Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:10
Datum uitspraak:
14-01-2020
Datum publicatie:
14-01-2020
Zaaknummer(s):
2019-143a
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Kennelijk ongegronde klacht tegen een kinderarts. Het College kan niet vaststellen hoe de gesprekken tussen klager, zijn ouders en de beklaagde precies zijn verlopen. De door beklaagde uitgevoerde onderzoeken waren gelet op de klachten van klager gerechtvaardigd, zijn op de juiste wijze uitgevoerd en zijn op de juiste wijze gedocumenteerd in het medisch dossier. Ook zijn de uitslagen van de onderzoeken op correcte wijze gecommuniceerd met klager en zijn ouders, en waar nodig met de overige behandelaren en huisarts van klager. Dat de inspanning van beklaagde niet heeft geleid tot het vinden van een oorzaak voor de klachten van klager is spijtig, maar niet aan beklaagde te verwijten. Ook de gestelde toename van de klachten is niet aan beklaagde te verwijten. Klacht kennelijk ongegrond.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: C, de moeder van klager,

 

tegen:

 

D, kinderarts,

werkzaam te E,

beklaagde,

gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2019;

-      het verweerschrift met bijlagen;

-      de aanvullende informatie van klager;

-      de dupliek van beklaagde;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 november 2019.



1.2             Het College heeft de klacht op 3 december 2019 in raadkamer behandeld.

  

2.                 De feiten



2.1             Klager, geboren in 2002, is op 23 september 2016 door zijn huisarts aangemeld bij het F met het verzoek een second opinion uit te voeren. Klager was obees en had vermoeidheidsklachten en een beperkte inspanningsintolerantie.

 

2.2             Beklaagde is kinderarts-endocrinoloog in het F.

 

2.3             In september 2017 is door een collega kinderarts, samen met klager en zijn ouders besloten tot een opname van klager. Gezamenlijk werd gekozen voor een tweesporenbeleid bij opname in het ziekenhuis om de klachten van klager verder te observeren en te onderzoeken. Beklaagde is bij deze opname door de hoofdbehandelaar in consult gevraagd ter beantwoording van de vraag of er een endocrinologische oorzaak is van de obesitas en invaliderende vermoeidheid bij klager.

 

2.4             Beklaagde heeft het dossier van klager bestudeerd en een plan voor diagnostiek opgesteld. Dit plan bevatte onder meer een cortisolonderzoek. Het plan voor diagnostiek is tijdens de opname in september 2017 niet uitgevoerd omdat de ouders van klager de opname op 27 september 2017 voortijdig hebben afgebroken.

 

2.5             In april 2018 hebben de ouders van klager alsnog ingestemd met het uitvoeren van het diagnostisch plan uit september 2017. Tijdens een dagopname op 3 en 4 mei 2018 is de diagnostiek, inclusief cortisol, hormonaal en klinisch genetisch onderzoek, uitgevoerd. Het onderzoek naar cortisol leverde normale uitslagen op.

 

2.6             Tijdens een consult op 17 mei 2018 heeft beklaagde met klagers en zijn ouders de uitslag van het hormonale onderzoek besproken. De tijdens dit consult besproken uitslagen heeft beklaagde per brief van 18 mei 2018 aan de huisarts van klager gestuurd. In deze brief staat onder anamnese:

“Moeder verteld dat [klager] al vanaf jonge leeftijd (4 jaar), maar met name de laatste jaren zeer veel last heeft van moeheid en algehele malaise klachten. Momenteel veel last van duizeligheid, problemen met lopen en vallen, spierpijn. Hiervoor meerdere beoordelingen op de SEH waarbij zowel neurologisch als kindergeneeskundig geen verklaring kan worden gevonden. Ouders geven aan dat ze denken dat het komt door steroidgebruik (eerst seretide, prednison en laat steroidcremes) en verder aanvullend onderzoek willen naar cortisol. Dit is eigenlijk het enige wat ze gerust kan stellen.

Geen klachten van hoofdpijn, misselijkheid, spugen bij opstaan, bleekheid. Geen hypotensie of hypoglycaemie beschreven in periodes van ziek zijn. geen hypertensie, normale puberteit, geen evident acne, wel meerdere keren ernstig eczeem, geimpetiginiseerd. Geen hirsutisme. Geen hematomen. Geen vertraagde botrijping. Verder al vanaf jonge leeftijd toename gewicht (6 mnd-1 jaar). Ouders beschrijven dat [klager] al vanaf geboorte veel honger heeft. Zijn bij een diëtist geweest maar onvoldoende effect.”

 

2.7              De ouders van klager vermoeden dat klager lijdt aan de ziekte van Cushing of dat sprake was van hypercortisolisme. Gedurende de behandeling door beklaagde is in de uitgevoerde onderzoeken geen hypercortisolisme aangetoond.  



3.                 De klacht



Klager verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat zij:

a)     medicijnen, zalven en crèmes heeft gegeven, terwijl zij op de hoogte was van de reactie op de huid van klager;

b)     wetenschappelijk onderzoek heeft ingezet zonder toestemming en juiste informatie;

c)     in de brief van 18 mei 2018 ten onrechte aanwezige klachten niet beschrijft;

d)     nooit lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd bij klager;

e)     de uitgevoerde onderzoeken niet goed heeft uitgevoerd (urine opvangen), ten onrechte heeft uitgevoerd (chromosoom onderzoek), niet goed heeft vastgelegd (haaronderzoek) en de uitslagen niet correct heeft medegedeeld (cortisol, corticosteroïde);

f)      ten onrechte geen informatie over een allergie voor corticosteroïde groep A heeft medegedeeld;

g)     verantwoordelijk is voor de toename van de lichamelijke klachten van klager.

 

4.                 Het standpunt van beklaagde

 

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

 

5.                 De beoordeling

 

Ad a, b en f

5.1             Beklaagde heeft klager geen medicatie voorgeschreven en/of wetenschappelijk onderzoek bij klager ingezet en/of een allergie voor corticosteroïde groep A geconstateerd. Het College heeft hiervoor in het dossier ook geen aanwijzingen gevonden. Deze klachtonderdelen falen dan reeds  hierom.

Ad c

5.2             Door beklaagde zijn in de brief van 18 mei 2018 een aantal genoemde klachten genoteerd (vgl. 2.6 hiervoor). Uit de brief blijkt dat waar beklaagde in de brief schrijft dat er bij klager geen klachten zijn van hoofdpijn, misselijkheid, spugen bij opstaan en bleekheid, zij die klachten niet heeft geconstateerd en klager of zijn ouders deze klachten ook niet aan beklaagde hebben verteld. Voor zover het gaat om klachten die volgens klager wel aan de orde zijn gekomen in de gesprekken met beklaagde overweegt het College het volgende.

Nu alleen klager, zijn ouders en beklaagde aan die gesprekken hebben deelgenomen, is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klager en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Daarom is ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

 

Ad d

5.3             Beklaagde heeft geen lichamelijk onderzoek uitgevoerd bij klager. Gelet op het in het medisch dossier gedocumenteerde lichamelijk onderzoek van klager door de hoofdbehandelaar en de door de hoofdbehandelaar van klager aan haar gestelde vraag (te weten: of er een endocrinologische oorzaak is van de obesitas en invaliderende vermoeidheid bij klager; vlg. 2.3 hiervoor) was lichamelijk onderzoek van klager door beklaagde ook niet nodig bij het door haar uitgevoerde onderzoek. Dit klachtonderdeel faalt.

Ad e

5.4             Dit onderdeel ziet, samengevat, op verschillende door beklaagde uitgevoerde onderzoeken. Het College volgt beklaagde in haar keuze voor de uitgevoerde onderzoeken, deze waren gelet op de klachten bij klager gerechtvaardigd. De onderzoeken zijn op juiste wijze gedocumenteerd in het medisch dossier van klager. Uit deze documentatie leidt het College af dat de onderzoeken op juiste wijze zijn uitgevoerd. Voor zover het College dat kan nagaan zijn de uitslagen van de onderzoeken op correcte wijze gecommuniceerd met klager en zijn ouders, en waar nodig met de overige behandelaren en huisarts van klager. Dit klachtonderdeel faalt dan ook.

 

Ad g

5.5             Het College beschikt over een uitdraai van het patiëntendossier van klager, zoals dat bij het verweerschrift is gevoegd. Uit dit dossier komt een beeld van beklaagde naar voren van een betrokken arts, die zich zeer heeft ingespannen om op haar vakgebied een oorzaak te vinden voor de klachten van klager en die verder heeft geprobeerd om klager en zijn ouders zo volledig mogelijk te informeren. Dat deze inspanning van beklaagde niet heeft geleid tot het vinden van een oorzaak voor de klachten van klager is spijtig, maar niet aan beklaagde te verwijten. Ook de gestelde toename van de klachten is niet aan beklaagde te verwijten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.



5.6             Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard.

 

6.                 De beslissing



Het College:

 

-      verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

 

 

Deze beslissing is gegeven op 14 januari 2020 door  E.J. Daalder, voorzitter, P.M. de Keuning, lid-jurist, G.L. Bremer, I. Dawson, A.L.M. Mulder, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.      Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.      Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens