Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2020:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 142/2019

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:2
Datum uitspraak: 10-01-2020
Datum publicatie: 10-01-2020
Zaaknummer(s): 142/2019
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Beklaagde wordt verweten dat hij de diagnose hartinfarct heeft gemist. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld. Beklaagde kon op grond van zijn bevindingen met voldoende zekerheid een afwachtend beleid instellen . Ook de nazorg was zorgvuldig. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 10 januari 2020 naar aanleiding van de op 22 mei 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

bijgestaan door mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, destijds werkzaam te B,

bijgestaan door mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- aanvullende brief van klaagster ingekomen op 6 december 2019.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 17 december 2019, waar zijn verschenen klaagster en beklaagde, beiden bijgestaan door hun gemachtigde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De moeder van klaagster, hierna patiënte te noemen, (geboren in 1958, overleden in maart 2019) maakte op 5 maart 2019 een reguliere afspraak voor drie klachten, waarvoor twintig minuten werden uitgetrokken. Patiënte bezocht het spreekuur van beklaagde, die als waarnemer in de huisartsenpraktijk werkzaam was, op 7 maart 2019.

In het journaal werd genoteerd:

“RM: meerdere klachten. Last van de handen, al jaren (…)

RM: sinds enkele weken soms een vreemd gevoel in de kaak, trekt dan naar het hoofd. Komt kortdurend opzetten, enkele minuten. Dan duizelig, licht misselijk. Niet gebonden aan inspanning of psychologische stress. Geen POB. Geen klachten van de armen. Roken+. Kan het zelf niet duidelijk opwekken. Wil zelf er ook nog mee naar de tandarts.

Niet zieke vrouw. Sat99% P70/min reg equaal. RR 120/60mmHg. Cor S 182 S-Pulm VAG, geen bijgeluidenADS gb. Keel gbNiet opwekbaar bij palpatie kaken of a. Temporalis.

pijn kaken

Geen duidelijke verklaring nu. Lijkt meer lokaal probleem. Iom pte expectatief. Bij klachten langdurig aanhoudend of toenemend in ernst eerder contact. Bij persisterende klachten over 3-4 weken dan retour.

RM: wil stoppen met roken, liefst middels medicatie” (…)

Op 9 maart 2019 is patiënte overleden. Op 11 maart 2019 werd obductie verricht. In het voorlopig obductieverslag werd opgetekend:

“Causa mortis: het betreft een 60 jaar oud geworden vrouw met blanco voorgeschiedenis, plotseling overleden thuis. Bij obductie blijkt er sprake te zijn van een myocardinfarct in het stroomgebied van de RCA, zeer waarschijnlijk op basis van occlusie van de RCA” (…)

Op 11 maart 2019 heeft beklaagde, nadat hij was geïnformeerd door de praktijkhouder van de huisartsenpraktijk, klaagster telefonisch benaderd. In dat gesprek heeft hij zijn medeleven betuigd en een gesprek aangeboden. Op 25 maart 2019 vond een gesprek plaats met klaagster en haar zuster. Op 27 maart 2019 diende klaagster een (anonieme) klacht in bij de Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg. Op 1 mei 2019 werd deze klacht als niet-opgelost afgesloten. Op 1 mei 2019 deed beklaagde een calamiteitenmelding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Op 13 juni 2019 kwam de reactie daarop van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De Inspectie zag geen aanleiding voor aanvullend onderzoek van deze melding. Beklaagde had voldoende transparantie getoond en verbetermaatregelen genomen.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat hij de diagnose van hartinfarct heeft gemist.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde stelt zich in het verweerschrift op het gemotiveerde standpunt dat de tegen hem ingediende klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Kern van de klacht is dat beklaagde de juiste diagnose heeft gemist. Het missen van een juiste diagnose leidt echter niet per definitie tot een gegronde klacht. Een tuchtrechtelijk verwijt is eerst te maken als komt vast te staan dat de wijze waarop beklaagde tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Bij de beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2

Bij de beantwoording van de vraag of beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld acht het college het volgende van belang. Uit de stukken en ook ter zitting is duidelijk geworden dat patiënte op 7 maart 2019 het spreekuur van beklaagde heeft bezocht, die als waarnemer in de huisartsenpraktijk werkzaam was.

Patiënte klaagde over last van de handen, een vreemd gevoel in de kaak, tevens wilde zij stoppen met roken. De klachten aan de handen werden geduid als artrose waarop handtherapie werd geadviseerd. Beklaagde adviseerde patiënte een gesprek met de praktijkondersteuner met betrekking tot het stoppen met roken waarbij een programmaboekje “stoppen met roken” werd meegegeven.

De kaakklachten kwamen soms kortdurend opzetten en trokken dan naar het hoofd soms in combinatie met duizeligheid en misselijkheid. De klacht was niet gebonden aan inspanning of stress. Er was geen pijn op de borst en geen klachten van de armen. Patiënte wilde met de klachten ook haar tandarts bezoeken. Beklaagde heeft vervolgens patiënte lichamelijk onderzocht. Zij was niet ziek, haar pols en bloeddruk waren normaal. Zowel geluiden van hart als longen waren normaal. De slagader bij de slaap was niet gevoelig. Hoewel klachten in de kaakregio symptomen van onderliggend cardiaal lijden kunnen zijn, was het klachtenpatroon verder atypisch. Op het moment van het consult waren de klachten niet aanwezig.

Ter zitting heeft beklaagde nog toegelicht dat patiënte tijdens haar bezoek niet heeft gesproken over extreme vermoeidheid. Er waren geen indicaties voor een direct hartprobleem.

Het college stelt vast dat, mede gezien de NHG-Standaard Acuut Coronair Syndroom en de NHG-Standaard Stabiele angina pectoris, er geen reden was patiënte door te verwijzen naar de cardioloog voor een ECG of ander aanvullend onderzoek te doen. Patiënte had op het moment van haar bezoek geen klachten zodat een acuut coronair syndroom erg onwaarschijnlijk was. Er was verder in de anamnese geen sprake van retrosternale klachten, er was geen provocatie van de klachten door inspanning of emoties.

Het college is van oordeel dat het onderzoek van de arts voldoende zorgvuldig is geweest en dat hij op grond van zijn bevindingen, in overleg met patiënte, met voldoende zekerheid een afwachtend beleid kon instellen. Beklaagde is daarbij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Voorts wijst het college erop dat de afloop van het gebeuren buitengewoon tragisch is maar dat de toetsing van het handelen van verweerder moet plaatsvinden in het licht van wat hem op dat moment bekend was en bekend kon zijn.  

5.3

Het college stelt vast dat beklaagde bij de nazorg al het mogelijke heeft gedaan dat binnen zijn bereik lag. Direct na het overlijden van patiënte heeft hij klaagster telefonisch zijn medeleven betuigd. Twee weken later heeft een gesprek met klaagster en haar zuster plaatsgevonden. Beklaagde heeft kritisch naar zijn handelen gekeken en dat handelen door collega’s laten toetsen. Hij bezocht een calamiteitenbespreking en meldde de calamiteit bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De Inspectie zag geen aanleiding voor aanvullend onderzoek van deze melding. Beklaagde had voldoende transparantie getoond en verbetermaatregelen genomen. Uit niets blijkt dat beklaagde als zorgverlener onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.4  

Het college begrijpt dat het hele gebeuren een grote impact heeft gehad op het leven van klaagster. Toch komt het college tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door A.H. Margadant, voorzitter, S.B. Boorsma, lid-jurist, M.D. Klein Leugemors, R.J. Wolters en E.J. Mulder, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Duijnstee-Mikmak, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.