Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2020:16
Datum uitspraak:
10-02-2020
Datum publicatie:
10-02-2020
Zaaknummer(s):
19142
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen gz-psycholoog, behandelaar van de ex-man van klaagster, over het doen van ongefundeerde uitspaken aan de raad voor de kinderbescherming en het afgeven van een belastende verklaring over klaagster aan de raad. Waardeoordelen die geen behandeldoel dienen. In strijd gehandeld met deKNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens” en de professionele opvattingen van het NIP. Onvoldoende blijk van het vermogen te reflecteren op het eigen handelen in relatie tot de richtlijnen. Gegrond. Berisping.

Uitspraak: 10 februari 2020

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 9 augustus 2019 ingekomen klacht van:

 

 

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde mr. A.A.M. Schutte te Eindhoven

 

tegen:

 

[C]

gz-psycholoog

werkzaam te [D]

verweerster

gemachtigde mr. R.J. Peet te Utrecht

 

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-      het klaagschrift

-      het verweerschrift

-      de brief met bijlagen ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 30 december 2019

-      de pleitnota van de gemachtigde van klaagster.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek. De klacht is ter openbare zitting van 13 januari 2020 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende. Klaagster en haar ex-man zijn de ouders van een minderjarige dochter. In 2017 vond de echtscheiding plaats. Op 7 november 2017 heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de raad, verzocht een onderzoek in te stellen en te adviseren over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarige dochter van klaagster en haar ex-man. Op 5 april 2018 heeft de raad een rapport uitgebracht. In het rapport is naar aanleiding van de verklaring van verweerster in haar hoedanigheid van behandelaar van de ex-man, opgenomen:

“          Bron: verslag psycholoog vader, [naam verweerster], d.d. verslag 8 januari 2018

[naam ex-man] komt al vanaf 2012 in de praktijk voor therapie. In het begin om, om te leren gaan met pijn (in zijn knie) na een ongeval, wat uiteindelijk heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid en de laatste vier jaren om het manipulatieve gedrag van zijn inmiddels ex-vrouw. [naam verweerster] heeft meneer al die jaren horen praten vanuit liefde voor zijn dochter. Sinds de omgang bij het omgangshuis is stopgezet ziet [naam verweerster] [naam ex-man] weer terug met spanningsklachten als hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en constant nerveus gevoel. De klachten die telkens de kop op steken wanneer [naam ex-man] weer te maken krijgt met machteloosheid. [naam verweerster] geeft aan dat [naam ex-man] niet opgeeft. Ook al heeft hij zijn dochter bij tijden weer enkele weken kunnen zien, hij blijft hoop en vertrouwen houden om uiteindelijk een goede relatie op te kunnen bouwen. Ondanks het gemis van zijn dochter, is hij de man gebleven zoals [naam verweerster] hem heeft leren kennen, namelijk; sterk, eerlijk en betrouwbaar.”

 

3. Het standpunt van klaagster

Verweerster wordt verweten dat zij jegens de raad ongefundeerde, onzorgvuldige en onprofessionele uitspaken heeft gedaan die vervolgens in een rapportage van de raad in het kader van een omgangsregeling zijn vastgelegd. Verweerster heeft daarbij een belastende verklaring afgegeven over klaagster zonder dat zij klaagster kent of heeft onderzocht en daarbij is zij enkel afgegaan op de verhalen van haar cliënt, de ex-man van klaagster. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de navolgende kwalificaties van het gedrag van klaagster:

1.     [naam ex-man] komt al vanaf 2012 in de praktijk voor therapie. In het begin om, om te leren gaan met pijn (in zijn knie) na een ongeval, wat uiteindelijk heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid en de laatste vier jaren om het manipulatieve gedrag van zijn inmiddels ex-vrouw.

2.    Ondanks het gemis van zijn dochter, is hij de man gebleven zoals [naam verweerster] hem heeft leren kennen, namelijk; sterk, eerlijk en betrouwbaar.

 

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster stelt zich op het standpunt dat hetgeen zij aan de raad heeft medegedeeld geen verklaring van haar betreft maar een verslaglegging van hetgeen zij heeft waargenomen en haar is verteld door haar cliënt, de ex-man van klaagster. De gewraakte zinsnede “…het manipulatieve gedrag van zijn inmiddels ex-vrouw.” moet niet als een kwalificerende uitlating van verweerster over klaagster worden aangemerkt maar als deel van de opsomming van beweegredenen van haar cliënt om zich bij verweerster te melden voor behandeling.

Met betrekking tot de zinsnede “…de man gebleven zoals [naam verweerster] hem heeft leren kennen, namelijk; sterk, eerlijk en betrouwbaar” stelt verweerster zich op het standpunt dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij op dit punt geen belanghebbende is in de zin van artikel 65 Wet BIG. Het betreft hier geen uitlating die klaagster rechtstreeks betreft, maar juist een waarneming die gedaan wordt door een zorgverlener over een cliënt, binnen de kaders van een behandelrelatie. De verstandhouding tussen cliënt en behandelaar staat hierbij centraal en dient vrij te zijn van inmenging. Voor zover klaagster wel ontvankelijk verklaard zou worden in haar klacht stelt verweerster dat haar opvatting is gebaseerd op een langdurig behandeltraject waarvan klaagster geen deel uitmaakt. Daarbij komt dat verweerster zich tegen het onderhavige klachtonderdeel niet kan verweren zonder de uitspraken die zij over haar cliënt heeft gedaan te motiveren, waarmee zij haar beroepsgeheim en de privacy van haar cliënt zou schenden.

 

5. De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat ter zitting door klaagster is toegelicht dat zij haar klachten heeft beperkt in de hiervoor onder 3. Het standpunt van klaagster, omschreven zin. Hetgeen overigens door klaagster in haar klaagschrift naar voren is gebracht, dient als achtergrondinformatie en behelst geen zelfstandige klacht.

 

De klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van klaagster in de klacht betreffende de zinsnede “…de man gebleven zoals [naam verweerster] hem heeft leren kennen, namelijk; sterk, eerlijk en betrouwbaar” oordeelt het college als volgt. Onder het begrip “rechtstreeks belanghebbende” in artikel 65 lid 1, aanhef en onder a van de Wet BIG vallen in beginsel uitsluitend de patiënt of cliënt en diens nabestaanden. Het is evenwel vaste tuchtrechtspraak dat daarop een uitzondering geldt wanneer een derde stelt - en ook aannemelijk maakt - nadelige gevolgen te (kunnen) ondervinden van het afgeven van een verklaring door een BIG-ingeschreven beroepsbeoefenaar. Die derde dient in dat geval eveneens te worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1, aanhef en onder a van de Wet BIG. Het college stelt vast dat het mogelijk is dat klaagster nadelige gevolgen zal kunnen ondervinden van de door verweerster afgelegde verklaring. Daarmee is klaagster ontvankelijk in haar klacht.

 

Het college komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klachten. Daarbij stelt het college het volgende voorop.

In de KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens” van september 2016, wordt afgeraden (zie onder andere onder 1.2) dat behandelend artsen geneeskundige verklaringen afgeven ten behoeve van eigen patiënten. Onder een geneeskundige verklaring wordt in die richtlijn verstaan een schriftelijke verklaring die:

 -    door een arts is opgesteld ten behoeve van een patiënt die onder behandeling

van die arts staat of stond en

-      die een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel over de patiënt en

diens gezondheidstoestand bevat en

-      een ander belang dient dan behandeling of begeleiding.

De reden dat het afgeven van een schriftelijke verklaring in de hiervoor bedoelde zin wordt afgeraden is, dat het bij zo’n verklaring vaak om een belang van de patiënt gaat dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de arts ligt en een ander doel dient dan de behandeling of begeleiding. Zo’n verklaring kan dan worden opgesteld op basis van ‘indrukken’ van de arts of patiënt en niet op basis van medisch-inhoudelijke argumenten. Het geven van een waardeoordeel dat een ander doel dient dan behandeling of begeleiding, moet volgens de genoemde richtlijn dan ook gebeuren door een onafhankelijke arts die deskundig is op het gebied van de vraagstelling.

De hiervoor genoemde richtlijn met betrekking tot schriftelijke verklaringen vormt de belichaming van ongeschreven, voor alle BIG-ingeschreven beroepsbeoefenaren geldende regels. De aldus geldende regels strekken niet alleen ertoe rolverwarring en belangenconflicten te voorkomen in de relatie tussen de hulpverlener en de patiënt of cliënt, maar strekken ook ertoe te voorkomen dat een behandelend arts of andere beroepsbeoefenaar een oordeel over zijn patiënt of cliënt geeft waaraan in het maatschappelijk verkeer een op zijn professionaliteit en expertise berustend gezag wordt toegekend, terwijl de neutraliteit en objectiviteit van dat oordeel als gevolg van de bestaande behandel- en vertrouwensrelatie onvoldoende zijn gewaarborgd. Hierdoor kunnen tevens de belangen van derden worden geraakt.

De Beroepscode voor Psychologen van het NIP (2015) bevat op zich geen bepaling die het psychologen verbiedt een verklaring ten behoeve van de cliënt af te geven. Evenmin zijn daarin beperkingen aangebracht ten aanzien van de doeleinden waarvoor en de voorwaarden waaronder psychologen dergelijke verklaringen mogen afgeven. Het NIP raadt het behandelend psychologen echter uitdrukkelijk af verklaringen te verstrekken waarmee een direct materieel of juridisch belang is gemoeid. Indien de psycholoog toch besluit een verklaring af te geven dan is het verstandig een dergelijke verklaring zo feitelijk mogelijk te houden en vrij van waardeoordelen, aldus het NIP.

Ter zitting is gebleken dat het verslag van verweerster dat (gedeeltelijk) in het rapport van de raad is opgenomen, door verweerster is opgesteld op verzoek van haar cliënt, de ex-man van klaagster. Verweerster heeft dit verslag zelf aan de raad toegezonden zodat dit zou kunnen worden gebruikt in de tussen klaagster en haar ex-man aanhangige procedure over een zorgregeling tussen haar cliënt en de minderjarige dochter van partijen en het in dat kader door de rechtbank gevraagde advies van de raad. Naar het oordeel van het college is het gewraakte verslag vrijwel geheel in strijd met de hierboven genoemde KNMG-richtlijn alsmede de professionele opvattingen van het NIP. Voor verweerster was duidelijk dat er sprake was van een juridische strijd, in welk geval het afgeven van een verklaring in het algemeen wordt ontraden. Verweerster heeft niettemin de verklaring afgegeven. Daarbij is niet gebleken dat zij zich ervan heeft vergewist dat aan haar uitlatingen als gedaan in het verslag extra gewicht zou worden toegekend bij de totstandkoming van een advies van de raad over een zorgregeling, terwijl de neutraliteit en objectiviteit van deze uitlatingen als gevolg van de bestaande behandel- en vertrouwensrelatie onvoldoende zijn gewaarborgd. Hierdoor kunnen tevens belangen van derden, zoals de belangen van klaagster in een procedure betreffende een (advies over) een zorgregeling worden geschaad. Daarbij komt dat het door verweerster opgestelde verslag waardeoordelen over haar cliënt bevat (..sterk, eerlijk en betrouwbaar..) die niet een behandeldoel dienen en niet zijn onderbouwd. Dat het verslag voorts de zinsnede bevat “…de laatste vier jaar om het manipulatieve gedrag van zijn inmiddels ex-vrouw”, is naar het oordeel van het college niet professioneel en bovendien onzorgvuldig. Immers, niet voor iedere lezer van het verslag is het duidelijk dat verweerster daarmee geen persoonlijk oordeel over klaagster heeft willen geven doch uitsluitend de bedoeling had de mening van haar cliënt over klaagster weer te geven, wat daar overigens ook van zij. Het college is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat verweerster het bewuste verslag niet had mogen afgeven. Zij heeft daarmee gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet BIG. De klacht is dan ook gegrond.

Het college acht de maatregel van een berisping passend. Het college stelt vast dat verweerster zich in het geheel geen rekenschap heeft gegeven van het bestaan van richtlijnen ten aanzien van het afgeven van verklaringen ten behoeve van eigen cliënten en de inhoud en strekking van deze richtlijnen. Het college ziet dan ook geen ruimte om een lichtere maatregel op te leggen nu verweerster zich ook na indiening van de klacht niet georiënteerd heeft op de vraag of de klacht mogelijk terecht was en daarbij ter zitting onvoldoende blijk heeft gegeven van het vermogen te reflecteren op het eigen handelen in relatie tot de richtlijnen.

 

6. De beslissing

Het college:

-      verklaart de klacht gegrond;

-      legt op de maatregel van berisping.

 

Aldus beslist doorM.C. van Dijkhuizen, voorzitter, K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, lid-jurist, W.C.B. Hoenink, M.J.E. Lemmens en E.S.J. Roorda, leden-beroepsgenotenin aanwezigheid vanC.W.M. Hillenaar, secretaris enuitgesproken door C.D.M. Lamers op 10 februari 2020 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens