Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2020:12
Datum uitspraak:
03-02-2020
Datum publicatie:
03-02-2020
Zaaknummer(s):
163/2019
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Huisarts zou verkeerde medicatie hebben voorgeschreven, een arts in opleiding onvoldoende hebben gecontroleerd en afspraken niet zijn nagekomen. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 3 februari 2020 naar aanleiding van de op 22 juli 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam ingekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgestuurde klacht van

 

A, wonende te B,

 

k l a a g s t e r

 

 

-tegen-

 

 

C, huisarts, werkzaam te B,

 

b e k l a a g d e

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 14 januari 2020 in aanwezigheid van beklaagde. Klaagster is met kennisgeving niet verschenen.

 

 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken (waaronder het huisartsenjournaal van 23 tot en met 27 mei 2019) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster heeft de klacht ingediend als ouder van haar minderjarige dochter D, geboren in maart 2019. De dochter zal verder worden aangeduid als 'patiënte'.

 

Klaagster heeft een afspraak gemaakt voor een consult bij beklaagde in verband met een tekenbeet op de arm van patiënte. De teek was inmiddels door klaagster verwijderd. Het consult was op donderdag 23 mei 2019 en werd gedaan door een co-assistente. De co-assistente heeft na anamnese en onderzoek het beleid besproken met beklaagde. Daarbij is besloten profylactisch antibiotica (azitromycine) voor te schrijven. Het recept is door de co-assistente doorgestuurd naar de apotheek.

 

De apotheek heeft geweigerd de voorgeschreven medicatie af te leveren, omdat azitromycine niet geregistreerd is voor kinderen jonger dan zes maanden. De apotheker heeft de huisartsenpraktijk hierover geïnformeerd. Beklaagde heeft vervolgens in overleg met de co-assistente amoxicilline voorgeschreven. Het recept is in de middag van 23 mei 2019 naar de apotheek gestuurd. Apotheek noch beklaagde heeft die dag nog contact gehad met klaagster.

 

In de avond van 23 mei 2019 heeft klaagster contact opgenomen met de huisartsenpost met de vraag wat te doen. Klaagster is geadviseerd de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts.

 

Op vrijdag 24 mei 2019 heeft klaagster contact opgenomen met de huisartsenpraktijk. De praktijkassistente deelde mee dat inmiddels een nieuwe kuur bij de apotheek kon worden afgehaald. Dezelfde dag heeft de apotheek contact opgenomen met een collega van beklaagde (beklaagde zelf was die dag niet aanwezig). In overleg met de apotheker is besloten te adviseren de – al door klaagster afgehaalde - amoxicilline niet aan patiënte te geven. De apotheker heeft klaagster dezelfde dag gebeld met dit advies.

 

Naar aanleiding van een verzoek daartoe van de vader van patiënte heeft beklaagde op maandag 27 mei 2019 telefonisch met hem contact opgenomen. Van dit contact heeft beklaagde de volgende aantekening gemaakt:

 

“Gebeld: vader aan de tel: Vindt niet dat het consult de vorige week de schoonheidsprijs verdient. Eerst probeerde de coas. moeder te overtuigen dat de teek er niet zo lang in had gezeten en dat AB niet nodig was daarna recept gemaakt mey middel die niet mocht bij baby’s. Zij zouden worden teruggebeld, is niet gebeurd. De volgende dag te horen gekregen van de apotheek dat het antibioticum ook niet mag en dat ze die niet hoeft te krijgen. Vader gaat een klacht indienen.

Uitgelegd wat ik ervan heb meegekregen, waar de twijfels in zaten en mijn verontschuldiging aangeboden en gezegd dat ik de gang van zaken betreur.”

3.   HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

 

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat zij:

a.   onzorgvuldig heeft gehandeld door tweemaal verkeerde medicatie voor te (laten) schrijven aan een baby van tien weken;

b.   niet afdoende heeft gecontroleerd of een arts in opleiding (co-assistente) de juiste adviezen geeft en adequaat voorschrijft;

c.   afspraken die via de praktijkassistente werden gemaakt niet is nagekomen en dat zij niet heeft gecommuniceerd met klaagster.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

 

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat zij in overleg met de co-assistente een antibioticum heeft voorgeschreven vanwege de ongerustheid van klaagster en de mogelijkheid dat de teek er toch langer dan 24 uur in gezeten had. Volgens de richtlijn van het NHG en het Farmacotherapeutisch Kompas was azitromycine bij kinderen jonger dan acht jaar de eerste keuze, waarbij geen ondergrens was aangegeven. Toen bleek dat de apotheek had meegedeeld dat de azitromycine niet geregistreerd was voor kinderen jonger dan zes maanden, heeft beklaagde amoxicilline voorgeschreven. Beklaagde betreurt dat het consult zo gelopen is. Zij ging ervan uit dat moeder zo ongerust was dat ze iets wilde voor patiënte. Beklaagde heeft hiervan geleerd dat ze zelf moet verifiëren of haar interpretatie overeenkomt met de interpretatie van de patiënt (in dit geval de moeder van patiënte). Daarnaast was het beter geweest met klaagster te overleggen toen bleek dat het eerste antibioticum volgens de apotheek niet geregistreerd was bij kinderen jonger dan zes maanden en met haar te bespreken of zij het niet wilde aankijken zonder antibioticum.  

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1         

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.2

Met betrekking tot de voorgeschreven medicatie overweegt het college dat beklaagde terecht heeft aangevoerd dat ter profylaxe van de ziekte van Lyme bij kinderen jonger dan acht jaar azitromycine de eerste keuze is en dat uit de toepasselijke richtlijnen (NHG, Farmacotherapeutisch Kompas en Kinderformularium) niet volgt dat dit middel niet mag worden voorgeschreven bij een kind van tien weken. Dat de apotheker ter zake een andere mening was toegedaan maakt dit niet anders. Naar het college heeft begrepen is het vervolgens voorschrijven van amoxicilline met name ingegeven door de bezorgdheid van klaagster. Het college kan deze keuze billijken, al was het wellicht beter geweest direct tot afwachten te besluiten, althans deze mogelijkheid met klaagster te bespreken. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

 

5.3

Dat beklaagde het handelen van de co-assistente niet afdoende zou hebben gecontroleerd, het tweede klachtonderdeel, is het college niet gebleken. Er was geen aanleiding voor beklaagde om, na het onderzoek van de co-assistente, patiënte zelf te zien. Klaagster heeft daar ook niet om gevraagd. Het voorschrijven van de beide geneesmiddelen heeft telkens in overleg plaatsgevonden. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

 

5.4

Ter zake van het derde klachtonderdeel over het niet-nakomen van afspraken en de communicatie met klaagster constateert het college dat mogelijk niet van alle contacten van klaagster met (de assistenten van) de huisartsenpraktijk een notitie in het dossier is gemaakt. Dat betekent dat niet is te achterhalen wanneer er precies contact is geweest en wat de inhoud daarvan was. Dit valt te betreuren. Wel staat vast dat na de mededeling door de apotheek dat azitromycine niet zou worden afgeleverd, door beklaagde niet actief contact is gezocht met klaagster. Zoals beklaagde zelf ook heeft toegegeven had zij dit beter wel kunnen doen in plaats van dit over te laten aan de apotheek. Het college acht deze omissie evenwel niet van zodanig gewicht dat beklaagde ter zake een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat beklaagde op de volgende dag, toen bleek dat de apotheker ook de amoxicilline ontraadde en de praktijkassistente daarover een belafspraak had ingepland, klaagster niet heeft gebeld, kan haar moeilijk worden aangerekend. Zij werkte die dag immers niet en van de amoxicilline was afgezien in overleg met een collega van haar. Bovendien is naar aanleiding van de gemaakte belafspraak op de eerstvolgende werkdag daarna (maandag 27 mei 2019) wel telefonisch contact geweest met de vader van patiënte. Ook het derde klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

 

 

6.   DE BESLISSING

 

Het college verklaart de klacht ongegrond. 

 

 

Aldus gegeven door A.H. Margadant, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, M.D. Klein Leugemors, P.A.J. Buis en A.C.P. Maas, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Keukenmeester, secretaris.                                                                                                 

 

 

 

                                                                                                                 voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.    Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.    Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.



c.    Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens