Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:57
Datum uitspraak:
16-04-2019
Datum publicatie:
16-04-2019
Zaaknummer(s):
2018-311
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Verpleegkundige
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Duidelijk is dat de verpleegkundige geen informatie over klager als patiënt had mogen verstrekken aan de ex-echtgenote van klager. Het valt de verpleegkundige te verwijten dat hij niet heeft volstaan met de enkele mededeling dat geen enkele informatie wordt verstrekt. Hoewel het gebeuren mogelijk mede wordt verklaard doordat de verpleegkundige min of meer overvallen is geweest door het onverwachte telefoontje van de ex-echtgenote van klager, staat hiertegenover dat het bij de professionele attitude past om hiertegen bestand te zijn. Waarschuwing. 

Datum uitspraak: 16 april 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, verpleegkundige,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: Mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam te Amsterdam.

 

 

1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 19 november 2018

- het verweerschrift met bijlagen

 

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 6 maart 2019. De partijen, klager vergezeld van zijn vriendin E en verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

 

 

 

2.         De feiten

 

2.1       Verweerder werkt als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige bij F, locatie D. Klager is van 9 augustus 2018 tot en met 13 augustus 2018 via de crisisdienst opgenomen geweest op de afdeling Spoedeisende Hulp Psychiatrie (SEHP) van F.

 

2.2       Verweerder was op 15 augustus 2018 werkzaam op de SEHP. De ex-echtgenote van klager nam toen telefonisch contact op en kreeg verweerder aan de telefoon. Zij vertelde dat ze de ex-echtgenote was van klager. Ze noemde uit zichzelf klagers naam en geboortedatum en zei dat klager kort opgenomen was geweest op de SEHP. Ze vroeg of het veilig was voor de kinderen om bij klager te verblijven. Verweerder heeft hierop geantwoord dat er geen enkele reden was om aan die veiligheid te twijfelen.



2.3       Op 20 augustus 2018 zag verweerder klager voor het eerst, en wel op de poli van de SEHP. Verweerder heeft daarbij aan klager verteld over het telefonisch contact met klagers ex-echtgenote.

2.4       Het protocol ‘Toestemming verstrekken informatie aan/door derden van F van 27 januari 2016 luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

“(…) Op grond van artikel 88 Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg hebben behandelaars een beroepsgeheim. Het beroepsgeheim omvat  alle gegevens, die de behandelaar in de uitoefening van zijn beroep over de patiënt te weten komt, ook niet medische aangelegenheden en zaken die de behandelaar buiten de patiënt om te weten komt. Aan het medisch beroepsgeheim wordt nadere invulling gegeven door de WGBO, opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 7:457 BW legt tevens de instelling waar een hulpverlener werkzaam is de zorgplicht op het geheim te beschermen. (…)(…) In beginsel mag de behandelaar slechts met toestemming van patiënt zijn zwijgplicht doorbreken.

(…)

In dit protocol worden verschillen de situaties beschreven waarin informatie over patiënt wordt opgevraagd door een externe persoon aan een hulpverlener van F (…) alsmede de regels hoe daarbij te handelen.

Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij sprake is van huiselijk geweld en kindermishandeling. (…)

Opvragen van informatie door partner, familielid, vriend of kennis van patiënt

2.5       Klager heeft naast de onderhavige klacht bij het Regionaal Tuchtcollege ook een klacht ingediend bij de klachtencommissie van F, waarbij klager zich onder meer heeft beklaagd over genoemd telefonisch contact met de ex-echtgenote van klager en de inhoud ervan. De klachtencommissie heeft deze klacht gegrond verklaard bij  uitspraak van 20 augustus 2018.

 

3.         De klacht

 

Klager verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, dat hij privacygevoelige informatie over hem als patiënt heeft verstrekt aan derden (klagers ex-echtgenote) zonder zijn toestemming en zonder enige goede reden. Dit heeft volgens klager verstrekkende gevolgen gehad.

 

4.         Het standpunt van verweerder

 

Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij het contact met de ex-echtgenote niet direct heeft gestaakt omdat hij ook de zorgplicht heeft om de veiligheid van de kinderen in te schatten met inachtneming van de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (HGKM).  Klager is er inmiddels van doordrongen dat hij ten onrechte impliciet heeft bevestigd dat klager opgenomen is geweest en antwoord heeft gegeven op de vraag over de kinderen, hoewel daarvoor geen aanleiding of noodzaak was (ook niet op grond van de meldcode HGKM). Hij heeft hiervan geleerd.

 

5.         De beoordeling

 

5.1       Duidelijk is dat verweerder als hulpverlener bij F (ook al had hij tot dat moment nog geen behandelcontact gehad met patiënt) geen informatie over patiënt had mogen verstrekken aan de ex-echtgenote van patiënt (en als zodanig een derde). Hij heeft dit ten onrechte wel gedaan, zoals hij inmiddels ook inziet. Weliswaar is het gesprek tamelijk beperkt geweest en heeft verweerder naar zijn zeggen ongewild bevestigd dat patiënt opgenomen was geweest, maar hem valt te verwijten dat hij  niet heeft volstaan met de enkele mededeling dat geen enkele informatie wordt verstrekt. Kennelijk was verweerder op dat moment onvoldoende doordrongen van zijn plicht tot geheimhouding en het daarop gerichte Protocol van F. Van enige noodzaak tot doorbreking van zijn geheimhoudingsplicht (een conflict van plichten) in verband met zorg voor de kinderen was geen sprake. Dit betekent dat de klacht gegrond is.

5.2       Bij de keuze van de op te leggen maatregel  heeft het College laten meewegen dat verweerder min of meer ‘overvallen’ is geweest door het onverwachte telefoontje van de ex-echtgenote. Hoewel dit mogelijk mede een verklaring vormt van het gebeurde staat hier wel tegenover dat het bij de professionele attitude past om hiertegen bestand te zijn. Hoe dan ook, duidelijk is dat verweerder van dit alles heeft geleerd. Alles afwegende zal worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing. Voor een zwaardere maatregel wordt geen grond gezien. Het College komt geen oordeel toe over de eventuele gevolgen voor klager.

 

5.3       Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bekend worden gemaakt op de hierna te vermelden wijze.

 

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

legt op de maatregel van waarschuwing;

 

bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Nursing, V&VN Magazine en het Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

 

 

 

Deze beslissing is gegeven door M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist, I.M. Bonte, K.C. Timm-van Ruitenburg en E.M. Rozemeijer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de

            aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen. Degene die beroep instelt, is € 50,- griffierecht verschuldigd aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht van het Centraal Tuchtcollege. Als degene die in beroep is gegaan geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht terugbetaald.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens