Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2020:47
Datum uitspraak:
11-02-2020
Datum publicatie:
12-02-2020
Zaaknummer(s):
c2019.188
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen bedrijfsarts. In deze beroepsprocedure is uitsluitend nog aan de orde  klachtonderdeel 5, inhoudende dat de bedrijfsarts stelselmatig heeft geweigerd het volledige dossier aan klager over te leggen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.188 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., bedrijfsarts, destijds werkzaam te D.,

verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. A.C. Zentveld, verbonden aan Zorg van de Zaak.

1.        Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 27 februari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de bedrijfsarts – een klacht, bestaande uit vijf klachtonderdelen, ingediend. Bij beslissing van 29 mei 2018, onder nummer 18/080, heeft dat college klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Klager is van die beslissing in beroep gekomen. Bij beslissing van 7 februari 2019, onder nummer C2018.284, heeft het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam vernietigd voor zover daarbij klachtonderdeel 5 niet‑ontvankelijk is verklaard en de zaak voor beoordeling van dit klachtonderdeel naar het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam teruggewezen. Voor het overige is de beslissing in beroep bevestigd.

Vervolgens heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam bij beslissing van 11 juli 2019, onder nummer 18/080x, dat klachtonderdeel 5 afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 januari 2020, waar zijn verschenen klager, in persoon, en de bedrijfsarts, in persoon en bijgestaan door mr. A.C. Zentveld, voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten en de eerder gevoerde procedures

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klager heeft van mei 2008 tot en met januari 2014 gewerkt bij zijn werkgever. Op 5 november 2012 heeft klager zich ziekgemeld en daarna op 12 december 2012 een tweede keer.

2.2.      Verweerster is sinds 2009 als bedrijfsarts in dienst van E.. De (ex-) werkgever van klager is klant van de (rechtsvoorganger van) E., uit hoofde waarvan verweerster klager op het spreekuur van 3 januari 2013 voor het eerst heeft gezien. Tijdens dat spreekuur heeft klager aan verweerster te kennen gegeven overwerkt te zijn. Een dag later heeft de werkgever van klager contact gezocht met het kantoor van verweerster en meegedeeld dat de samenwerking met en het functioneren van klager de laatste tijd niet goed verliep.

2.3.      Er is een reintegratietraject gestart voor klager bij zijn werkgever. Op 20 juni 2013 heeft het UWV geoordeeld dat de werkgever gedurende de ziekteperiode van klager onvoldoende re-integratie inspanningen had uitgevoerd. Op advies van verweerster is getracht om een mediation traject in te zetten, hetgeen geen resultaat heeft gehad. Vervolgens is verweerster voor klager een ‘spoor 2’  traject gestart.

2.4.      Klager heeft op 4 juli 2016 bij dit RTG een tuchtklacht tegen verweerster ingediend, waarbij de klacht – zakelijk weergegeven – inhield dat verweerster niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam bedrijfsarts. De klacht bestond destijds uit de volgende klachtonderdelen:

i) verweerster heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de eerste ziektedag van klager;

ii) verweerster had niet de beschikking over de zogenaamde RI&E (Risico Inventarisatie & Evaluatie) van de werkgever van klager;

iii) verweerster had een uitgebreide probleemanalyse moeten opstellen, in plaats van een verkorte probleemanalyse;

iv) verweerster heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar de werkomgeving van klager;

v) verweerster heeft zonder onderzoek een mediation traject willen starten;

vi) verweerster heeft nagelaten een FML (Functionele Mogelijkheden Lijst) op te stellen;

vii) verweerster heeft onvoldoende gedaan om de mediation te laten slagen;

viii) verweerster is onder valse voorwenselen een spoor 2 traject gestart, terwijl dit feitelijk een outplacement procedure was;

ix) er is geen arbeidskundig onderzoek gestart en

x) verweerster heeft klager ten onrechte ‘volledig arbeidsgeschikt voor passende werkzaamheen’  genoemd.

2.5.      Bij beslissing van 6 december 2016 van dit college is de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Klager is van deze beslissing in hoger beroep gegaan. Het CTG heeft klager destijds niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover het beroepsschrift nieuwe onderdelen bevatte en het hoger beroep voor het overige verworpen. In deze beslissing van het CTG staat, voor zover thans relevant, onder meer het volgende:

“(ad viii)

5.9.      Het college is met klager van oordeel dat het door verweerster ingezette re-integratietraject in het tweede spoor feitelijk een outplacement traject betrof.

Verweerster heeft dit ook onderkend en bij nader inzien toegegeven dat het beter was geweest als zij het ook als een outplacementtraject had aangeduid. Dat maakt echter nog niet dat sprake is van een dermate ernstig verwijt dat verweerster hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, te meer nu het effect van het traject door de onjuiste aanduiding niet is veranderd. Dit klachtonderdeel is derhalve evenmin gegrond.

(ad ix) 

5.10.    In het licht van het voorgaande, waaruit blijkt dat er in elk geval (ook) sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie als gevolg waarvan een outplacementtraject was ingezet, is het naar het oordeel van het college verweerster niet aan te rekenen dat er geen arbeidskundig onderzoek is uitgevoerd. Het is niet zo dat een bedrijfsarts het te allen tijde ertoe dient te leiden dat een arbeidskundig onderzoek plaatsheeft. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

 

2.6.      Hierna heeft klager een nieuw klaagschrift ingediend bij dit college (zie hiervoor onder 1).  De klachtonderdelen luidden toen dat verweerster volgens klager:

1)  geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de klachten van verweerder, geen anamnese heeft afgenomen, geen medisch dossier heeft bijgehouden en zich onprofessioneel en

2) volledig loyaal naar de werkgever heeft opgesteld;

3) het arbeidsongeschiktheidscriterium onjuist heeft gebruikt om de werkgever te bevoordelen;

4) ten onrechte geen richtlijn heeft gebruikt, zowel het LESA protocol Burnout, als de STECR Werkwijze Arbeidsconflicten;

5) stelselmatig het overleggen van het volledige dossier, inclusief mede onderzoeken (gelezen dient te worden: medische onderzoeken, RTG), en een beschrijving van de functie en werkzaamheden van klager, heeft geweigerd. Verweerster heeft uitsluitend beoekrapportage, algemeen logboek en medische kaart overgelegd. Verweerster heeft geen overzicht verstrekt van verrichte testen en onderzoek, geen testresultaten overleg en resultaatbevindingen.

2.7.      Na niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg van deze op 27 februari 2018 ingediende klachten door dit college wegens strijd met het ne-bis-in-idem beginsel, heeft het CTG - voor zover hier van belang – bij beslissing van 7 februari 2019  overwogen:

“ (…) Ten aanzien van klachtonderdeel 5 inzake het niet verstrekken van een (volledig) dossier komt het Centraal Tuchtcollege tot een ander oordeel. Weliswaar betreft het handelen dat klager in dit klachtonderdeel aan de orde stelt opnieuw de periode rondom de advisering door de bedrijfsarts waarover reeds eerder is geoordeeld, maar het betreft hier handelen of nalaten dat nog niet eerder tuchtrechtelijk is beoordeeld. Hetgeen klager in dit verband aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd rechtvaardigt derhalve een nieuwe behandeling van de klacht op dit onderdeel. In zoverre slaagt het beroep van klager (…)

Waarna het CTG de zaak voor beoordeling van dit klachtonderdeel heeft terugverwezen naar dit college. 

 

3.         De klacht en het standpunt van klager

3.1.      Het terugverwezen klachtonderdeel 5 houdt - zakelijk weergegeven - in dat verweerster stelselmatig heeft geweigerd het volledige dossier aan klager over te leggen, dwz: volgens klager inclusief:

-          medische onderzoeken;

-           een overzicht van verrichte testen en onderzoeken, testresultatenoverleg en resultaatbevindingen;

-          een beschrijving van de functie en de werkzaamheden van klager.

3.2.      Per e-mail van 8 februari 2009(correctie CTG: de e-mail dateert van 8 februari 2019) heeft klager aan verweerster verzocht om gezien de terugverwijzing per omgaande de volgende stukken aan hem toe te zenden:

-                    een afschrift van een door verweerter opgesteld FML;

-                    een afschrift van het volledige dossier, opgebouwd op basis van de NVAB voorschriten (o.a. voorschriften voor psychische problemen, feitelijke weergave gevolgde stappen, opgave genomen interventies);

-                    JCQ, conform werkdruk voorschriften NVAB;

-                    QWI conform de werkdruk voorschriften NVAB;

-                    een functie en werkbeschrijving;

-                    een profielschets met het daarbij behorende belastbaarheidsprofiel;

-                    RIV verslag;

-                    een eind verklaring van het ingezette spoor 2 buro;

-                    een onderzoek rapporten en verslagen conform art. 4 van de multidisciplinaire richtlijn;

-                    een verklaring waaruit blijkt dat medio 1 december 2013 klager niet geschikt was voor eigen werk, ook niet bij derden;

-                    een verklaring dat 1e ziektedag onjuist is vastgesteld en dat dien ten gevolge, voor rekening en risico van opdrachtgever, te laat een plan van aanpak is opgesteld, er geen getekend gewijzigd plan van aanpak is, en te laat een 42e week melding is gedaan.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Het CTG heeft in de beslissing  overwogen dat over klachtonderdeel 5 – heeft verweerster stelselmatig geweigerd het volledige dossier over te leggen – nog niet eerder was geoordeeld. In het kader van de terugverwijzing zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen op dit punt nader toe te lichten.

5.2.      Uit de toelichting van klager, maakt het college op dat klager met dat klachtonderdeel bedoelt dat – nu verweerster het traject eerder een spoor 2 traject had genoemd – zij ook de bijbehorende stukken van een spoor 2 traject had moeten (laten) opstellen en deze stukken bij de dossieropvrage aan klager aan hem had moeten verstrekken. Nu zij volgens klager dus niet alle stukken (die uitgaande van een spoor 2 traject volgens klager in het dossier hadden moeten zitten) aan hem heeft verstrekt, heeft zij volgens hem tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.3.      Volgens verweerster heeft zij het dossier, zoals dit is opgesteld, volledig aan klager overgelegd en niks achtergehouden. Het dossier is in het kader van de (eerste) procedure bij het CTG overgelegd en (ook) aangetekend aan klager toegezonen op

2 juni 2016. Het enige document wat nog ontbrak en waar klager terecht op wees is later separaat toegezonden.

Zij heeft, omdat (feitelijk gezien) geen sprake was van een spoor 2 traject, bedoelde stukken destijds niet (laten) opmaken. Nu deze stukken er niet zijn, kunnen ze ook niet worden verstrekt aan klager, aldus verweerster. Volgens verweerster was ook voor iedereen duidelijk dat er geen sprake was van een spoor 2 traject.

5.4.      Het college volgt verweerster hierin. Zoals hiervoor onder 2.5 opgenomen, staat (ook tussen partijen) onherroepelijk vast dat feitelijk geen sprake is geweest van een spoor 2 traject maar van een outplacement-traject, hetgeen verweerster abusievelijk (aanvankelijk) een spoor 2 traject had genoemd. Deze vergissing in de benaming achtte het CTG destijds niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en ook oordeelde het CTG destijds dat verweerster met betrekking tot het door haar uitgevoerde traject inhoudelijk gezien geen tuchtrechtelijke verwijten waren te maken.

5.5.      Het voorgaande brengt tevens met zich dat niet is gebleken dat er stukken in het dossier van klager zouden zijn, die verweerster voor hem zou achterhouden. Klachtonderdeel 5 faalt daarmee.

 

5.6.      Voor de discussie of deze stukken (evenals de overige stukken die klager gelet op zijn e-mail van 8 februari 2019 nu nog van verweerster verlangt) gelet op alle omstandigheden wel in het dossier hadden moeten zitten, althans dat deze alsnog door verweerster zouden zouden moeten worden opgesteld, is inhoudelijk gezien geen plaats meer.

Deze discussie valt onder de vraag of verweerster het door haar gevolgde traject zorgvuldig heeft afgehandeld, waarover in de eerdere tuchtprocedure door het CTG onherroepelijk is geoordeeld. Klager lijkt met het voorleggen van deze opvraagverzoeken aan het college de inhoudelijke discussie hierover weer te willen openen. Vanwege het ne-bis-in idem beginsel kan daarover echter niet meer worden geoordeeld.

5.7.      De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel 5 kennelijk ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       Klager kan zich niet verenigen met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en concludeert – impliciet - tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2       De bedrijfsarts voert hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Zij betoogt daartoe dat klager in beroep onvoldoende duidelijk heeft aangegeven waarom hij het oneens is met de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5. Subsidiair concludeert verweerster tot verwerping van het beroep.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend nog ter beoordeling staat de vraag of klachtonderdeel 5 terecht is afgewezen. Dit klachtonderdeel houdt in dat verweerster stelmatig heeft geweigerd aan klager het volledige dossier over te leggen. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen grond voor het oordeel dat klager in beroep onvoldoende naar voren heeft gebracht om daarin te kunnen worden ontvangen. In zoverre faalt het verweer van de bedrijfsarts.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van het in eerste aanleg over klachtonderdeel 5 door partijen gevoerde debat. De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachtonderdeel 5 en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Er zijn geen stukken in het dossier van klager, die de bedrijfsarts voor hem heeft achtergehouden.

4.5       Dat, zoals klager in beroep andermaal heeft betoogd, de bedrijfsarts in strijd met haar gehoudenheid daartoe zou hebben verzuimd ook nog andere stukken op te stellen, met de onvolkomenheid van dat dossier tot gevolg daarvan, maakt dat oordeel niet anders. Immers, dat verwijt ziet op de vraag naar de zorgvuldigheid van de afhandeling van het door de bedrijfsarts gevolgde traject.Zoals het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen, is hierover door het Centraal Tuchtcollege in een eerdere beroepsprocedure al onherroepelijk geoordeeld en kan, gelet op het in artikel 51 van de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg neergelegde ‘ne bis in idem-beginsel’, daarover niet opnieuw een oordeel worden gegeven.

4.5       Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel 5 terecht heeft afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door: R. Veldhuisen, voorzitter; E.F. Lagerwerf-Vergunst en

       T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en W.A. Faas en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden-beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.

Voorzitter  w.g.         Secretaris  w.g.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens