Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2020:1
Datum uitspraak:
08-01-2020
Datum publicatie:
08-01-2020
Zaaknummer(s):
19169
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Verwijt aan huisarts over het afgeven van een verklaring aan de ex-man van klaagster, het niet serieus nemen van klaagster klachten tijdens een consult en de onjuiste verslaglegging ervan alsmede de gang van zaken bij het uitschrijven van klaagster als patiënt. Verklaring had niet verstrekt mogen worden maar geen schending van beroepsgeheim. Geen aanwijzing dat de klachten van klaagster niet serieus genomen zijn en/of onjuist in dossier zijn vermeld. Geen verwijt ten aanzien van uitschrijving als patiënt. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

                                                       Uitspraak: 8 januari 2020

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 6 september 2019 binnengekomen klacht van:

 

 

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde tijdens de zitting mr. L.F. Portier te Eindhoven

 

tegen:

 

[C]

huisarts

werkzaam te [D]

verweerder

 

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-      het klaagschrift;

-      het verweerschrift;

-      de brief van klaagster van 1 november 2019 met bijlagen en usb stick;

-      het proces-verbaal van mondeling vooronderzoek van 12 november 2019 met bijlage;

 

De klacht is ter openbare zitting van 29 november 2019 behandeld. Klaagster was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en door [E], een tolk in de Engelse taal. Verweerder was, hoewel correct opgeroepen, zonder bericht afwezig.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Verweerder was in de periode van de hierna beschreven feiten de huisarts van klaagster en van haar toenmalige echtgenoot.

Verweerder heeft op 21 november 2016 een op schrift gestelde verklaring afgegeven aan de echtgenoot met als inhoud (alle citaten zijn overgenomen inclusief eventuele taal- en of typefouten):

“          Betreffende:

Dhr. [naam echtgenoot]

(…)

Geachte Collega,

[Naam verweerder] has noticed following physical problems: hematoma on right biceps, scratch wounds on both wrists; hematoma on left biceps.

Beside these physical problems, [naam echtgenoot] declares to have severe emotional problems en emotional stress because of the physical and verbal herassment by his wife.

(…)”

Op 12 december 2016 is klaagster op consult geweest bij verweerder. In het journaal is daarover opgenomen:

“          Episode

Relatieprobleem met partner

S       (…) heeft huwelijkstroubles, geen werk, erg geisoleerd en haar man wil scheiden; zij heeft hier gestudeerd, in april afgestudeerd, wil wel hier blijven; heeft geen geld, moet bedelen bij man om geld en zo, haar man is jaloers op haar zelfstandigheid …wil psychotherapeut hebben,

 E        Relatieprobleem met partner

 P        verwijzing [praktijkondersteuner ggz] (…)

In het medisch journaal staat bij 19 april 2017:

“          (…) Wil graag een verslag van het consult van 12-12.”

en bij 20 april 2017:

“          Gaat verslag van consult 12-12 vertalen en komt dan langs om verslag te laten ondertekenen door de huisarts.”

 

 

In het medisch journaal staat bij 4 mei 2017:

“          mw wil een brief met beschrijving van haar emotionele toestand op de dag dat zij bij mij o[p consult kwam… voor echtscheidingsprocedure rechtbank…”

Verweerder heeft op 4 mei 2017 een op schrift gestelde verklaring afgegeven aan klaagster met als inhoud:

“          Betreffende:

Mevr. [naam klaagster]

(…)

Geachte collega,

[Naam verweerder] declares that on 12/12/2016 [klaagster] consulted him and declares that she had emotional troubles at that time. She felt anxious and depressed. She felt very lonesome and needed psychological help.

(…)”

In het medisch journaal staat bij 19 februari 2018:

“          Heeft een nieuwe huisarts in [plaatsnaam].”

en bij 29 juli 2019:

“          Dossier verzonden via zorgmail: [adres nieuwe huisarts]”

en vervolgens bij 31 juli 2019:

“          (…) mw heeft contact opgenomen met verzekering omdat abonnement nog door ons gedeclareerd is en niet door haar nieuwe huisarts. Mw situatie uitgelegd dat mw in febr doorgegeven heeft dat ze zich had ingeschreven bij een huisarts in [plaatsnaam]. Daarna geen verzoek ontvangen om dossier door te sturen. In juli verzoek ontvangen van [nieuwe huisarts] om dossier door te sturen.(…)”

 

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Verweerder wordt verweten dat hij:

1)   klaagsters hulpvraag op 12 december 2016 niet serieus heeft genomen;

2)   in strijd met de KNMG-richtlijnen een geneeskundige verklaring aan zijn eigen patiënt - klaagsters ex-echtgenoot - heeft afgegeven in de wetenschap dat deze in een gerechtelijke procedure terecht zou komen en dus tegen klaagster gebruikt zou worden. Hierdoor is klaagsters reputatie ernstig geschaad;

3)   geen kopie uit klaagsters patiëntendossier heeft willen verstrekken, maar in plaats daarvan aan klaagster een verklaring heeft afgegeven die niet overeenkomt met de verslaglegging in haar patiëntendossier;

4)   geen medewerking heeft willen verlenen aan het uitschrijven van klaagster als patiënt uit de praktijk.

5)   artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG heeft geschonden door een medische verklaring af te geven aan klaagsters ex-echtgenoot;

6)   artikel 96 lid 2 Wet BIG heeft geschonden door klaagster bewust te benadelen;

7)   en de poh-ggz bewust discrepanties hebben aangebracht in het medisch dossier van klaagster en de verklaring die aan haar is afgegeven;

8)   getracht heeft de autoriteiten in India te misleiden. Verweerder zegt niet direct dat klaagster haar ex-echtgenoot heeft mishandeld, maar een leek op medisch gebied bij de rechtbank in India zou kunnen interpreteren dat dit wel aan de orde is;

9)   ten onrechte beweert dat hij kneuzingen heeft gezien bij de ex-echtgenoot van klaagster;

10)artikel 88 Wet BIG heeft geschonden door onjuiste en gevoelige informatie over klaagster op te nemen in de medische verklaring die verweerder heeft afgegeven aan de ex-echtgenoot van klaagster;

11)op onethische wijze heeft gedeclareerd bij klaagsters zorgverzekering terwijl klaagster inmiddels een nieuwe huisarts had.

 

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft als verweer het navolgende aangevoerd

1)   Er is op 12 december 2016 een uitvoerige anamnese afgenomen en de juiste hulp via verwijzing aangeboden;

2)   Het klopt dat in strijd met de KNMG-richtlijn is gehandeld. Dat heeft verweerder ook gedaan bij het afgeven van haar eigen verklaring. Daarbij heeft verweerder opgeschreven welk letsel hij heeft waargenomen en vervolgens wat haar man tegen verweerder heeft gezegd. Hij heeft niet verklaard dat klaagster dit ook gedaan heeft.

3)   Elke patiënt heeft recht op een kopie van zijn dossier en krijgt dat normaal ook onmiddellijk. Op 19 april 2017 heeft klaagster een kopie van het consult gekregen en op 4 mei 2017 de verklaring.

4)   Klaagster is op haar verzoek op 19 februari 2018 uitgeschreven. De overdracht van het dossier aan de nieuwe huisarts heeft op zich laten wachten, ook omdat klaagster niet de gegevens van de nieuwe huisarts kon doorgeven. Een en ander is niet geheel aan verweerder te wijten. Klaagster heeft eerst in juli 2019, via haar nieuwe huisarts, haar dossier laten overdragen.

De klachtonderdelen zijn door klaagster aangevuld en bij gelegenheid van het mondeling vooronderzoek besproken. Verweerder is bij het mondeling vooronderzoek noch bij de mondelinge behandeling van de klacht verschenen en heeft ook anderszins niet inhoudelijk gereageerd op de aangevulde klachtonderdelen.

 

5. De overwegingen van het college

De klachtonderdelen zien op een drietal deelaspecten, te weten het door verweerder verstrekken van een verklaring aan klaagsters toenmalige echtgenoot, het consult van klaagster met verweerder op 12 december 2016, de verslaglegging daarvan en de verklaring die verweerder daarover aan klaagster heeft afgegeven en tenslotte de gang van zaken bij het uitschrijven van klaagster als patiënt. Het college zal de verschillende klachtonderdelen per deelaspect bespreken en beoordelen.

 

Klachtonderdelen 2), 5), 6), 8), 9) en 10) zien op de aan de toenmalige echtgenoot van klaagster door verweerder afgegeven verklaring. De klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

In beginsel mag een arts, met toestemming van zijn patiënt gegevens verstrekken aan derden mits hij zich daarbij beperkt tot het beantwoorden van gerichte vragen over zijn patiënt, waarbij hij slechts relevante medische informatie van feitelijke aard verstrekt. Het wordt behandelend artsen ontraden een geneeskundige verklaring af te geven ten behoeve van eigen patiënten/cliënten. Een geneeskundige verklaring is een schriftelijke verklaring die door een arts is opgesteld en die een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel bevat. In de KNMG-Richtlijn inzake het omgaan met medische gegevens van januari 2010 (in september 2016 aangescherpt) staat daarover: “De behandelrelatie tussen arts en patiënt dient vrij te blijven van belangenconflicten, die mogelijk kunnen spelen bij het al dan niet afgeven van een geneeskundige verklaring. Het geven van een waardeoordeel dat een ander doel dient dan behandeling of begeleiding moet objectief en deskundig gebeuren, door een onafhankelijke arts die deskundig is op het gebied van de vraagstelling. Een behandelend arts wordt niet geacht objectief te zijn ten opzichte van zijn eigen patiënt. Daarnaast beschikt een behandelend arts meestal niet over de specifieke deskundigheid die nodig is voor het geven van een waardeoordeel. Ook is een arts veelal niet op de hoogte van de medische criteria waaraan de instantie die de verklaring nodig heeft de verklaring toetst.”

Verweerder heeft in totaal twee verklaringen afgegeven: één op verzoek van en aan de toenmalige echtgenoot van klaagster en één aan klaagster op haar verzoek. Verweerder was ten tijde van het afgeven van de verklaringen op de hoogte van de (huwelijks-)problemen tussen zijn beide patiënten. Verweerder had er dan ook tenminste rekening mee moeten houden dat de verklaringen zouden (kunnen) worden gebruikt in juridische procedures tussen beide (ex-) echtelieden en derhalve een ander doel dienden dan behandeling of begeleiding.

Verweerder heeft met het afgeven van een verklaring zich gemengd in een tussen twee van zijn patiënten bestaand (juridisch) conflict. Hoewel de formulering van de verklaring ten behoeve van de toenmalige echtgenoot formeel blijft binnen de feitelijke weergave en niet zonder meer een eigen mening geeft, had verweerder zich ervan rekenschap moeten geven dat door de wijze van formulering (van met name de anamnestische informatie waarin ook klaagster werd genoemd) in een door hem ondertekende verklaring aan die anamnestische informatie een geobjectiveerde en daarmee zwaarwegendere kracht uitgaat. Niet duidelijk is of, en zo ja hoe, verweerder deze informatie zelf heeft getoetst terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven over de vraag hoe de door hem verstrekte verklaring beoordeeld of getoetst zou worden door de uiteindelijke ontvanger van de verklaring. Verweerder had de verklaring ten behoeve van de toenmalige echtgenoot niet mogen verstrekken. In zoverre is de klacht - in de onderdelen 2) en 5) - gegrond. Dat verweerder daarmee zijn beroepsgeheim in de zin van artikel 88 Wet BIG heeft geschonden dan wel klaagster bewust heeft willen benadelen als bedoeld in artikel 96, tweede lid Wet BIG is echter niet gebleken.

Klaagster betwist voorts dat verweerder, zoals hij in zijn verklaring heeft genoteerd, verwondingen heeft waargenomen bij de toenmalige echtgenoot van klaagster. Het college stelt vast dat de lezing van partijen van elkaar verschilt. Dat brengt in dit geval mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, omdat aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit brengt met zich mee dat dit onderdeel van de klacht dient te worden afgewezen.

 

Klachtonderdelen 1), 3) en 7) hebben betrekking op het consult van klaagster bij verweerder op 12 december 2016. Klaagster verwijt verweerder dat hij bij dit consult haar klachten niet serieus heeft genomen, geen juiste verslaglegging ervan heeft gedaan in het medisch journaal en in de later aan haar verstrekte verklaring, en geen afschrift van het dossier heeft willen geven. Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

De weergave van het consult in het medisch journaal en de door de huisarts daarop aangeboden vervolgstappen sluiten op elkaar aan en zijn adequaat. Ter zitting is door klaagster ook aangegeven dat zij met de doorverwijzing naar de praktijkondersteuner (poh-ggz) bij dit consult ingestemd heeft. Niet is gebleken dat daarmee de weergegeven klachten niet serieus zijn genomen. Dat die weergave van de klachten in het dossier of de later verstrekte verklaring onjuist is, is verder door klaagster niet onderbouwd. Ook hier verschillen de lezingen - over dit consult - van partijen. Dat brengt in dit geval mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, omdat aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit brengt met zich mee dat dit onderdeel van de klacht dient te worden afgewezen.

De klacht dat het dossier niet zou zijn verstrekt, vindt geen basis in de feiten. Uit het dossier volgt dat op 19 april 2017 op aanvraag van klaagster een kopie van het consult zoals weergegeven in het medisch journaal is verstrekt. Dit is ook niet weersproken door klaagster.

De klacht voor zover die derhalve verband houdt met het consult van 12 december 2016 is ongegrond.

 

Tenslotte klaagt klaagster over de gang van zaken rond de uitschrijving bij verweerder. Uit de stukken en hetgeen ter zitting daarover door klaagster is aangegeven volgt dat klaagster de praktijk van de huisarts heeft gebeld met het bericht dat zij een nieuwe huisarts zou hebben maar dat daarbij door haar nog niet is doorgegeven wie dat zou zijn. Klaagster gaf ter zitting aan dat zij op dat moment de naam van de huisarts nog niet kende en voorts gaf zij aan dat zij door haar nieuwe huisarts op de hoogte is gesteld van de gang van zaken rond de overdracht.

De beroepsvereniging van artsen KNMG adviseert een bepaalde handelwijze bij overdracht van het dossier bij verandering van huisarts (Advies voor overdracht patiëntendossier bij

verandering van huisarts, meest recent geactualiseerd in 2008). Hoofdregel daarbij is dat er overgedragen wordt van de oude huisarts direct aan de nieuwe huisarts en dat zolang er nog geen nieuwe huisarts bekend is het dossier bij de oude huisarts blijft. Uit continuïteit van zorg volgt daarbij ook dat er een zorgplicht blijft bestaan bij de oude huisarts zolang de nieuwe huisarts nog niet bekend is of als er nog niet is overgedragen. Niet is gebleken dat verweerder gedraald heeft met overdragen nadat bij hem de nieuwe huisarts bekend was. In het licht hiervan is door verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is op dit punt dan ook ongegrond.

 

Uit het vorenstaande volgt dat de klacht deels gegrond is. Het college zal nu beslissen over de passende maatregel. Het gegrond verklaarde deel van de klacht ziet op het verstrekken van een verklaring waar dit niet had mogen gebeuren. De ratio achter de richtlijnen omtrent het wel of niet verstrekken van medische verklaringen heeft te maken met het vertrouwen dat aan een goede arts-patiënt-verhouding ten grondslag moet liggen.  Door verklaringen te verstrekken op een wijze zoals hier is gebeurd, heeft verweerder, zoals uit deze klacht ook blijkt, dat vertrouwen op het spel gezet. Hij had beter moeten weten en beter moeten doen. Het college heeft echter ook oog voor het feit dat verweerder geprobeerd heeft zijn verklaring zo neutraal mogelijk te formuleren. Verder heeft verweerder er in zijn reactie blijk van gegeven (inmiddels) de regels te kennen en deze strakker te zullen volgen in de toekomst. Onder deze omstandigheden kan daarom volstaan worden met een waarschuwing.

 

6. De beslissing

Het college:

-      verklaart de klacht voor wat betreft de onderdelen 2) en 5) gegrond;

-      legt aan verweerder daarvoor een waarschuwing op;

-      verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus beslist door E.C.M. de Klerk , voorzitter, A.H.M.J.F.Piëtte, lid-jurist,

C.L.S.M. Stuurman, M.A.M.U. Vermeulen en W.F.R.M. Koch, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.W.M. Hillenaar, secretaris en uitgesproken door C.D.M. Lamers op

8 januari 2020 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

secretaris                                                                                       voorzitter

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

 

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens