Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2020:7
Datum uitspraak:
13-01-2020
Datum publicatie:
13-01-2020
Zaaknummer(s):
2019/242
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Fysiotherapeut
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Klaagster verwijt verweerder grensoverschrijdend gedrag tijdens de fysiotherapeutische behandeling. Ongegrond.

19/242

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 12 juni 2019 binnengekomen klacht van:

 

A, 

wonende te B,

k l a a g s t e r,

 

tegen

 

C,

fysiotherapeut,

werkzaam te B,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. T. Fuchs, advocaat te Amsterdam.

 

 

1. De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlage;

- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

- de op 3 oktober 2019 binnengekomen brief d.d. 30 september 2019 van klaagster.  

- een e-mailbericht van mr. Fuchs van 19 november 2019 met bijlagen.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. 

 

De klacht is op een openbare zitting behandeld. Het verzoek van verweerder om de zitting achter gesloten deuren plaats te laten vinden, is afgewezen.

Klaagster was afwezig met bericht van verhindering. 

Verweerder werd bijgestaan door mr. Fuchs voornoemd. Mr. Fuchs heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college is overgelegd.

 

2.De feiten

2.1​        Klaagster is van Indiase afkomst en studeert in B. Verweerder is sinds 1986 werkzaam in de praktijk D. Verweerder voert samen met een compagnon de praktijk.

 

2.2        Sinds 5 oktober 2018 was klaagster onder behandeling bij een directe collega-fysiotherapeut van verweerder, werkzaam in dezelfde praktijk. Klaagster was bij de praktijk gekomen (zonder verwijzing van een huisarts) met persisterende en toenemende pijnen aan voet, nek/schouder, rug en hand. De collega van verweerder heeft klaagster zes keer behandeld zonder resultaat en heeft haar vervolgens doorverwezen naar verweerder die als manueel therapeut werkzaam is. 

 

2.3​        Op 21 december 2018 is klaagster voor het eerst bij verweerder gekomen waarbij de hulpvraag van de collega van verweerder nadrukkelijk was om op zoek te gaan naar de oorzaak van de aanhoudende pijn. Vier keer komt klaagster bij verweerder voor behandeling. Zo ook op 1 maart 2019.

 

2.4​        Tijdens de behandeling op 1 maart 2019 is verweerder op zoek gegaan naar de provocateur van de onverklaarde persisterende pijn van klaagster en heeft de buik van klaagster met de vlakke hand gepalpeerd. Omdat er geen verbetering optreedt en ook niet meer te verwachten is, en daarnaast de geplande behandeltermijn van 12 weken al verstreken is, sluit verweerder de behandelingen. Er is geen nieuwe behandeling meer gepland en het behandeldoel is niet gehaald.

 

2.5      ​Klaagster heeft diezelfde avond telefonisch aangifte gedaan bij de zedenpolitie in Amsterdam en op 6 maart 2019 bij het Hoofdbureau van de Politie B. De aangiftes zijn niet overgelegd in deze tuchtrechtelijke procedure.

 

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder ontoelaatbare, onzedelijke handelingen bij klaagster heeft verricht toen hij, nadat hij het gebied rond haar heup had gemasseerd, met zijn hand het gebied net boven haar ondergoed begon te masseren waarna hij zijn hand in haar ondergoed deed en haar vagina aanraakte. Ook zou verweerder toen klaagster opstond en een handdoek om zich heensloeg, de handdoek hebben weggetrokken.

 

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5. De beoordeling

5.1.    Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

 

5.2.      Ter zitting heeft verweerder het volgende verklaard. Tijdens de behandeling op 1 maart 2019 lag klaagster (nadat verweerder haar had gevraagd om zich om te draaien) op haar rug. Zij had haar onderbroek en bh aan. Verweerder heeft klaagster uitgelegd dat hij haar buik zou palperen. Verweerder heeft bij klaagster op de buik gedrukt om pijn te provoceren in verband met de klachten die, volgens verweerder, zijn aan te merken als somatisch onbegrepen klachten. Hij heeft vervolgens op haar buik gedrukt onder de navel en is niet aan het schaambeen voorbij geweest. Hij is daarbij onder de bovenrand van haar onderbroek gekomen. De onderbroek was in verband met het slanke figuur van klaagster gespannen tussen haar bekken. Er is contact gehouden met de buik en het schaambeen is daarbij niet gepalpeerd. De vagina van klaagster heeft hij niet aangeraakt.

Volgens verweerder was klaagster niet communicatief en heeft zij tijdens de behandeling niet aangegeven dat zij zich niet prettig voelde. Verweerder heeft ontkend dat hij de handdoek bij klaagster heeft weggetrokken.

 

5.3       Het college overweegt als volgt. De door verweerder verrichtte handeling – het palperen van de buik – is geen standaard onderzoek voor een fysiotherapeut.

Bij deze handeling dient de behandelaar de patiënt met respect en begrip te benaderen. Daarbij dient hij zich bewust te zijn van een bepaalde kwetsbaarheid van het aan te raken gedeelte van het lichaam en de patiënt met empathie te benaderen en daarbij zich te vergewissen dat de patiënt zich daarvan bewust is en instemt met de behandeling.    

Het komt het college voor dat verweerder de door hem uitgevoerde handeling onvoldoende aan klaagster heeft uitgelegd en niet heeft getoetst aan de beleving van klaagster.

Het college leidt dit af uit de door verweerder ter zitting gegeven beschrijving van de gebeurtenissen. Verweerder heeft het college niet overtuigd dat hij klaagster voldoende heeft uitgelegd welke handeling hij ging verrichten (het palperen van de buik) en met welk doel. Volgens verweerder lag klaagster al op haar buik op de behandeltafel (omdat hij eerst andere handelingen had verricht) en heeft hij haar gevraagd om zich te draaien en is hij – na naar zijn zeggen een korte toelichting – de behandeling begonnen. Verweerder had naar het oordeel van het college meer bewust de tijd moeten nemen om de voorgenomen (niet standaard) handeling uit te leggen. Het is het college voorts opgevallen dat verweerder zich onvoldoende lijkt te realiseren dat de behandeling een handeling in een kwetsbaar gebied betreft en dat dit door een patiënt als bezwarend kan worden ervaren. Door zijn hiervoor omschreven handelen, heeft verweerder weliswaar niet geheel gehandeld zoals van hem had mogen worden verwacht, maar dat handelen is – voor zover het college dat kan vaststellen – niet zodanig verwijtbaar dat hij daarmee in strijd met artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg heeft gehandeld.

 

5.4       Verweerder heeft ten stelligste ontkend dat hij de vagina van klaagster heeft aangeraakt en/of de handdoek bij klaagster heeft weggetrokken, zodat het college niet kan vaststellen dat dit is gebeurd. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen, omdat de lezingen van klaagster en verweerder lijnrecht tegenover elkaar staan en het dossier daarover evenmin duidelijkheid biedt. Daar komt bij dat het college alleen kennis heeft kunnen nemen van de (beknopte) verklaring van klaagster in haar klaagschrift.

 

 

5.5       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

 

 6. De beslissing

 

Het college:

- wijst de klacht af.

 

Aldus beslist door:

W.A.H. Melissen, voorzitter,

W.M. Mooij, R. Valk en J.E. Geensen, leden-fysiotherapeut,

C. van Glabbeek, lid-jurist,

bijgestaan door S.S. van Gijn, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2020 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

WG  secretaris​​​​​​​​                                                                                                                                               WG voorzitter

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens