Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2020:6
Datum uitspraak:
09-01-2020
Datum publicatie:
09-01-2020
Zaaknummer(s):
c2019.152
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen GZ-psycholoog. Klaagster verwijt verweerderdat hij, nadat hij haar slechtséén keer heeft gezien en geen onderzoek heeft verricht, uitgaat van de diagnose PDD-NOS.Verder verwijt zij de GZ-psycholoog dat hij onjuiste uitspraken heeft gedaan over haaropleiding en stages, en daarover heeft gerapporteerd.In eerste aanleg is de klacht, wegenseen gebrek aan onderbouwing, bij voorzittersbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. HetCentraal Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht wel voldoet aan de daaraan te stellen eisen,gaat daarom over tot inhoudelijke behandeling van klacht en verklaart de klacht vervolgensongegrond. 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.152 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., GZ-psycholoog, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer.

1.        Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 6 maart 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de GZ-psycholoog - een klacht ingediend. Nadat klaagster daartoe door de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege in de gelegenheid is gesteld, heeft zij de klacht bij brief van 10 april 2019 aangevuld. Bij voorzitters-beslissing van 22 mei 2019, onder nummer 1958, is de klacht in eerste aanleg kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De GZ-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Nadien heeft klaagster nog enkele producties in het geding gebracht. De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2019, waar zijn verschenen klaagster en de GZ-psycholoog, laatstgenoemde bijgestaan door mr. Brouwer. De zaak is over en weer bepleit. Klaagster heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2.        Voorzittersbeslissing in eerste aanleg

De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft aan de beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2. De overwegingen

Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen. Omdat het klaagschrift niet aan die eisen voldoet, heeft de secretaris van het college klaagster bij brief van 2 april 2019 gevraagd om vóór 16 april 2019 een aantal vragen te beantwoorden. Klaagster heeft dat echter onvoldoende gedaan.

Zo is nog steeds niet duidelijk waaruit blijkt dat verweerder tijdens de intake in 2014 meteen ten onrechte uitspraken heeft gedaan over klaagsters stages en school en dat het nergens goed ging in verband met de stages die bleven vastlopen. Ook is nog steeds niet duidelijk waaruit blijkt dat verweerder is uitgegaan van de diagnose PDD NOS.

Daarom is de voorzitter van oordeel dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Klaagster, geboren in 1985, is vanaf jonge leeftijd bekend met epilepsie. In 2014 is zij door neuroloog E. verwezen naar de GZ-psycholoog. In de decursus is hierover door neuroloog E. op 25 september 2014 het volgende genoteerd:

“Vraagstelling: Graag opnieuw een indruk van deze patiente (er is in 2004 al uitgebreid onderzoek gedaan) en vooral uit het oogpunt van advies voor haar begeleiding rondom prechirurgisch traject (dat opnieuw herstart is), en of er bij haar een 1e lijns psycholoog zinvol is (danwel maatschappelijk werk). Mogelijk afstemming met C. of er opnieuw in het kader van aankomende prechirurgische traject nog specifiek onderzoek moet plaatsvinden ?

              Huidige situatie:

          -persisterende clusters complex partiele aanvallen en periodes van weken met dagelijks 10-20 auragevoelens per dag.

-Ondanks dat 3e jaars  opleiding tot verpleegkundige MBO (op vorige stage(s) problemen gehad, ontslagen, diploma niet gekregen, volgens patiente dachten ze aan PDD NOS, dit is niet getest en zelf vindt ze niet dat ze dat heeft, er loopt nog een rechtszaak rondom dit ontslag.

-tijdens contacten met patiente valt op dat de stoicijns haar eigen plannen trekt en dit heeft vaak weinig te maken met de bedoelde afspraken (hoe laat ze waar moet verschijnen bijv). Lastig hoe dit goed te managen. Lastig om een goed contact met patiente te krijgen. Indruk van mogelijke PDD NOS.

-haar eigen hulpvraag is misschien een psycholoog te willen omdat ze zich onzeker en angstig voelt nav ervaringen vooral op eerdere stageplekken (waarbij ze steeds kritiek kreeg of verschillende opdrachten van verschillende mensen).”.

          Op 28 oktober 2014 heeft een intakegesprek plaatsgevonden tussen klaagster en de

          GZ-psycholoog. Naar aanleiding van het contact met klaagster heeft de GZ-psycholoog een begeleidingsverslag opgesteld. Dit verslag houdt in:

 

                       “Naam                       : A.

                       (..)       

                       Aanvrager                   : S. E.

                       Onderzoeksdatum       : 28-10-2014

                       Psycholoog                 : C.

                       (...)

                       Verwijzingsvraag

          Vraagstelling (..): Graag opnieuw een indruk van deze patiente (er is in 2004 al uitgebreid onderzoek gedaan) en vooral uit het oogpunt van advies voor haar begeleiding rondom prechirurgisch traject (dat opnieuw herstart is), en of er bij haar een 1e lijns psycholoog zinvol is (danwel maatschappelijk werk). Mogelijk afstemming met C. of er opnieuw in het kader van aankomende prechirurgische traject nog specifiek onderzoek moet plaatsvinden ?

              Huidige situatie:

          -persisterende clusters complex partiele aanvallen en periodes van weken met dagelijks 10-20 auragevoelens per dag.

-Ondanks dat 3e jaars  opleiding tot verpleegkundige MBO (op vorige stage(s) problemen gehad, ontslagen, diploma niet gekregen, volgens patiente dachten ze aan PDD NOS, dit is niet getest en zelf vindt ze niet dat ze dat heeft, er loopt nog een rechtszaak rondom dit ontslag.

-tijdens contacten met patiente valt op dat de stoicijns haar eigen plannen trekt en dit heeft vaak weinig te maken met de bedoelde afspraken (hoe laat ze waar moet verschijnen bijv). Lastig hoe dit goed te managen. Lastig om een goed contact met patiente te krijgen. Indruk van mogelijke PDD NOS.

-haar eigen hulpvraag is misschien een psycholoog te willen omdat ze zich onzeker en angstig voelt nav ervaringen vooral op eerdere stageplekken (waarbij ze steeds kritiek kreeg of verschillende opdrachten van verschillende mensen).

              Verloop van het gesprek

Mevr. A. heeft voor een herevaluatie van het huidige toestandsbeeld met collega F. een kennismakingsgesprek gehad. Een samenvatting hiervan is in de decursus opgenomen.”.

           Door F. is op 17 november 2014 in de decursus genoteerd:

              “Consult op 28-10-2014:

              (..)

Op de middelbare school heeft patiënte om psychologische hulpverlening gevraagd. Aldaar hebben zij G. ingeschakeld en werd de diagnose PDD-NOS gesteld. (..)

Patiënte heeft in de periode 2004-2008 de opleiding tot verpleegkundige gevolgd op diverse onderwijsinstellingen. Zij liep telkens vast op stage vanwege haar houding. De stages riepen veel spanning op, omdat patiënte het graag goed wil doen en zij moeite heeft om haar grenzen aan te geven.”.

4.      De klacht

Klaagster verwijt de GZ-psycholoog dat hij, nadat hij haar slechts één keer heeft gezien en geen onderzoek heeft verricht, uitgaat van de diagnose PDD-NOS. Verder verwijt zij de GZ-psycholoog dat hij onjuiste uitspraken heeft gedaan over haar opleiding en stages, en daarover heeft gerapporteerd.

5.        Beoordeling van het beroep

Procedure

5.1       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de

GZ-psycholoog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is door partijen een schriftelijk debat gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege genomen beslissing. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 november 2019 is dat debat voortgezet.

5.2       In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe – zo begrijpt het Centraal Tuchtcollege – dat klaagster alsnog wordt ontvangen in haar klacht en dat de klacht gegrond wordt verklaard.

5.3       De GZ-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het beroep dan wel verwerping van het beroep.

Beoordeling

5.4       Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoet het beroepschrift van klaagster aan de daaraan te stellen eisen. Klaagster wordt daarom ontvangen in haar beroep. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege wel datklaagster in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege kan voorleggen die in de oorspronkelijke klacht aan het Regionaal Tuchtcollege zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van nieuwe klachten, kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.

5.5       Anders dan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege de klacht van klaagster voldoende duidelijk. Het klaagschrift voldoet aan de daaraan te stellen eisen en leent zich voor inhoudelijke behandeling. Gelet op het bepaalde in artikel 73, lid 9 van de Wet BIG doet het Centraal Tuchtcollege de zaak zelf af.

5.6       Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht van klaagster ongegrond. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt niet dat de GZ-psycholoog zonder onderzoek is uitgegaan van de diagnose PDD-NOS. Evenmin volgt uit die stukken dat hij onjuiste uitspraken heeft gedaan over de opleiding en stages van klaagster en daarover heeft gerapporteerd. De passage in het genoemde begeleidingsverslag, waarin wordt gesproken over PDD-NOS en de opleiding en stages van klaagster, betreft een letterlijke weergave van de verwijzingsopdracht en zijn dus geen uitspraken van de GZ-psycholoog. Een diagnose heeft hij niet gesteld. De aantekeningen in de decursus van F. – voor zover deze al aan de GZ-psycholoog kunnen worden toegeschreven – zijn gemaakt naar aanleiding van mededelingen die klaagster heeft gedaan tijdens het kennismakingsgesprek op 28 oktober 2014. Klaagster betwist dit weliswaar maar een en ander kan worden afgeleid uit de inhoud van de aantekeningen. Het maken van dergelijke aantekeningen ligt voor de hand en het Centraal Tuchtcollege ziet hierin geen enkel tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. 

5.7       Het vorenstaande betekent dat als volgt zal worden beslist.

6.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter, S.M. Evers en

Y.A.J.M. van Kuijck, leden-juristen en L.C. Mulder en R.M.H. Schmitz, leden-beroepsgenoten en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 9 januari 2020.

                        Voorzitter   w.g.                                             Secretaris  w.g.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens