Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:92
Datum uitspraak:
18-06-2019
Datum publicatie:
18-06-2019
Zaaknummer(s):
2018-334
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klaagster niet-ontvankelijk in de klacht tegen een psychiater. De klacht dat de maatschap geen adequate klachtenregeling heeft en niet is aangesloten bij een geschilleninstantie valt niet onder de eerste of tweede tuchtnorm. Er bestond geen individuele behandelrelatie en hoewel de psychiater in zijn rol als manager of vennoot van de maatschap verantwoordelijkheid kan dragen voor het voldoen aan deze wettelijke verplichtingen, betreft dit geen handelen dat verband houdt met de uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Klaagster niet-ontvankelijk. 

 

Datum uitspraak: 18 juni 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C, psychiater,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.

 

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-         het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 10 december 2018;

-         het verweerschrift met bijlagen;

-         het aanvullend klaagschrift met bijlagen;

-         het aanvullend verweerschrift.



1.2             De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 7 mei 2019. Klaagster en beklaagde, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Beiden hebben pleitnotities overgelegd.



 

 

 

2.                 De feiten

 

2.1             Klaagster is neuroloog en vanaf 2014 tot en met september 2018 werkzaam geweest bij de maatschap E psychomedische praktijk. Beklaagde is als vennoot en behandelaar aan E verbonden.

 

2.2             Op 12 november 2018 heeft een patiënt van E een klacht ingediend bij het College tegen onder meer klaagster wegens schending van het medisch beroepsgeheim (zaak met kenmerk 2018-296b). De patiënt heeft in september 2018 over deze kwestie ook rechtstreeks bij E zijn beklag gedaan. Bij E is de klacht behandeld door F, directeur van E.

 

2.3             De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft op 11 maart 2019 aan klaagster bericht naar aanleiding van haar melding te onderzoeken of E ten aanzien van de klachtregeling voldoet aan de verplichtingen van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.



3.                 De klacht

 

De klacht luidt dat E geen adequate klachtenregeling heeft en niet is aangesloten bij een geschilleninstantie. In de hoedanigheid van partner (vennoot) van de maatschap is beklaagde verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en is hem hiervan een verwijt te maken. Klaagster voert aan dat het ontbreken van een klachtenregeling ervoor heeft gezorgd dat de klacht die de patiënt bij E heeft ingediend onvoldoende onafhankelijk is behandeld en de situatie is geëscaleerd, in die zin dat de patiënt aanleiding heeft gezien om een tuchtklacht tegen haar in te dienen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster de overige klachtonderdelen ingetrokken.

 

4.                 Het standpunt van beklaagde

 

Beklaagde heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klaagster omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Het verwijt ziet bovendien op het handelen van beklaagde als leidinggevende en vennoot van de maatschap en valt niet binnen de omschrijving van de tuchtnormen. Inhoudelijk voert beklaagde aan dat hem inmiddels is gebleken dat E destijds inderdaad niet was aangesloten bij een onafhankelijke geschillencommissie. E beschikte wel over een interne klachtenregeling, ook al was deze niet conform de wettelijke eisen. In lijn met die klachtenregeling is de klacht op adequate wijze behandeld door directeur F. Inmiddels is de klachten- en geschillenregeling verbeterd. Beklaagde voert tot slot aan dat hij van september tot en met december 2018 wegens ziekte afwezig is geweest en daarom niet zelf betrokken is geweest bij de behandeling van de klacht, zodat hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt.

 

5.                 De beoordeling

 

5.1             Het College overweegt dat eerst moet worden beoordeeld of klaagster kan worden ontvangen in haar klacht. Daarvoor is onder meer vereist dat klaagster klachtgerechtigd is op grond van artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en dat de gedragingen waarover zij klaagt vallen onder de reikwijdte het tuchtrecht, zoals is omschreven in artikel 47 Wet BIG.



5.2             Het College overweegt dat de klacht niet ziet op de wijze waarop de individuele klacht van de patiënt is behandeld. Gebleken is ook dat beklaagde bij deze klachtbehandeling geen feitelijke betrokkenheid heeft gehad. Klaagster verwijt beklaagde in zijn hoedanigheid van vennoot van de maatschap E dat E geen adequate klachten- en geschillenregeling had toen zij daar werkzaam was.  

Tussen klaagster en beklaagde bestond geen individuele behandelrelatie, zodat aan de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub a Wet BIG) niet kan worden getoetst. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg zijn onder meer verplichtingen neergelegd over de behandeling van klachten en geschillen. De normen in die wet richten zich tot de instellingen die zorg verlenen, niet tot de individuele beroepsbeoefenaren. Hoewel beklaagde in zijn rol als manager of vennoot van de maatschap verantwoordelijkheid kan dragen voor het voldoen aan deze wettelijke verplichtingen, betreft dit geen handelen dat verband houdt met de uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Het gaat ook niet om handelen dat strijdig kan zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Dit betekent dat ook aan de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG) niet kan worden getoetst.  

 

5.3             De conclusie is dat het handelen waarover wordt geklaagd, niet valt onder de reikwijdte van het tuchtrecht. Het College zal klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht.

 

6.         De beslissing

Het College:



verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht.

 

Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, M.M. van ‘t Nedereind, lid-jurist, H.N. Koetsier, P.C.L.A. Lambregts en E.P. van Heuzen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris



Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover

            hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de

            aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

 

 

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen. Degene die beroep instelt, is € 50,- griffierecht verschuldigd aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht van het Centraal Tuchtcollege. Als degene die in beroep is gegaan geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht terugbetaald.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens