot wraking op dat moment ook schriftelijk had kunnen worden gedaan, maar de wrakingskamer acht het tijdsverloop tussen deze mededeling en de zittingsdatum dermate klein dat dit niet behoort te leiden tot niet ontvankelijkheid.

Misbruik van bevoegdheid

4.7.       Het enkele feit dat mogelijk geen verzoek tot wraking zou zijn ingediend indien het verzoek tot ontheffing door de kamer in Den Haag (waarvan mr. [X] en mr. [Y] deel zouden uitmaken) schriftelijk zou zijn toegewezen, zoals de notarisleden hebben gesteld, maakt nog niet dat mr. [KN] misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt door wél een verzoek tot wraking in te dienen op het moment dat aan hem duidelijk werd dat er geen schriftelijke beslissing werd gegeven en dat mr. [X] en mr. [Y] zouden deelnemen aan de mondelinge behandeling van zijn verzoek tot ontheffing.

4.8.       Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking ontvankelijk is.

Beoordeling wrakingsgronden

4.9.       Vervolgens dient het wrakingsverzoek inhoudelijk te worden beoordeeld. Op grond van artikel 100 Wna kunnen zij die deel uitmaken van een kamer voor het notariaat worden gewraakt indien ten aanzien van hen feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.10.     Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter - met wie een lid van de kamer voor het notariaat in dit verband gelijk kan worden gesteld - in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees

daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.11.     Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. In een dergelijk geval dient de rechter zich van een beslissing in die zaak te onthouden. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid kan bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dus van belang zijn.

4.12.     In reactie op de hiervoor onder 3.1. en 3.2. omschreven omstandigheden die mr. [KN] aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, hebben de notarisleden (samengevat) gesteld dat zij mr. [KN] niet persoonlijk kennen, dat zij (en de kantoren waar zij werkzaam zijn) zich van een geheel andere markt bedienen dan (het kantoor van) mr. [KN] en dat zij het niet ambiëren om dezelfde markt als mr. [KN] te bedienen. Mr. [Y] heeft in dat verband verder naar voren gebracht dat het kantoor van mr. [KN] zich bijvoorbeeld wat betreft vastgoedtransacties voornamelijk richt op de particuliere praktijk en op niet gespecialiseerde maar meer algemene notariële werkzaamheden, terwijl […] Notarissen zich richt op een praktijk waarin voornamelijk gespecialiseerde werkzaamheden en advieswerk wordt verricht. Waar [...] Notaris zich profileert als “goedkoopste notaris”, streeft haar kantoor ernaar “de beste notaris” te zijn, aldus mr. [Y] en waar door […] Notarissen particuliere cliënten worden bediend, betreft dat voornamelijk kopers in bouwprojecten die het kantoor voor de betreffende projectontwikkelaar in behandeling heeft, aldus mr. [Y]. Daarnaast hebben mr. [X] en mr. [Y] opgemerkt dat het praktisch haast onwerkbaar zou worden als notarisleden die zijn gevestigd in dezelfde plaats of regio als de betrokken notaris geen “zitting zouden kunnen hebben” in de kamer voor het notariaat.

4.13.     Bij de beoordeling van dit verzoek tot wraking wordt vooropgesteld dat een notaris naast openbaar ambtenaar ook ondernemer is. Als gevolg van hun ondernemerschap concurreren notarissen met elkaar. In het algemeen kan worden gesteld dat, naarmate de geografische afstand tussen notariskantoren kleiner is, de mate waarin zij met elkaar concurreren toeneemt. Zowel het kantoor van mr. [KN] als de kantoren van mr. [X] en mr. [Y] zijn gevestigd in de gemeente [Q]; de afstand tussen deze kantoren bedraagt slechts enkele kilometers. 

4.14.     Hoewel de wrakingskamer geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de persoonlijke instelling van mr. [X] en mr. [Y] en aangenomen wordt dat zij, zoals zij hebben gesteld, als ondernemer (voor een belangrijk deel) een ander marktsegment bedienen dan mr. [KN], gaat de wrakingskamer er vanuit dat beide kantoren zich richten op cliënten uit dezelfde regio. Mr. [KN] heeft onweersproken gesteld dat [QQ] Notaris een grote speler is op de aanbodmarkt voor notariële diensten in (de regio) [Q], zodat geenszins kan worden uitgesloten dat mr. [KN] en mr. [X] en mr. [Y] in “dezelfde vijver vissen”. De wrakingskamer acht de door mr. [KN] geuite vrees dat de eigen (commerciële) belangen van mr. [X] en mr. [Y] enige rol zouden kunnen spelen bij de beoordeling van zijn verzoek tot ontheffing van de maximale waarnemingstermijn dan  ook objectief gerechtvaardigd, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat mr. [KN] onweersproken heeft gesteld dat mr. [X] en mr. [Y] in hun hoedanigheid van (plaatsvervangend) notarislid betrokken zijn geweest bij een afwijzende beslissing van een eerder door hem ingediend verzoek tot ontheffing van die termijn met betrekking tot dezelfde waarneming. Nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, is de wrakingskamer van oordeel dat mr. [X] en mr. [Y] zich van een beslissing over het ontheffingsverzoek dienen te onthouden. Beide wrakingsverzoeken zullen worden toegewezen.

4.15.     Overigens heeft mr. [KN] uitdrukkelijk gesteld dat de kamer in Den Haag andere notarisleden heeft die buiten de regio [Q] kantoor houden en niet - in dezelfde mate als mr. [X] en mr. [Y] – als zijn directe concurrenten kunnen worden gezien.

5.          De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] toe;

wijst het verzoek tot wraking van mr. [Y] toe; 

verwijst de klacht terug naar de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag, teneinde een kamer te benoemen die de behandeling van het verzoek van mr. [KN] zal voortzetten in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de verzoeken tot wraking;

bepaalt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:

-        de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag,

-        de advocaat van Mr. [KN],

-        mr. [X],

-        mr. [Y].

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, rechterlijk lid, mr. L.J.M. Teunissen, notarislid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2017 door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Vliet, secretaris.