Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2020:46
Datum uitspraak:
11-02-2020
Datum publicatie:
12-02-2020
Zaaknummer(s):
c2019.141
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht, bestaande uit acht onderdelen, tegen arts die in opdracht van de gemeente onderzocht of klaagster inzetbaar was op de arbeidsmarkt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft vijf klachtonderdelen gegrond verklaard en aan de arts een berisping opgelegd. Klaagster komt in beroep op tegen het oordeel van dat college dat drie klachtonderdelen ongegrond zijn. Deze klachtonderdelen betreffen het door de arts verrichte lichamelijk onderzoek, de vraag of hij zich voor bedrijfsarts heeft uitgegeven en de vraag of hij zich partijdig heeft opgesteld. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege over deze drie klachtonderdelen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.141 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., arts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde ter zitting: D., werkzaam bij E.

1.        Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 31 augustus 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 25 april 2019, onder nummer 18165, heeft dat college de klachtonderdelen 1, 2, 4, 5, en 8 gegrond verklaard, aan de arts de maatregel van berisping opgelegd, en de klachtonderdelen 3, 6 en 7 afgewezen. Voorts heeft dat college bepaald dat, om redenen aan het algemeen belang ontleend, de beslissing, zodra zij onherroepelijk is geworden, zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, alsmede aan Medisch Contact.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 januari 2020, waar is verschenen de arts, bijgestaan door de heer D., voornoemd. De heeft zijn standpunt nader toegelicht.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Verweerder is werkzaam als keurend arts voor een instelling die onder meer in opdracht van gemeenten de inzetbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt beoordeelt (hierna: de instelling). 

Klaagster is door de instelling bij brief van 11 juli 2018 uitgenodigd voor een medisch onderzoek op 25 juli 2018. In de brief werd vermeld dat doel van het onderzoek was te onderzoeken of, en in hoeverre, klaagster inzetbaar was op de arbeidsmarkt, dat het onderzoek zou worden verricht door verweerder en dat het ongeveer een half uur zou duren.

Op 25 juli 2018 heeft verweerder met klaagster gesproken en haar onderzocht. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder een door de instelling gebruikt standaardformulier, bestaande uit een ‘Rapportage diagnose fysieke klachten’ (p. 1 t/m 6) en een ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (p. 7 t/m 10) ingevuld.

De vraagstelling (p. 3 van het formulier) luidt als volgt (alle citaten inclusief spel- en taalfouten):

“VRAAGSTELLING

Is er sprake van objectiveerbare fysieke beperkingen?

Zijn de beperkingen van structurele of tijdelijke aard?

Kunt u uit de fysieke beperkingen en noodzakelijke aanpassingen door middel van de FML beschrijven?

Wat zijn de gevolgen van de vastgestelde beperkingen voor deelname aan werk of participatie?

Is er sprake van een tijdelijke of structurele urenbeperking?

Kunt u de mogelijkheden tot werk of participatie benoemen?

Kunt u de noodzakelijke interventies benoemen, die de kans op werk of participatie vergroten?”

Op p. 1 van de rapportage heeft verweerder onder ‘Conclusie’ aangekruist: “Benutbare mogelijkheden, blijvende fysieke beperkingen” en onder ‘Urenbeperking’: “Geen, mits rekening wordt gehouden met de beperkingen zoals vastgelegd in de FML” Verder is op p. 3 van de rapportage onder ‘Informatie behandelende sector’ vermeld dat cliënt niet heeft verzocht om informatie op te vragen.

Verweerder heeft in dit rapport onder ‘Diagnose fysieke beperkingen – Beschouwing’ onder meer genoteerd:

Op p. 4 onder ‘Prognose van beperkingen’: “Verbetering mogelijk; binnen een termijn van 1-2 jaar” en op p. 5 onder ‘Sociale situatie – psychosociaal functioneren’: “Zeer beperkt. Toelichting: Geen contact met familie en niet met vrienden”

Op p. 6 staat:

“Gegevens uit onderzoek:

-                     bekkenklachten, na bevalling, sinds 2 jaar, huisarts adviseerde bewegen en

                        afvallen

-                     lage rugklacht, geen nader onderzoek door huisarts verricht, veelal op basis

                        van stress

-                     nekklacht, door strakke spieren, stress

-                     psychische klachten

Omschrijving van de klachten:

-                     bekkenklachten, te lang aaneen, lopen, staan en zitten geeft pijnklachten

-                     lage rugklacht, te lang aaneen en te veel belasten, staan, lopen, zitting, bukken

                        en tillen geeft pijnklachten

-                     nekklacht, verminderd belastbaar

-                     psychische klachten

Diëtiste helpt haar overgewicht te bestrijden, zal een positieve invloed hebben op alle bovengenoemde klachten; zo ook succes van psychologische hulp.

Visie arts op de participatiemogelijkheden

Binnen de gestelde beperkingen is, fysiek, arbeid mogelijk.

Reactie van de werkzoekende

(…)

Gaat akkoord met de inhoud en strekking van de conclusies en het advies.”

Op de door klaagster overgelegde cd-rom met daarop een opname van het gesprek tussen klaagster en verweerder op 25 juli 2018 is te horen dat zij op de vraag van verweerder of zij akkoord is met het toesturen van het rapport naar de gemeente antwoordt:

“ik weet het niet uh”.

Klaagster heeft op 25 juli 2018 kort na het gesprek een e-mail aan de instelling gestuurd waarin zij meldde dat zij tijdens het gesprek met verweerder een aantal dingen is vergeten aan te geven. Voorts staat in deze mail:

“(…) om deze redenen verzoek ik u om alles wat met lichamelijke klachten kan te maken hebben om deze bij mijn huisarts op te vragen.

Verder wil u op aanwijzen dat ik het niet fijn vond dat u zei even omdraaien met uw rug naar mij toe en uit het niets u mijn tshirt omhoog haalde en mijn rug met uw vinger in duwde. U had beter eerst kunnen aangeven zodat ik erop voorbereid zou zijn en kon kiezen wel of niet toestaan of door een vrouwelijke collega te laten controleren. Want nu werd ik overvallen en liep ik vast dan alleen maar ohh te zeggen.

Ook zou ik graag kopie van de diagnose rapport willen als deze klaar is. (…) Ook zou ik graag willen weten om [naam verweerder] alleen arts is of ook een keuringsarts/verzekeringsarts. Want die kon ik nergens terug vinden en was ik ook vergeten te vragen.”

Bij e-mail van 26 juli 2018 heeft verweerder klaagster het volgende geantwoord:

“1. Uw beperkingen hebben wij besproken en zal ik in de rapportage vermelden als besproken.

2. Uw klachten en beperkingen zijn duidelijk, nadere informatie van de huisarts zal geen nieuw gezichtspunt opleveren en dus is het voor mij niet nodig dit op te vragen.

3. uw opmerkingen over het onderzoek bevreemden mij:

- in de uitnodiging die U kreeg staat dat U opgeroepen wordt voor medisch onderzoek, dat daar een lichamelijk onderzoek bij hoort spreekt voor zich; wilde U daarvoor liever door een vrouwelijke arts onderzocht worden dat had U dat kunnen melden bij [de instelling] en zou dat geregeld zijn

- ik heb gezegd Uw rug te onderzoeken en vermeld dat ik Uw T-Shirt omhoog zal trekken om Uw rug te onderzoeken, dat heeft U blijkbaar gemist

4 de rapportage zal naar de gemeente gestuurd worden, die onze opdrachtgever is. derhalve zal U bij Uw contactpersoon moeten zijn voor inzage, cq een kopie;

5. ik ben arts, bevoegd om dit soort onderzoeken te verrichten.

Hopelijk kunt U hier verder mee.”

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij zich onprofessioneel heeft gedragen, omdat hij:

1.                 klaagsters verzoek om contact op te nemen met haar huisarts heeft genegeerd;

2.                 een onjuiste diagnose heeft gesteld en matig onderzoek heeft verricht naar

            haar lichamelijke klachten;

3.                 ongevraagd lichamelijk onderzoek heeft verricht en klaagster heeft aangeraakt

 waarvoor zij geen toestemming had gegeven;

4.                 zonder klaagsters toestemming haar privégegevens, waaronder medische

            gegevens over haar, heeft doorgegeven aan de gemeente;

5.                 klaagster het blokkeringsrecht, inzagerecht en correctierecht betreffende de

            rapportage met de diagnose heeft ontnomen;

6.                 zich heeft uitgegeven voor bedrijfsarts terwijl hij alleen maar een arts is;

7.                 zich partijdig heeft opgesteld door een diagnose te stellen met in zijn

achterhoofd de wensen van de opdracht, ongeacht klaagsters werkelijke gezondheidssituatie;

8.                 klaagster heeft voorgelogen tijdens het gesprek, in het rapport iets anders

heeft opgeschreven dan hij eerder had aangegeven en dit voor klaagster geheim wilde houden doordat hij haar in eerste instantie geen inzicht wilde geven in het rapport.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder reageert op een aantal verwijten van klaagster als volgt. Hij stelt dat hij bevoegd is tot het verrichten van onderzoek in het kader van de participatiewet ter bepaling van onder meer beperkingen, dat hij na de anamnese klaagster heeft verteld dat hij haar t-shirt omhoog ging doen om haar rug en nek te onderzoeken, dat hij na het onderzoek zijn bevindingen aan klaagster heeft meegedeeld en aangegeven dat hij deze naar de contactpersoon van de gemeente zou opsturen. Klaagster heeft op de vraag of zij daarmee akkoord was niet aangegeven dat zij dat niet wilde. Toen klaagster in een mail, verstuurd na het onderzoek, vroeg om informatie bij haar huisarts op te vragen heeft verweerder dat niet gedaan omdat dat geen nieuwe informatie zou opleveren. De andere verwijten wijst verweerder met klem van de hand omdat zij alle realiteit missen, aldus verweerder.

5. De overwegingen van het college

Ad 1 en 2

Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Door deze samenvoeging komt het verwijt dat klaagster verweerder maakt erop neer dat hij matig onderzoek heeft verricht naar haar klachten, omdat hij a) het verzoek om contact met haar huisarts op te nemen heeft genegeerd en b) een onjuiste diagnose heeft gesteld. Weliswaar merkt verweerder terecht op dat hij geen diagnose heeft gesteld, maar nu het rapport is getiteld “Rapportage Diagnose Fysieke klachten” begrijpt het college dat klaagster daarmee bedoelt dat verweerder haar fysieke klachten c.q. beperkingen niet goed heeft vastgesteld.

Vooropgesteld wordt dat de vermelding in het rapport dat klaagster niet heeft gevraagd om informatie bij de behandelend sector op te vragen, gelet op haar e-mail van 25 juli 2018 niet juist is. Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard en ook uit de stukken blijkt, heeft verweerder zijn rapport op 30 juli 2018 naar klaagster en de gemeente gestuurd. Op dat moment had verweerder genoemde e-mail van klaagster met het verzoek om informatie bij haar huisarts op te vragen al ontvangen en op

26 juli 2018 beantwoord (zie onder 2. Feiten).

Van verweerder had daarom verwacht mogen worden het rapport op dit punt aan te passen alvorens het naar de gemeente en klaagster te sturen.

Wat betreft het verwijt dat verweerder het verzoek om contact op te nemen met haar huisarts heeft genegeerd, volgt het college verweerder niet in zijn standpunt dat het niet nodig was om informatie bij de huisarts op te vragen omdat dit geen nieuwe informatie zou opleveren.

Het college overweegt daarover als volgt.

Om klaagsters beperkingen te kunnen vaststellen diende verweerder zich eerst een juist en volledig beeld te vormen van haar gezondheidssituatie. Verweerder kon zich dat beeld vormen door onder andere het afnemen van de anamnese en het uitvoeren van lichamelijk onderzoek bij klaagster, wat verweerder ook heeft gedaan. Indien daarmee geen volledig beeld kan worden verkregen, is het soms nodig met instemming van de betrokkene informatie bij behandelaars op te vragen, zodat daarna de beperkingen juist kunnen worden vastgesteld.

Uit de rapportage blijkt dat verweerder bij klaagster enerzijds blijvende fysieke beperkingen heeft aangenomen en klaagster zeer beperkt achtte in haar psychosociaal functioneren, maar anderzijds ook verwachtte dat binnen een termijn van 1 à 2 jaar verbetering mogelijk is. Onduidelijk is op grond waarvan verweerder deze conclusie heeft getrokken en waarop zijn prognose is gebaseerd. Gelet op de aard van klaagsters klachten is het college van oordeel dat verweerder deze conclusie en prognose zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet enkel kon baseren op de bij klaagster afgenomen anamnese en het uitgevoerde lichamelijk onderzoek, maar dat daar nadere informatie van klaagsters behandelaars voor nodig was. Klaagster had verweerder in haar e-mail van 25 juli 2018 ook verzocht om “alles wat met lichamelijke klachten te maken kan hebben om deze bij mijn huisarts op te vragen”. Verweerder heeft – zo blijkt uit het transcript – klaagster weliswaar ook (heel) kort naar haar psychische klachten gevraagd tijdens het onderzoek, waarbij klaagster aangaf dat zij leed aan depressie en angst. Verweerder heeft deze klachten onvoldoende uitgevraagd en ook op dit punt was – weliswaar met expliciete instemming van klaagster – nadere informatie uit de behandelende sector nodig om te komen tot een goed beeld van klaagsters gezondheidssituatie en belastbaarheid. Pas met een volledig beeld zouden de beperkingen juist kunnen worden vastgesteld. Deze klachtonderdelen zijn gegrond.

Ad 3

Uit het door klaagster overgelegde transscript van het gesprek tussen klaagster en verweerder op 25 juli 2018 - waarover verweerder ter zitting heeft opgemerkt geen reden te hebben om te betwijfelen dat dit geen juiste weergave van het gesprek is - blijkt niet dat verweerder klaagster expliciet heeft meegedeeld dat hij haar lichamelijk ging onderzoeken. Maar daaruit blijkt wel dat verweerder na de bespreking van de klachten tegen klaagster zei dat zij even moest gaan staan en dat hij even naar haar rug ging kijken. Op dat moment moet het voor klaagster duidelijk zijn geweest dat verweerder haar rug ging onderzoeken. Als zij daartegen bezwaar had, dan had zij dat op dat moment aan kenbaar moeten maken. Door dat niet te doen, mocht verweerder ervan uitgaan dat klaagster met het door hem te verrichten lichamelijk onderzoek instemde. Aldus kan niet worden gezegd dat verweerder klaagster zonder haar toestemming heeft onderzocht.  Bovendien had klaagster uit de uitnodigingsbrief kunnen afleiden dat zij door verweerder onderzocht zou worden. In die brief stond immers dat zij werd opgeroepen voor medisch onderzoek.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad 4 en 5

Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klaagster verwijt verweerder dat hij zonder klaagsters toestemming haar privégegevens, waaronder medische gegevens over haar, heeft doorgegeven aan de gemeente en haar het blokkeringsrecht, inzagerecht en correctierecht betreffende de rapportage met de diagnose heeft ontnomen. Het college overweegt als volgt.

Aangezien verweerder klaagster in opdracht van de gemeente heeft onderzocht om te beoordelen in hoeverre klaagster inzetbaar is op de arbeidsmarkt en in dat verband heeft onderzocht of bij klaagster sprake is van fysieke beperkingen, volgt uit artikel 7:446 lid 4 BW dat de verhouding tussen klaagster en verweerder niet kan worden gekwalificeerd als een behandelingsovereenkomst. Uit artikel 7:464 lid 2 sub b BW volgt vervolgens dat aan klaagster het inzage- en blokkeringsrecht toekomt.

Verweerder stelt dat hij aan het eind van het onderzoek klaagster zijn bevindingen heeft meegedeeld, dat hij heeft meegedeeld dat hij deze naar de contactpersoon van de gemeente zou laten sturen en dat klaagster op zijn vraag of dat akkoord is, niet heeft aangegeven dat zij dat niet wilde of dat zij daartegen bezwaar had. In het rapport is echter niet vermeld dat verweerder klaagster heeft gewezen op het inzage- en blokkeringsrecht en overigens is dat ook niet gebleken. Verweerder heeft klaagster in zijn e-mail van 26 juli 2018 desgevraagd meegedeeld dat zij zich tot de gemeente dient te wenden als zij inzage in het rapport wenst. Aldus heeft verweerder klaagster niet alleen onjuist geïnformeerd, maar haar tevens de mogelijkheid ontnomen het blokkeringsrecht uit te oefenen. Dat de gevolgde procedure volgens verweerder bij de instelling te doen gebruikelijk is, doet er niet aan af dat van verweerder als professional niet alleen mag worden verwacht de juiste procedure te volgen, maar ook bij de instelling aan te kaarten dat de gevolgde procedure niet juist, want niet in overeenstemming met de wettelijke vereisten. Klachtonderdeel 5 is gegrond.

Ook als klaagster geen gebruik zou hebben gemaakt van haar blokkeringsrecht (nadat zij daarop door verweerder zou zijn gewezen) en aan verweerder toestemming zou hebben verleend om het rapport naar de gemeente te sturen, kan de handelwijze van verweerder de tuchtrechtelijke toets der kritiek niet doorstaan. Het college overweegt daartoe als volgt.

Verweerder voert als keurend arts een beroep uit op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Derhalve is verweerder gebonden aan de in artikel 88 Wet BIG neergelegde geheimhoudingsverplichting, die als volgt luidt:

“De beoefenaren van een op grond van artikel 3, 34 of 36a gereguleerd beroep zijn verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”

Eventuele toestemming van klaagster tot het doorsturen van het rapport naar de gemeente, ontsloeg verweerder niet van deze geheimhoudingsverplichting in die zin dat op hem de plicht rustte om in de rapportage enkel de voor het beantwoorden van de vraagstelling noodzakelijke medische gegevens over klaagster op te nemen. Die vraagstelling (zoals weergegeven op pagina 3 van de rapportage) luidde – kort weergegeven – of verweerder informatie over klaagsters beperkingen wilde doorgeven en mogelijkheden tot werk of participatie en noodzakelijke interventies wilde benoemen. Het in de rapportage vermelden van onder meer klaagsters lichamelijk en psychische klachten, dat zij psychologisch onderzoek heeft aangevraagd en door een diëtiste wordt begeleid, dat zij alleenstaand is en geen contact heeft met familie en vrienden levert strijd op met de op verweerder rustende geheimhoudingsverplichting. Dat in de rapportage klachten zijn vermeld die voorafgaande aan het onderzoek van 25 juli 2018 door de gemeente aan verweerder waren meegedeeld, zoals verweerder heeft gesteld, doet aan die geheimhoudingsverplichting van verweerder niet af. Dit betekent dat ook klachtonderdeel 4 gegrond is.

Ad 6

In de uitnodigingsbrief staat dat klaagster door een arts zou worden onderzocht.  Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich nooit als bedrijfsarts heeft gepresenteerd en dat hij zich op 25 juli 2018 aan klaagster heeft voorgesteld door zijn naam te noemen. Dit blijkt ook uit het door klaagster overgelegde transscript. Derhalve is niet gebleken dat verweerder zich aan klaagster heeft gepresenteerd als bedrijfsarts. Dit verwijt is ongegrond.

Ad 7

Klaagster stelt wel dat verweerder zich partijdig heeft opgesteld door een diagnose te stellen met in zijn achterhoofd de wensen van de opdrachtgever, ongeacht de gezondheidssituatie van klaagster, maar klaagster heeft niet nader onderbouwd waarop zij dit standpunt baseert. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing kan dit verwijt niet worden beoordeeld.

Dit leidt ertoe dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Ad 8

Het college begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat klaagster verweerder verwijt dat hij zijn bevindingen en zijn conclusies niet duidelijk aan haar heeft uitgelegd alsook dat zijn conclusies in het rapport niet goed zijn onderbouwd.

Uit hetgeen hiervoor onder klachtonderdeel 1 en 2 is overwogen, volgt dat dit klachtonderdeel gegrond is. Verweerder heeft onder meer geconcludeerd dat bij klaagster sprake is van blijvende beperkingen en dat zij wat haar psychosociaal functioneren betreft zeer beperkt is. Uit zijn rapport valt echter niet op te maken hoe verweerder tot deze conclusies is gekomen. Zoals hiervoor bij de beoordeling van de klachtonderdelen 1 en 2 is overwogen, is het door verweerder verrichte onderzoek van klaagster daarvoor onvoldoende geweest en daarmee ook ontoereikend om daarop deze conclusies, die voor klaagster vergaande gevolgen kunnen hebben, te kunnen baseren.

De maatregel

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat sprake is van meerdere fouten van verweerder. Zo heeft verweerder in zijn rapport geheel ten onrechte vermeld dat klaagster het niet nodig vond om informatie bij haar huisarts op te vragen en heeft hij in de gegeven omstandigheden ten onrechte nagelaten informatie bij haar huisarts op te vragen. Voorts heeft verweerder in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting niet noodzakelijke en teveel medische informatie over klaagster met zijn opdrachtgever gedeeld. Bovendien heeft verweerder verzuimd klaagster te informeren over het haar toekomende inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. Daarmee heeft hij haar de mogelijkheid onthouden daarvan gebruik te maken. Dat alles valt verweerder in ernstige mate te verwijten. Daar komt nog bij dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Het college legt daarom de maatregel van berisping op.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       De oorspronkelijke klacht bestond uit acht onderdelen. Het beroep van klaagster is gericht tegen de ongegrondverklaring door het Regionaal Tuchtcollege van de klachtonderdelen 3, 6 en 7. De arts voert hiertegen gemotiveerd verweer en concludeert tot verwerping van het beroep.

4.2.      Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg door klaagster geformuleerde klachtonderdelen 3, 6 en 7 en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

4.3       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 januari 2020 heeft de arts zijn standpunt nader toegelicht.

4.4      De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over de klachtonderdelen 3, 6 en 7 en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. In aanvulling daarop overweegt het Centraal Tuchtcollege dat klaagster in beroep heeft erkend dat de arts zich niet als bedrijfsarts heeft uitgegeven. Er is voorts geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat de arts – niet zijnde een bedrijfsarts – een keuring als waarvan hier sprake was verricht.

4.5       Uit het vorenstaande volgt dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen 3, 6 en 7 terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep wordt verworpen.

4.6       Om redenen aan het algemeen belang ontleendgelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

 

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

verstaat dat de maatregel van berisping in stand blijft;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en ter bekendmaking zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, alsmede aan Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door: R. Veldhuisen, voorzitter; E.F. Lagerwerf-Vergunst en

       T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en W.A. Faas en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden‑beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.

Voorzitter  w.g.     Secretaris  w.g.

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens